De ultieme vraag
Kerkdienst 19 april 2026 - De Regenboog Nijverdal
Schriftlezingen: Genesis 2 & 3; 1 Petrus 1:17-25
“Eén, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien…. Wie niet weg is, wordt gezien. Ik kom!”.
Verstoppertje is een oud, maar nooit verouderd spelletje. Kinderen spelen het met elkaar. Ouders met hun kinderen. Grootouders met hun kleinkinderen. Een simpel spelletje, maar het geeft – tot op zekere leeftijd – groot plezier. Als je het speelt met de allerkleinsten loop je natuurlijk niet direct op je doel af. Je doet eerst even, alsof je niet ziet, dat dat gordijn, waarachter ze zich verstopt heeft, beweegt. Je roept: ‘Waar zit je? Waar ben je? Maak eens een geluidje!’. Als je dan uiteindelijk het gordijn opzijschuift is de pret in de kinderoogjes onbetaalbaar. ‘Gevonden!’
Het is natuurlijk ongepast om de vraag ‘waar ben je?’ uit de tekst van vanmorgen te vergelijken met de vraag uit een kinderspelletje. Verstoppertje ‘spelen’ is heel iets anders dan wat hier in Genesis 3 gebeurt. Dit verhaal uit de Bijbel is geen spelletje. Het is het meest dramatische, het meest trieste van alle Bijbelverhalen. Het is het begin van alle kwaad. Hier ging het mis. Alle ruzies en oorlogen, alle haat en nijd, alle rampspoed en narigheid, beginnen hier. In de hof van Eden, in het paradijs, waar Adam en Eva samen met God leven. Zojuist is dátgene gebeurt dat het goede leven ruw heeft verstoord. We hebben hier te maken met wat later genoemd wordt: de zondeval. De eerst zo goede schepping van God is in één klap naar de verdoemenis getuimeld. Door de ongehoorzame daad van Adam en Eva. Deze oerzonde dreunt sindsdien door in de wereldgeschiedenis. Met de zonde van Adam en Eva is het helemaal mis gegaan. Met die appel (of wat voor vrucht het ook geweest mag zijn) is alles begonnen en zitten we nu nog steeds met de gebakken peren.
Misschien goed om te zeggen, dat ik geen antwoord kan geven op de moeilijke vraag: ‘Is dit nu echt zo gebeurd?’. In het verleden zijn daar felle discussies over gevoerd. Aan het begin van de 20e eeuw kwam er in Nederland zelfs een kerkscheuring over de vraag ‘Heeft de slang echt gesproken?’. Ook nu nog verschillen gelovigen van mening over hoe je de eerste hoofdstukken van de Bijbel moet lezen. Is de aarde echt in 7 dagen geschapen? Of moet je de wetenschap serieus nemen? Moet je uitgaan van een paar miljard jaar sinds de oerknal? En hebben Adam en Eva echt bestaan als een soort ‘oermensen’? Of moet je dat toch anders zien? Meer symbolisch. De Protestantse hoogleraar Gijsbert van den Brink schreef er een paar jaar geleden een boek over. Hij probeert daarin de Bijbelse geschiedenis in te passen in het verhaal van de natuurwetenschappen. Met Adam en Eva begon dan volgens hem duizenden jaren geleden een nieuwe fase in de geschiedenis van de mensheid. Zijn boek deed best weer veel stof opwaaien. Gelukkig kwam het nu niet meer tot een kerkscheuring. Veel belangrijker dan onze welles-nietes discussies is: wat hebben deze verhalen ons te zeggen? Wat vertellen ze ons over ons leven, ons gedrag en – vooral! – over de HERE God? Als je die vragen stelt, krijg je antwoorden, waar je echt wat mee kunt. Dan lees je in Genesis 1, dat hemel en aarde geen toevallig ongeluk zijn, maar schepping van God. Dat er Iemand is die alle dingen bedacht en gemaakt heeft. Iemand die de mens in het leven heeft geroepen en nog steeds roept. Iemand die ook jouw en mijn leven heeft gewild. Dat ‘niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is’. God de HEER verheugt zich over ons bestaan. De HEER staat aan het begin van jouw en mijn leven. Hij zorgt als de goede Vader voor Zijn kinderen. Hij heeft als de goede Herder het beste met ons voor.
Dan lees je verder in Genesis 2 dat Hij ons het allerbeste gunt. Hij plaatste ons mensen in een paradijs. En Hij plantte middenin die hof van Eden een boom van het leven, een levensboom. Als je de vruchten van die boom blijft eten, dan blijf je in leven. Dan is het leven eindeloos goed. Verder lezen we ook in Genesis 2 over die andere boom: de boom van de kennis van goed en kwaad. Laten we nu niet denken: ‘Die had de HERE God beter niet neer kunnen zetten’. Het is beter om goed te bedenken, dat de Schepper daarmee het menselijk leven juist bekroont. Door díe boom maakt de HEER de mens tot kroon van de Schepping. Juist door die boom is de mens anders dan de dieren. De mens krijgt zo de vrijheid om op God te vertrouwen of niet. Ja, met die boom vraagt de HERE God om vertrouwen. Als God zegt ‘je mag van deze boom niet eten, want dan zul je sterven’ wordt van de mens gevraagd om de HERE God op zijn woord te vertrouwen. God geeft zijn geboden nooit om mensen te pesten. Hij misgunt ons onze pleziertjes niet. Die boom is geen snoeppot, waar je van God lekker vanaf moet blijven. Het is eerder de mand uit een Joods verhaaltje hierbij. Dat verhaaltje gaat over een man die in zijn werkplaats een grote mand heeft staan met een deksel erop. Je kunt niet zien wat erin zit, maar de man zegt tegen zijn vrouw: ‘Blijf er met je vingers vanaf, want het is levensgevaarlijk!’. Maar als de vrouw de buurvrouw tegenkomt, zegt die buurvrouw: ‘Weet je wel, dat jouw man een vreemde vrouw bemint? Hij gaat jou straks in de steek laten en die andere vrouw trouwen. Ik heb in zijn werkplaats een grote mand zien staan. Dat is vast en zeker de bruidsschat. Die mand zit vol sieraden en juwelen’. De vrouw raakt zo van streek door de woorden van de buurvrouw dat ze naar huis gaat en haar hand in de mand steekt. Onmiddellijk wordt ze gebeten door een giftige ratelslang. Zo gaat het als vertrouwen verandert in wantrouwen. Zo gaat het tussen mensen onderling; zo gaat het tussen mensen en God. Als het vertrouwen ontbreekt, gebeuren er ongelukken.
Het is de slang die dat vertrouwen van de mens gaat ondermijnen. De Bijbel geeft ook hier geen antwoord op onze moeilijke vraag: ‘Waar komt die slang nu precies vandaan? Is het de duivel zelf? Of is het een ontaard schepsel? Lastig dat we dat niet weten, maar wel heel realistisch, uit het leven gegrepen. Want het kwaad in de wereld is nooit te verklaren. Als iemand de fout ingaat, als hij willens en wetens zijn ondergang tegemoet gaat, moeten wij heel vaak vragen: ‘Hoe kan het in hemelsnaam gebeuren?’. Die oorlogen, dat geweld, die moordpartijen, die terroristische aanslagen – hoe komen mensen zover? Hoe komen wij er toch telkens weer bij om akelige dingen te doen? Onvoorstelbaar! Onbegrijpelijk!
In het paradijs komt het kwaad niet als een briesende leeuw, maar als een glibberige slang. Het gaat zoals het zo vaak gaat met zonde: van kwaad tot erger. Van de woorden van de slang via de hand van de vrouw naar de mond van de man. En vervolgens geven ze elkaar de schuld. ‘Het was niet ik, maar de vrouw. Het was niet de vrouw maar de slang’. En – als je het goed bekijkt, Here God, heeft U zelf toch eigenlijk ook een duit in het zakje gedaan? ‘De vrouw die U mij hebt gegeven… die heeft mij verleid’.
Glibberig, gluiperig, slim en sluw sluipt het kwaad de wereld in. En de wortel van het kwaad is hier en overal: het wantrouwen. De argwaan tussen de mens en zijn God. De twijfel die gezaaid wordt over Gods goede bedoelingen. De mens en zijn hemelse Vader worden uit elkaar gedreven – dat is de kern van de zonde. De mens vlucht weg van zijn Schepper. Hij verstopt zich. Eerst achter een vijgenblad en als dat niet werkt in het struikgewas.
Maar daar blijft het niet bij. Dan is het verhaal van God en mens niet afgelopen. Dan slaat de HEER het boek niet dicht. De mens wordt verbannen uit het paradijs. Ook dat doet de HEER om ons bestwil. Het kwaad mag niet eindeloos voortwoekeren. Er wordt een grens getrokken. Maar het verhaal van God en mens gaat tóch verder. Over de grens van leven en dood heen. Daarom vertelt de Bijbel ons over dat bloedserieuze verstopspelletje in het paradijs. De HERE God wandelt zoals Hij dat gewend is in de tuin: tegen de avond. Als de grootste hitte van de dag voorbij is en een briesje van zee verkoeling brengt. God de HEER wil zoals altijd genieten van Zijn Schepping en Zijn schepsel. Maar het schepsel, de mens, is niet te vinden. Hij en zij hebben zich verstopt. Wie niet weg is wordt gezien… Dan roept God: ‘Waar ben je?’. Nu denk je toch niet dat de Alwetende niet weet, waar de mens zich bevindt? Je denkt toch niet dat Hij Adam en Eva niet ziet zitten? Natuurlijk wel! Maar met de vraag ‘waar ben je?’ worden ze naar voren geroepen uit hun verstopplekje. Om weer opnieuw mens te worden. Antwoord te geven op Gods ultieme vraag. Verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen daden. De HEER wil het vertrouwen herwinnen.
Zo komt de HERE God ons mensen nog altijd tegemoet. De Vader zoekt Zijn domme, zondige, wantrouwende kinderen op. De HEER geeft Zijn Zoon als nieuwe Boom des levens. Door Jezus Christus heeft Hij ons vrijgekocht uit ons zinloze bestaan. Door Hem mogen we tevoorschijn komen en opstaan tot een nieuw leven.
Op de ultieme vraag: ‘Mens, waar ben je?’ mag je antwoorden: ‘Hier ben ik. Met Christus opgestaan op de nieuwe dag. Voor een nieuw lente.
.jpg/picture-200?_=19d9fb39e3b)
.jpg/picture-200?_=19d9fb5a86a)
.jpg/picture-200?_=19d9fb39975)
.jpg/picture-200?_=19d9fb394c1)
.jpg/picture-200?_=19d9fb5a598)

