De ultieme vraag (2)
preek voor zondag 26 april 2026 te Nijverdal
Zondag Jubilate
Jan en Peter zijn broers: Twee broers. Meer zijn er niet. Het was een klein knus gezin, waarin ze opgegroeid zijn. Jan en Peter waren twee heel verschillende jongens. Verschillend van karakter, van interesses, van capaciteiten. Jan is denker. Peter is meer de doener. Jan kwam op kantoor. Peter werkt in de bouw. Hun liefhebbende vader en moeder zijn intussen gestorven. Samen hebben ze nog in goede harmonie de uitvaart geregeld. Bij de verdeling van de erfenis is alles eerlijk en volgens de regels gegaan. Maar helaas kwam juist toen ook weer iets naar de oppervlakte, wat jarenlang verborgen was gebleven: een onbestemd gevoel bij Jan. Het gevoel, dat hem tekort was gedaan. Dat zijn kleine broer bij moeder altijd een streepje voor had. Dat sluimerend gevoel kwam weer boven en zo ging het mis tussen die twee. Hoe het precies gegaan is, weet ik niet, maar een verkeerd woord op het verkeerde moment deed de bom barsten. Sindsdien is het contact tussen die twee minimaal. Een formele groet als ze elkaar ergens op straat tegenkomen. Een kaart voor de verjaardag. Daar blijft het nu bij. Inmiddels hebben ze zich er allebei bij neergelegd.
Zo maar een voorval uit het leven gegrepen. Ik zeg er direct bij: een verzonnen voorbeeld. Jan en Peter bestaan alleen in mijn fantasie. Ik hoop maar dat jij, dat u zich er niet te veel in herkent. Ik hoop het, maar het zou zo maar kunnen van wel. Verwijdering tussen familieleden, broers, zusters, ouders, kinderen. Ruzie en onenigheid zijn altijd pijnlijk – in de kerk, in een vriendenkring, in de buurt – maar als het om familie gaat, is het extra triest. ‘Blood is thicker than water’, zegt een Engels spreekwoord. Dat klinkt nog even scherper dan ons gezegde ‘het hemd is nader dan de rok’. Vriendschap kan kapotgaan. Bloedverwantschap blijft altijd bestaan. De bloedband kun je niet verbreken. Van je vader en moeder, je broertjes en je zusjes, kom je nooit af.
In het prille begin, in de eerste hoofdstukken van de Bijbel, gaat het over de kleine familiekring van Adam en Eva. De eerste mensen zijn door het bloed aan elkaar verbonden. Adam en Eva krijgen twee zonen: Kaïn en Abel. Een mooi knus gezinnetje als begin van de mensheid, zou je denken. Net als vorige week bij de zondeval, zeg ik er ook vandaag maar weer iets bij. Ik kan niet vertellen hoe en wanneer we dit verhaal precies moeten plaatsen in de wereldgeschiedenis. Veel belangrijker dan de vraag: ‘Is het echt zo gebeurd en hoe dan?’ is ook nu weer de vraag die uit dit verhaal tot ons komt. Ook nu klinkt er weer een vraag uit de mond van de Eeuwige, van God Zelf. In Genesis 3, nadat Adam en Eva van de verkeerde boom hebben gegeten, zoekt de HERE God hen op en vraagt: ‘Mens, waar ben je?’. Vandaag in Genesis 4, nadat Kaïn zijn broer vermoord heeft, zoekt God Kaïn op. Dan klinkt uit Gods mond de vraag: ‘Kaïn, waar is je broer Abel?’.
‘Waar ben jij?’ en ‘Waar is je broer?’. Twee vragen uit Gods mond. Twee ultieme vragen. Twee levensbelangrijke vragen. Of moet je zeggen: twee variaties op één en dezelfde vraag. Twee vragen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Net als bij de vraag van vorige week moeten we niet denken dat de Alwetende het antwoord niet weet. De HERE God wist echt wel waar Adam en Eva zich verstopt hadden: tussen de bomen. Maar met zijn vraag nodigt Hij hen uit tevoorschijn te komen. Kleur te bekennen. Hem weer in de ogen te kijken. Met de vraag ‘waar is je broer Abel?’ vraagt God hetzelfde aan Kaïn: ‘Kaïn, kom tevoorschijn’. Kaïn, zo staat er in de Bijbeltekst heeft even tevoren zijn ogen terneergeslagen. ‘Zijn blik werd donker’, staat in onze Bijbelvertaling. Nu nodigt de HEER hem uit om de ogen óp te slaan. Als een vader die zijn kind op het matje roept. ‘Kijk me recht in de ogen! Nu wil ik weten, nu moet jij me vertellen: Waar is je broer?’.
Kaïn moet zich verantwoorden. Maar kan hij zichzelf vrijpleiten van deze eerste fatale misdaad, deze gruwelijke broedermoord? Zijn er wellicht verzachtende omstandigheden in de ‘rechtszaak’ van de hemelse Rechter tegen verdachte K.? Ook dat zijn weer van die vragen, waarop de Bijbel ons geen pasklaar antwoord geeft. Wat was precies Kaïns motief dat hem dreef tot deze wrede daad? Waar het allemaal mee begon is wél min of meer duidelijk: het was als met Jan en Peter uit mijn verhaaltje aan het begin. Een onbestemd gevoel. Een diep ingezonken frustratie. Kaïn voelt zich tekortgedaan. In zijn geval niet door vader en moeder, Adam en Eva. Integendeel zou je haast zeggen. Kaïn was de oudste en de sterkste. Als hij geboren wordt krijgt hij niet voor niets de naam ‘Kaïn’ mee. ‘Met de hulp van de HEER heb ik het leven geschonken aan een man!’, roept Eva uit. Zo verklaart zij Kaïns naam. Alsof ze wil zeggen: ‘Wat een mooi mannetje heb ik op de wereld gezet! Een echte, levende man heb ik voortgebracht’. ‘Met hulp van de HEER’ zegt ze erbij. ‘Ik mag samen met de Schepper ook een beetje schepster zijn’. Met die naam Kaïn laat Eva dus weten hoe TROTS ze op dit kereltje is. Herkenbaar! Wat kun je trots en daarmee ook dankbaar zijn, als je als vader en moeder een kind ontvangt, dat mag opgroeien tot een mooi mensenkind. Maar na de volgende zwangerschap, als Kaïns kleine broertje wordt geboren, klinkt Eva niet meer zo fier en zelfverzekerd: ‘Abel’ noemt ze hem. Daar zit in het Hebreeuws het woord in, dat wij kennen uit de eerste woorden van het boek Prediker: “ijdelheid der ijdelheden’. ‘Lucht en leegte’. Abel is ‘zuchtje wind’. ‘Vederlicht pluisje dat je zó kunt wegblazen’. ‘Dust in the wind’. Het zal je kind maar wezen…
Het zou zo maar kunnen dat hier de kiem ligt van de verdere gang van zaken. Abel is de zwakke, de kwetsbare, de jongste. En in de Bijbel lees je heel vaak dat er Iemand is, die juist daar naar omkijkt: dat is de HERE God Zelf. Die machtige Schepper van hemel en aarde blijkt van den beginne af aan heel diep te kunnen bukken. Heel goed te kunnen kijken naar dat wat niet gezien wordt. Juist het kleinste heeft Zijn aandacht. Juist voor de zwakken heeft Hij een zwak. Juist degenen die hulp nodig hebben, mogen op Zijn hulp rekenen. Dus niet Ezau maar Jacob. Niet de grote broers maar Jozef. Niet de oudste kinderen van Isäi, maar kleine herdersjongen David. Typisch de God uit Maria’s lied: ‘Machtigen stoot Hij van de troon, maar wie gering is geeft Hij aanzien’. Gaat het daarom ook hier zo? Met kaïn (het mannetje) en Abel (het zuchtje wind)? Is het daarom dat we lezen ‘De HEER schonk aandacht aan Abel en zijn offer, maar aan Kaïn en zijn offer niet’?
Hoe dan ook: Kaïn zit met dat gevoel. Die opgekropte boosheid. Dat gevoel van jaloezie, dat aan je vreet. Heel begrijpelijk misschien. Op zich is daar ook niets verkeerds aan. Je kunt niet helpen wat je voelt. Het ligt er maar aan hoe je daarmee omgaat, wat je ermee doet. De HERE God Zelf waarschuwt Kaïn: ‘Kaïn, de zonde ligt op de loer. De begeerte probeert jou in de greep te krijgen. Jij moet sterker zijn dan zij!’. Wat moet je doen met je frustraties, je teleurstellingen, je ingehouden woede: ‘ruim het op, gooi het eruit, maak het bespreekbaar’, zouden wij zeggen. En dat mag je toch ook juist bij God doen? In je gebed. Schreeuw het uit. Leg het voor Hem neer. De HERE God kan wel tegen een stootje…. JOUW stootje…
Maar helaas: een gewaarschuwd mens telt niet altijd voor twee: Kaïn kan zich niet beheersen en slaat zijn broer dood. En als de Eeuwige hem vraagt: ‘Waar is je broer Abel?’, geeft Kaïn niet thuis. Hij kaatst de bal terug met een cynische vraag aan God: ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’. Die kille vraag is sindsdien talloze malen bewust of onbewust gesteld. Gedurende de eeuwen die volgen heeft die onverschilligheid talloze slachtoffers gemaakt. ‘Ben ik mijns broeders hoeder?’ Die vraag klinkt bij elke misdaad, groot of klein. Bij elke moord, maar ook bij elke diefstal, bij elke kwetsende opmerking, bij elke grote of kleine poging om de ander te raken. Zo woekert het kwaad voort op aarde – tot op de dag van vandaag.
De rechtszaak van de hemelse Rechter tegen Kaïn loopt trouwens onverwacht en verassend af. Kaïn krijgt niet de doodstraf voor deze moord met voorbedachten rade. Hij zal zwervend over de aarde gaan, rusteloos zal hij door het leven gaan. Maar gek genoeg – en misschien wel ergerlijk in onze ogen – weet Kaïn de HERE God toch aan zijn kant te krijgen. Hij wilde niet de hoeder van zijn broeder zijn. Maar de HEER wil wel ZIJN herder, Zijn hoeder zijn. Hij krijgt zelfs een teken mee dat hem beschermen zal. Wat dat Kaïnsteken precies is, staat er weer niet bij in de Bijbel. Was het een soort tattoo of een litteken op zijn wang, dat iedereen kan zien? Ikzelf denk direct aan het teken dat IK ooit van God heb gekregen: het teken van de Heilige Doop. Het teken dat ook ik, met al mijn schuld, een schaap van Gods kudde mag zijn. Dat de HEER ook mijn herder en hoeder wil zijn. En dan denk ik ook aan het Evangelie van vanmorgen. Over Petrus. De man die zijn HEER keihard liet vallen. Driemaal verloochende Petrus zijn Heer. Maar nu mag hij driemaal de vraag van de HEER beantwoorden. Een variatie op de vragen aan Adam en Kaïn: ‘waar ben jij’ en ‘waar is je broer?’. Aan de oever van het meer van Galilea vraagt Jezus: ‘Heb je mij lief?’. En als Petrus daar aarzelend ‘ja’ op antwoordt, krijgt hij de opdracht mee.
De levenstaak die de HEER ons toevertrouwt: als je Mij liefhebt, dan heb je ook de taak om voor mijn schapen te zorgen. Dan weet je wie je broeders en zusters zijn. Dan word je geroepen om over hen te waken. Als lid van één groot huisgezin, als kind van Eén Vader ben ook jij je broeders hoeder.
.jpg/picture-200?_=19dc43580f0)
.jpeg/picture-200?_=19dc4357d08)

.jpg/picture-200?_=19dc43584d8)
.png/picture-200?_=19dc43580f0)
.jpg/picture-200?_=19dc4357d08)

