Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

"Maak plaats voor schoonvader..."

Kerkdienst 15 maart 2026
De Regenboog, Nijverdal

Leerdienst Thora en Evangelie

Lezingen: Exodus 35:10-22; Exodus 37:1-9 en Hebreeën 4:14-16


“Er was eens een koning. Hij had één dochter. Een mooi meisje, waar de koning zielsveel van hield. Op een dag verschenen in zijn paleis afgezanten van een ander koninkrijk. Dat rijk lag ver weg. De afgezanten hadden een lange reis achter de rug voor een heel bijzonder missie. ‘Onze koning, zeiden ze, heeft gehoord over u en uw prachtige dochter. Hij zou heel graag met uw dochter willen trouwen’. Maar de koning zei: "Mijn dochter, wier hand jullie vragen, is mijn enigst kind; ik kan van haar geen afscheid nemen. Maar ik wil jullie ook niet teleurstellen door dit huwelijksaanzoek te weigeren. Dus neem haar maar mee. Ik heb één belangrijke voorwaarde: maak daar ver weg in jullie paleis een kamer voor mij klaar. Dan kan ik, wanneer ik maar wil, bij jullie logeren. Dan kan ik mijn dochter ontmoeten en goed in de gaten houden, dat jullie goed voor haar zorgen"

Deze midrasj geeft de Joodse traditie als antwoord op de vraag: waarom moet er voor God een heiligdom gemaakt worden? Waarom is het nodig om een Godshuis te bouwen? Een tempel, zoals Salomo ooit bouwde in Jeruzalem. Of die tabernakel die het volk Israël moest maken in de woestijn. Waarom die moeite? Konden ze hun goud en zilver niet beter besteden? Kunnen ze hun tijd en energie niet beter gebruiken? Is het nu echt nodig een ‘huis voor God’? De HEER heeft hemel en aarde geschapen. Hij is zo groot en machtig dat Hij niet in een huisje te stoppen is. Zei koning Salomo het niet, toen hij de tempel gebouwd had: ‘De hemel, ja zelfs de hemel der hemelen kan U niet bevatten. Laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd’. God is té groot voor een paleis, laat staan voor een tent. Een tabernakel met een lengte van dertig el, een breedte en hoogte van tien el - dus pakweg 15 bij 5 bij 5 meter. Dat is toch veel te klein voor de grote God? Bovendien kun je God toch overal ontmoeten? ‘Op bergen en in dalen, ja overal is God’?
Dat lijken achterhaalde vragen voor lang geleden. Het zijn als je het goed bedenkt ook actuele vragen. WIJ kunnen ze stellen bij ónze kerkbouw. We beleven een tijd waarin kerken gesloten en zelfs afgebroken moeten worden. Omdat inderdaad voor veel mensen een gebouw van hout en steen niet meer nodig is. Waarom heb je de kerk nog nodig? Als je gelooft, kun je toch net zo goed thuis je handen vouwen? Of desnoods op een wandeling in de mooie natuur, Gods schepping? Hebben wij wel gebouwen nodig om God te dienen? Kunnen WIJ ons geld en onze tijd niet beter besteden? Dan komt die vraag wel heel dichtbij, hier in Nijverdal. Nu WIJ als gemeente weer alles uit de kast halen om een mooi gebouw neer te zetten.

Een plaats voor God. Het is zeer opvallend, dat er in het boek Exodus zoveel aandacht aan wordt besteed. Het boek Exodus kent in onze vertalingen 40 hoofstukken. Daarvan zijn er een stuk of 11 gewijd aan de tabernakel. Die hoofdstukken zijn naar ons gevoel ontzettend gedetailleerd. Bij het Bijbellezen aan tafel zouden wij waarschijnlijk verzuchten: wat moeten we ermee? Neem nou die ark, die in de tent komt te staan. Voor alle duidelijkheid: dat woord ‘ark’, aroon in het Hebreeuws, heeft niets te maken met de Ark van Noach. Daar gebruikt het Hebreeuws een ander woord voor. Dit woord betekent gewoon ‘houten kist’. Het wordt ook gebruikt voor een geldkist en zelfs voor een doodskist. Mozes krijgt de opdracht om een kist van hout te maken. Een kist van 2 ½ bij 1 ½  bij 1 ½ e el. Dat is krap anderhalve meter lang, een meter breed en een meter hoog. Hij moet het hout met bladgoud overtrekken. Aan de bovenkant komt een sierlijst. Vier ringen moeten op de vier hoeken gezet worden. Daarin kun je stokken steken, zodat de kist gedragen kan worden. Verder is het blijkbaar heel belangrijk dat er een mooi deksel op komt. Ook van goud. Met daarop twee cherubs – engelenfiguren. En dan wordt nog exact aangegeven hoe die moeten staan en hoe ze moeten kijken. Wat moet je ermee! Wie bedenkt zoiets? Nou ja: de HERE God Zelf dus. HIJ geeft Mozes de opdracht. Hij laat Mozes als hij op de berg is een bouwtekening zien. Een soort hemelse maquette. Mozes moet zorgen dat er een exacte kopie op aarde komt. En of het nog niet genoeg is: het hele verhaal wordt nog eens dunnetjes overgedaan. Het wordt twee keer verteld. Eerst lees je in Exodus 25 tot 31 hoe God de opdracht aan Mozes geeft. Daarna vanaf hoofdstuk 35 wordt verteld hoe het goddelijk plan wordt uitgevoerd. Weer met alle détails erbij. Twee keer vrijwel hetzelfde. Alleen eerst: de HEER gaf Mozes de opdracht. En de tweede keer: die opdracht wordt uitgevoerd. Had dat niet wat korter gekund? Mozes had wat ons betreft hier een stukje kunnen bezuinigen. Door gewoon te schrijven: ‘Wij voerden de opdracht nauwgezet uit. We maakten de tabernakel en de ark precies volgens Gods voorschriften’. Klaar. De joodse traditie weet te vertellen waarom dat niet gebeurd is. Waarom het zo belangrijk is dat dit heiligdom zo precies en ook nog twee keer beschreven moet worden. Simpel gezegd komt het hierop neer: De koning wil een goede plek hebben voor zijn lieve dochter en voor zichzelf. Hij wil dat zijn lieve dochter het goed maakt. Daarom moet er op aarde een perfecte plek komen voor die dochter én voor de koning zelf, als Hij haar opzoekt. En die dochter – wie is dat dan? Daar is maar één antwoord op: die dochter is de Thora. Dat zijn Gods Woorden. Gods voorschriften. Zijn leefregels. Dat is het meest dierbare dat de Eeuwige bezit. En dat allermooiste bezit staat Hij af aan de mensen. Daarom moet die Thora bewaard worden op het allermooiste plekje van dat heiligdom: in het Heilige der heiligen in die bijzondere kist.

Als Mozes op de berg van de HEER de bouwtekening krijgt, is het eerste wat hij in zijn geheugen opslaat: die Ark van het verbond. Die verbondskist. Dat is in het heiligdom immers het allerbelangrijkste. Dat is de kern. In die kist worden de twee stenen tafelen bewaard. Met de tien geboden. Wij denken dan misschien: hoe kan dat nu het belangrijkste zijn? Die 10 leefregels. Die wetten. Dan moeten we erbij bedenken hoe die geboden samengevat worden. God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf. De kern, waar alles om draait is dus in één woord: liefde. Mozes begint dus met het hart van de zaak. Met Gods liefdesgebod. Dat is ‘Gods lieve dochter’. Dus dat krijgt het mooiste plekje: in de ark.
Als vanaf hoofdstuk 35 de uitvoering van deze opdracht wordt beschreven, is de volgorde net even anders. Dan wordt eerst gezegd hoe de tent, tabernakel wordt gemaakt. Daarna horen we pas hoe de ark van het verbond vervaardigd wordt. De man die daarvoor verantwoordelijk is, is een zekere Besaleël. Die naam betekent zoiets als ‘in de schaduw van God’. Een prachtige naam natuurlijk. Besaleël leefde blijkbaar vlakbij God. In de schaduw van de Levende. Dat was te merken aan de prachtige dingen die hij kon produceren. Hij was gezegend met artistieke kwaliteiten. Hij was een man die had wat ik absoluut niet heb: twee rechterhanden. Echt wat je noemt een kunstenaar, een ambachtsman. Zijn kunstzinnige kwaliteiten worden rechtstreeks toegeschreven aan Gods Geest. Hij en zijn medewerkers zijn in staat om van hout en goud die prachtige tabernakel met alles erop en eraan te maken. Ze zijn meesters in houtbewerken en goudsmeden. Besaleël krijgt dus van Mozes de opdrachten door. En - zegt de Joodse traditie - omdat Besaleël zo dichtbij, in de schaduw van de Allerhoogste leeft, weet hij soms nog beter dan Mozes hoe de HERE God het wil hebben. Als Mozes niet helemaal precies meer weet hoe je de gouden kandelaar moest maken, weet Besaleël het wel. En hij maakte een magnifieke menora. En als Mozes vertelt dat Besaleël als eerste de ark van het verbond moest maken, zegt Besaleël: ‘Ho even, Mozes. Dat is niet handig. Als ik de ark van het verbond maak met de stenen tafelen erin, moet hij toch direct ergens een goed plekje hebben. Als die ark af is, kunnen we hem niet even buiten laten staan. Dus maak ik eerst de tent – de tabernakel - en daarna de ark’. En zo gebeurt het.

En zo komt er een plekje voor de dochter en voor de koning. Zodat de koning zijn dochter onder zijn wakend oog kan houden. En dat is nodig ook. Precies tussen de opdracht aan Mozes en de uitvoering door Besaleël wordt verteld hoe het volk verschrikkelijk de fout ingaat. Hoe Gods Thora, Gods lieve dochter, direct afschuwelijk behandeld wordt door afgoderij rondom het gouden kalf. Bijna komt het zover, dat de HERE God zijn dochter snel weer terug naar huis haalt. De eerste stenen tafelen worden stukgesmeten. Maar dat gebeurt toch niet. De HERE God gaat toch verder met zijn volk. De grote schuld wordt vergeven. En het eerste dat ze dan tóch mogen doen is: die tabernakel bouwen en die ark – als een huis voor de Thora. En boven op die ark, ligt dat deksel. Een speciale gouden dekplaat. Die speelt een belangrijke rol in het vervolg. Op dat deksel mag de Hogepriester één keer per jaar het bloed van een zondebok sprenkelen. Het deksel is daarmee een zoenmiddel, een teken dat de HERE God de schuld vergeeft. Het is dus een teken van Zijn vergevende liefde.

Voor ons als christenen, zegt de Hebreeënbrief, herinnert dit aan het werk van onze Hogepriester, Jezus Messias. Hij bracht met zijn eigen bloed verzoening voor onze zonden. Om Christus wil gaat God ook met ons verder. Hij wil ons zijn dochter, Zijn Woord van liefde geven. De koning wil ook zelf weer bij ons logeren.
En daarom bouwen en verbouwen wij nog steeds kerken. We maken een plekje klaar voor de dochter van de Koning, een huis voor de Thora, een huis voor Gods Woord. Wij maken plaats voor ‘schoonvader’, onze koning. Hij wil komen in ons hart, in ons leven, maar ook heel concreet: in een mooi gebouw, dat we zorgvuldig met hamers en spijkers, beton en staal in elkaar zetten. Een mooi huis voor Gods Woord. Hij vraagt ons dat we dat Woord in praktijk brengen met eerbied en toewijding. Want het allermooiste wat God ons kan geven is zijn Woord: het brengt ons Zijn liefde, Zijn ontferming voor de feilbare mensen die wij zijn.