Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Kletspraat?
Preek voor Paaszondag 5 april 2026
Lezingen: Lucas 24:1-14 en 1 Petrus 1:3-9

 

 

“Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet” (Lucas 24:10-11)

‘Geloof jij dat nou echt?’. Hij schrok wel een beetje van die vraag. Die onverwachte vraag. Uit onverwachte hoek. ‘Geloof jij dat nou echt?’. Een goede vriend vroeg het hem na afloop van de wedstrijd in de kantine. Onder het genot van een biertje hebben ze het dan altijd over de gebruikelijke koetjes en kalfjes. De gewonnen of verloren wedstrijd. Dat mooie doelpunt van de spits. Die prachtige redding van de keeper. De fouten van de scheidsrechter natuurlijk. Daar hebben ze het met elkaar over. Maar na verloop van tijd gaat het ook over de belevenissen van de afgelopen dagen op school of op het werk. De laatste nieuwtjes worden besproken. De leuke meisjes gaan over de tong. Je bent nu eenmaal jong. Maar het onderwerp ‘geloof’? Dat komt niet ter sprake in de ‘derde helft’. Natuurlijk: ze weten allemaal best, dat hij zondags weleens naar de kerk gaat. Zijn ouders vinden dat prettig en nodig. Zelf ziet hij er de waarde ook van in. Zijn vrienden weten dat. Maar geloof? Persoonlijk geloof? Daar hebben ze het gewoon niet over. Het komt er niet van. Zeker niet na de wedstrijd. Behalve afgelopen zaterdag. Zijn voetbalmaat vraagt het, recht op de man af: ‘Geloof jij dat nou echt?’

Het wordt al snel duidelijk, hoe hij juist nu bij die vraag komt. ‘Ik heb donderdagavond gekeken, jij toch zeker ook?’ Hij begrijpt niet meteen, waar zijn vriend het over heeft. ‘Die Passion, donderdag. Op de televisie. Ik heb ernaar gekeken. Niet helemaal, hoor. Ik was wat aan het zappen. Toen viel ik er middenin. En – gek genoeg – bleef ik erbij hangen. Het lijdensverhaal van Jezus. Dat grote witte kruis, dat door de straten werd gesjouwd. Die liedjes erbij. Die muziek. Ik vond het best gaaf. Gaaf verhaal trouwens ook. Over Jezus. Ik wist wel, dat Pasen niets met de Paashaas, maar iets met Jezus te maken had. Maar ik heb nooit het hele verhaal gehoord. Wat een rotstreek, zeg, van die Judas. Om je vriend te verraden. Met een kus. Wat een eikel, die Pilatus, die zijn handen wast in onschuld! Net doen, alsof jij er niets aan kan doen. Ja ja, helaas gebeurt dat vaak zo. Door dat hele verhaal heen spelen allerlei dingen, die je in het dagelijks leven tegenkomt. Liefde, haat, vriendschap, verraad, leven, dood. Het is net ‘goede tijden, slechte tijden’, maar dan in het ‘echt’. En dan dat afschuwelijke einde van Jezus – dat kruis! Verschrikkelijk, zeg, om zo dood te moeten gaan. Wat een marteling. Zoveel pijn voor een onschuldig mens. Maar ja, ook dat gebeurt in het echte leven helaas ook zo vaak. Vervolging. Marteling. Executies.  Maar, wat ik je vragen wil… dat slot! ‘Geloof jij dat nou echt?’ De vertelster, Astrid Kersseboom, besloot er haar verhaal mee. Ze noemde het een verrassende ‘plottwist’. Nou, dat kun je wel zeggen! Plotseling liep Jezus (nou ja: Milan van Waardenburg als Jezus) weer tussen de mensen. Hij zong zijn slotlied: ‘Kom dichterbij!’ Liep die Jezus van jou dan zo maar weer vrolijk het graf uit of zo? Geloof jij dat nou echt?’. Zo maar een gesprekje tussen vrienden, dat zo maar in de voetbalkantine had KUNNEN plaatsvinden. Zo maar een vraag, die jou gesteld kan worden. Sta je met je mond vol tanden? Wat moet je daar nu van zeggen? Geloof je dat nou echt?

We bevinden ons vanmorgen met deze vraag in het goede gezelschap van de leerlingen van Jezus. Ze kijken elkaar eens aan, als de vrouwen binnen komen stormen. Wat is dit?! Ze staan perplex over wat ze te horen krijgen. De vrouwen vertellen, dat het graf leeg is. ‘Hoe kunnen jullie dat nu weten?’, vraagt er één. ‘Het graf is afgesloten met een zware steen. Die krijgen jullie helemaal niet van zijn plaats’. ‘Die steen is weggerold’, zeggen de vrouwen. ‘Nou nog mooier!’, zeg een ander. ‘Aardbevinkje of zo? Of is het de bliksem geweest?’ ‘We hebben ook engelen gezien’, vertellen de vrouwen, ‘Ze zeiden dat Jezus is opgewekt’. Het is dat de leerlingen nog volledig van de kaart zijn door de dood van Jezus. Ze zitten nog diep in de rouw. Anders zouden ze in lachen uitbarsten. Tegen zoveel domheid zijn ze niet bestand: ‘Laat me niet lachen, zeg: ik ben toch niet…’
Nu waren die leerlingen van Jezus geen 21e-eeuwse goedgeschoolde burgers, zoals wij. Ze hebben op school geen natuurkunde gehad. Maar met hun vissersverstand weten ze ook wel, dat een zware steen niet zomaar van zijn plaats rolt. Ze hebben geen biologische kennis van het menselijk lichaam. Maar dat dood dood is, weet iedereen. Als je hart en je hersenen ermee stoppen, krijgt niemand die meer in beweging. Ze zijn geen kritische wetenschappers, maar ze weten echt wel, dat je niet zomaar engelen ziet staan. Dan is er iets mis met je. Je ziet ze vliegen. Dan heb je hoge koorts en dan ga je ijlen. Dan zie je dingen, die er niet zijn. ‘Onzin’, ‘kletspraat’, ‘lariekoek’, zeggen ze. En ze denken er vast bij (wat wij er natuurlijk niet bij denken): ‘Vrouwenpraat!’ Want – helaas dames – zo was het in die tijd. Vrouwen waren in die tijd ongeschikt of in elk geval minder geschikt om als getuige op te treden. Als je in een rechtszaak alleen maar vrouwen hebt om voor jou te getuigen, dan staat jouw zaak niet sterk. Je hebt twee of drie personen nodig voor een geloofwaardig getuigenis – Lucas noemt dus drie vrouwen bij name. Maar ja, het BLIJVEN vrouwen! ‘Vrouwen zijn te lichtzinnig en vrijpostig om als getuigen op te treden’. Dat zeg ik niet (ik kijk wel uit) maar dat zegt de beroemde historicus Flavius Josephus. Zo keek men er in die tijd tegenaan. Zo kijken dus ook de leerlingen van Jezus er tegenaan. Ze geloven het niet als de vrouwen vertellen over de weggerolde steen, het lege graf en de verschijning van engelen. Het is hun – als kinderen van hun tijd – misschien niet aan te rekenen. Maar ze geloven het ook niet, als de vrouwen vertellen, dat Jezus dit allemaal al heeft voorzegd. Dat dit zou gebeuren. Hij had van tevoren verteld, dat Hij zou lijden en sterven en dat Hij weer zou opstaan op de derde dag. Als de engelen dát aan de vrouwen vertellen, schiet het hun weer te binnen. Hún gaat een lichtje op. Door deze woorden gaat het licht weer branden. Het licht van het geloof. Ze herinneren zich de woorden van de HEER. En dán kunnen ze niets anders dan: rechtsomkeert maken en het de leerlingen gaan vertellen. Ze zijn geraakt, prettig gestoord kun je zeggen, niet alleen door wat ze gezien, maar vooral door wat ze gehoord hebben.

Zo gaat het nog steeds. Tenminste: zo gaat het bij mij. Je geloof wordt niet gewekt door wat je om je heen ziet. Je komt niet tot geloof met behulp van je ogen. Het geloof komt via je oren. Het is zoals we lazen in de brief van Petrus: ‘Je hebt Jezus lief zonder Hem gezien te hebben. Je gelooft in Hem zonder Hem nu te zien’. Je komt tot geloof door wat je hoort. Door wat je over Jezus hoort. Voor mij was dat via mijn vader en moeder, de juffrouw en de meester op school. Ze hebben mij de verhalen over Jezus verteld. En in de kerk en op zondagschool, op de jeugdclub en de catechisatie leerde ik het langzamerhand beter begrijpen. Totdat het lichtje bij me ging branden. Het lichtje van geloof. Het lichtje van Jezus. Dan merk je aan de dingen van je leven, dat het niet anders kan: Dat Hij leeft. Dat Hij er wel MOET zijn. Nu! Vandaag! In de hemel en ook op aarde. In ons midden door Zijn Geest.
Dan is het dus helemaal niet zo gek om dat verhaal van de vrouwen toch maar te geloven. Ja, de vrouwen gaan de mannen voor. Ook Lucas maakt dat subtiel duidelijk. Vrouwen hebben het als eerste door, dat Jezus Zijn woorden waarmaakt. Hij blijft trouw aan wat Hij gezegd heeft. Jezus is meer dan zo maar een vriendelijke rabbijn. Meer dan één van de vele onschuldige slachtoffers. Meer dan een goede man uit de geschiedenis. Hij leeft! Waar twee of drie in Zijn Naam samen komen, daar is Hij in levenden lijve aanwezig.

Geloof jij dat nou echt? Dat geloof ik. Stel je voor, dat ik het niet geloof. Dan zijn ‘rotstreken’ als van Judas onherroepelijk. Dan krijgen eikels als Pilatus het laatste woord. Dan zijn verschrikkelijke martelpraktijken altijd ‘einde verhaal’. Dan hebben dood en duivel overwonnen. Daarom ben ik blij, dat ik mag geloven, dat Jezus is opgestaan. Het vervult mij, net als Petrus het schrijft, met een ‘onuitsprekelijke, hemelse vreugde’. Dat geloof geeft rust. Dat geloof geeft echte blijdschap. Het geeft levende hoop. Want met Christus mogen ook wij opstaan uit de dood. Aan het einde van ons leven, maar ook nu al. Astrid Kersseboom zei het zo mooi aan het einde van The Passion: ‘Pasen is een uitnodiging om op te staan. Om de angst voor de dood of het leven los te laten. Om weer echt contact te maken met jezelf, met mensen om je heen én met God’.