Gelukkig de zachtmoedigen
Preek voor zondag 1 februari 2026
Bevestiging en afscheid van Ambtsdragers
De Regenboog te Nijverdal
Schriftlezing: Matteüs 5:1-12 (Psalm 37)
Die wereld BELOOFT Jezus. Die IS er nog niet, maar ZAL er komen. Wat Jezus belooft is toekomstmuziek. Het is de droom, het visioen, de profetie die eenmaal werkelijkheid zal worden. Het is er nog niet, maar het zal er zijn, zowaar de HEER leeft.
Niet alleen de wereld, ook de mensheid gooit Jezus in zijn woorden ondersteboven. Niet degenen, die wij gelukkig noemen, spreekt Jezus zalig. Integendeel. Juist degenen die wij bij de losers, de pechvogels rekenen, noemt Jezus gelukkig: niet de rijken, maar de armen. Niet de lachers, maar de treurenden. Niet de welvarenden, maar de hongerigen en de dorstigen.
Vanmorgen wil ik in het bijzonder stilstaan bij de mensen die Jezus ‘zachtmoedig’ noemt. Ook voor hen gaat de wereld op zijn kop. Zij zullen, zo staat er, ‘zij zullen de aarde bezitten’.
‘De aarde bezitten’. Dat roept bij Bijbeluitleggers en Bijbelvertalers discussie op. Het woord dat in onze allernieuwste vertaling met ‘aarde’ wordt vertaald, kun je namelijk ook met ‘land’ vertalen. Het wordt in de Bijbel gebruikt als gezegd wordt ‘God schiep hemel en aarde’. Maar ook als Abraham de opdracht krijgt: ‘Ga op reis naar het land dat Ik je wijs’. Dan gaat het dus over het beloofde land, dat het volk Israël later in bezit krijgt. Of – om het maar direct in onze gecompliceerde tijd te plaatsen: het land, ‘from the river to the sea’, waar zowel Joden als Palestijnen recht op zeggen te hebben.
Dit trieste conflict over het land Israël bepaalt ons direct bij de betekenis van land, aarde, grond. Voor ons mensen is dat van zoveel belang. Er zijn heel wat bloederige oorlogen en conflicten over uitgevochten. Om land te bezitten gaat de mensheid over lijken. Land wordt veroverd, ingepikt, geannexeerd, onteigend, etnisch gezuiverd. En dat is niet zomaar: als je land bezit, dan heb je levensruimte. Op jouw stukje grond kun je een huisje bouwen. Met een tuintje en een stalletje. Je kunt er je groente verbouwen en je vee voeden. Als je land bezit, kun je jezelf en jouw gezin voorzien van levensonderhoud. Op jouw kleine stukje aarde kun je gelukkig leven.
Wat Jezus bedoelt met ‘zij zullen de aarde of het land bezitten’ is dan helemaal helder. Dan heeft Hij het weer over die nieuwe wereld, Gods Koninkrijk. Het zal de hele aarde omvatten. Alle grond, al het land, de hele aarde zal eerlijk verdeeld zijn. Zoals eenmaal, nadat het volk Israël in het beloofde land was gekomen. De grond werd verdeeld onder het volk. Iedere stam, familie, gezin kreeg een eigen stukje grondgebied. Dat stukje land was erfdeel dat overgeleverd werd van vader op zoon, van geslacht op geslacht. Als je je land door armoede gedwongen moest verkopen, kreeg je het na hooguit 50 jaar, in het Jubeljaar, terug. Zo had je bestaanszekerheid voor je familie. Dat was het ideaal. Maar de werkelijkheid is anders. Mensen gunnen elkaar geen stukje aarde. Mensen gaan met ellenbogen werken of met vuisten slaan. Eigen land, eigen volk, eigen belang eerst. De wereld lijkt vaak op een jungle, waar het recht van de sterkste geldt. Brutalen hebben de halve wereld. Wie de meeste macht, het meeste geld, de beste wapens heeft, kan de aarde veroveren. De Noordpool beheersen; de Krim bezetten; Groenland inpikken. In onze wereld bezitten de machtigen de aarde.
Maar Jezus draait het dus weer helemaal om. Hij belooft het land aan de zachtmoedigen. Zo waar de HERE leeft. Die grote ommekeer kan alleen de HERE God brengen. Het Koninkrijk komt ‘uit de hemel’. Dat wil zeggen: rechtstreeks bij de Eeuwige vandaan. God Zelf zal ervoor zorgen dat de rollen worden omgedraaid. Dat niet hardvochtige mensen maar juist zachtmoedigen de aarde zullen bezitten. ‘Bezitten’ is trouwens niet precies het woord voor wat hier staat. Er staat letterlijk zoiets als ‘beërven’. Want de aarde, het land, is zoals ooit voor het volk Israël: ‘erfdeel’. Het land is een erfenis. Een erfenis verover je niet, kun je zelfs niet kopen, maar krijg je in bezit. Gratis. Voor niks. Zo is de aarde, het land een erfenis die wordt geschonken uit Gods hand. De HERE God geeft het aan de zachtmoedigen. Zij krijgen het land. Daarmee duurzame bestaanszekerheid. Gods hemels vaderland, waarin ze als Gods kinderen eeuwig kunnen leven.
Kunnen wij daar wat mee in deze harde wereld? Is het visioen van Jezus over die nieuwe aarde niet te mooi om waar te zijn? Kunnen we er ons leven door laten bepalen?
Jezus Zelf kon dat. Hij wordt in het evangelie twee keer aangeduid met het woord ‘zachtmoedig’. Als Hij Jeruzalem binnentrekt ‘zachtmoedig en rijdend op een ezelin’. Als Hij vermoeide en belaste mensen uitnodigt om tot Hem te komen noemt Hij Zichzelf ‘zachtmoedig en nederig van hart’. Hoe ‘zachtmoedig’ Jezus was, zien we als Hij het kruis op zich neemt. Als Hij sterft voor ons op Golgotha. Als Hij door Zijn offer de overwinning behaalt over duivel en dood. Zo heeft Jezus de wereld op zijn kop gezet. Zo maakt Hij duidelijk dat wie Hem volgt door dood en lijden heen die nieuwe wereld zal beërven. Voor niets, uit genade.
Wie dát gelooft en daarop hoopt, zal in zijn of haar leven ook zachtmoedig zijn. Je let niet alleen op je eigen belang, maar ook op dat van anderen. Je bent bereid desnoods de minste te zijn. Je gunt een ander een plekje op de aarde, een stukje grond onder de voeten.
‘Zachtmoedigheid’ is niet alleen een kenmerk van Jezus. Het zou ook ons moeten kenmerken, als Zijn volgelingen. Juist ook in de kerk, in het kerkenwerk. Juist in de kerk moet iets zichtbaar zijn van dat andere, dat hemelse koninkrijk. Dus kun je eigenlijk geen kerkenwerk doen, als je niet ‘zachtmoedig’ wil zijn.
Wat dat is? ‘Een zachtmoedig mens’. Zeker geen zachtgekookt ei, geen softie, geen watje. Net als de zachtmoedige Jezus moet je soms bereid zijn om luid en duidelijk op te komen voor de waarheid of het tempelplein schoon te vegen. Je hoeft niet om de hete brei heen te draaien. Je waait niet met alle winden mee.
Misschien mag ik het vergelijken met een voorwerp. Geen steen, maar een spons. Een steen is koud en hard. Alles ketst erop af. Als je bent als een steen blijf je onbewogen. Het raakt je niet. Het deert je niet. Als je bent zoals een spons word je geraakt door de mensen die je ontmoet. Als ouderling of contactpersoon ben je bewogen met de gemeenteleden die aan je pastorale zorgen zijn toevertrouwd. Je blijft zelf niet ‘droog’; je zuigt desnoods hun tranen in. Als diaken leef je mee met mensen in nood. Je laat het niet als een steen van je afglijden. Het komt binnen. Je wordt erdoor beroerd en je komt als je kunt in actie.
Maar – net als een spons – mag je wat je meekrijgt ook weer van je afzetten. Je mag de tranen, het leed, de zorgen van jezelf en van anderen ‘uitknijpen voor de HEER’. In je gebed mag je alles weer aan Hem overgeven. In het geloof, met de vaste hoop, dat Zijn Koninkrijk komt. En als Hij komt, dan gaat de wereld op zijn kop. Wat zeg ik? Dan komt de aarde pas goed op haar pootjes terecht.
.jpg/picture-200?_=19c18fd50e4)
.jpg/picture-200?_=19c18fd5330)
.jpg/picture-200?_=19c18fd4e92)
.jpg/picture-200?_=19c18fd4c4b)
.jpg/picture-200?_=19c18fd47a8)
.jpg/picture-200?_=19c18fd4a06)

