Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

...todat Hij komt...
Kerkdienst 1 december 2019
Eerste Adventszondag
Lezingen: Genesis 49: 1-12 en Matteüs 21:1-9

geluidsopname op Kerkomroep

“In Juda’s handen zal de scepter blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat hij komt die er recht op heeft, die alle volken zullen dienen” (Genesis 49:10) 

 

Je weet vast wel wat een caleidoscoop is. Het is een soort ‘kijkbuis’. Als je er doorheen kijkt, gericht naar het licht, zie je een afbeelding – een soort kleurrijke sterrenhemel. Als je er daarna aan schudt en draait, dan verandert die afbeelding in een andere. Een caleidoscoop is een heel oud stuk speelgoed. Ik herinner het me nog vanuit mijn kinderjaren. Misschien is het té ouderwets als sinterklaascadeautje voor je kinderen of kleinkinderen. Aan dit stukje speelgoed moet ik denken als ik Jacobs woorden over Juda in Genesis 49 hoor. Vanmorgen kijken we met Jacob mee als door een caleidoscoop. 
Het is een gedeelte uit Jacobs laatste toespraak. Voordat hij gaat sterven, roept hij zijn zonen bij elkaar. Zijn 12 zonen. Jacob mag zichzelf gelukkig prijzen, dat hij ze alle twaalf rond zijn sterfbed ziet staan. Zoals het voor ons een voorrecht is als je met elkaar van iemand op hoge leeftijd afscheid kunt nemen. Dan is er verdriet om het naderend einde. Maar dan is er ook iets van verzoening. Van vrede met het verleden. Van aanvaarding. Het boek gaat niet met een klap dicht, maar voorzichtig slaat de laatste bladzijde om. Als je dat meemaakt zijn dat onvergetelijke kostbare momenten.

Omringd door je naaste familie en vrienden afscheid nemen. Dat had bij Jacob heel anders kunnen zijn. Jarenlang heeft hij geleefd met de gedachte: ‘Mijn zoon Jozef is dood’. Maar op zijn oude dag kreeg hij het ongelofelijke bericht: ‘Jozef leeft. Hij is onderkoning in Egypte’. Jacob verhuist naar Egypte. Daar vinden ze elkaar terug. Zijn gezin is dus compleet, als hij zich voorbereidt op zijn sterven. Zo staan ze daar alle twaalf. Ze staan er als vertegenwoordigers van het volk dat later twaalf stammen zou tellen. Heel het volk bij elkaar. Eensgezind. Israël. Het volk van God. Na zijn lang bewogen leven heeft Jacob het geluk dat hij bewust afscheid kan nemen. Hij kan nog wat zeggen tegen zijn zonen. Hij kan hun nog wat meegeven. Jacob geeft de zegen. Hij zegent zijn zonen. Maar dat is het niet alleen. Deze woorden zijn anders. Ze zijn veel meer dan zegenende woorden. Als het alleen maar zegen zou zijn, zou je kunnen denken dat Jacob de één voortrekt boven de ander. We hebben al gehoord dat Ruben, Simeon en Levi niet veel goeds te horen krijgen uit de mond van hun vader. Er klinken ernstige waarschuwingen en sombere voorspellingen. Het zijn dan ook niet Jacobs laatste wensen. Hij leest niet zijn testament voor. Hij deelt niet de erfenis uit. Nee, het wordt Jacob gegund in de toekomst te kijken.

Dat komt vaker voor. Dat mensen voordat ze sterven een glimp, een lichtstraal opvangen vanuit de hemel. Woorden van God. Beelden uit het hiernamaals. Jacob ziet op zijn sterfbed ‘de poort wijd open staan, waardoor het licht komt stromen’. Hij mag even het licht van God zien schijnen over wat komen gaat. Over de toekomst van Israël. Hij ziet het als door een caleidoscoop. Die je naar het licht richt. Hij ziet beelden voorbij flitsen. Beelden met felle kleuren. Abstract. Symbolisch. Raadselachtig. Onscherp. Woorden van duizenden jaren oud. Jacob gebruikt de oude Hebreeuwse taal. Het is niet altijd goed meer te begrijpen, wat hij ons precies laat zien. 

We beperken ons vanmorgen tot de woorden die hij tegen Juda spreekt. We bekijken twee beelden, die razendsnel in elkaar overgaan. Het eerste beeld is dat van een leeuw. Juda wordt vergeleken met een jonge, krachtige leeuw. We zien de leeuw op het moment dat hij zijn werk gedaan heeft. Hij heeft jacht gemaakt op een steenbok of een geit. Hij heeft succes gehad. Hij sleept zijn prooi mee, de heuvel op, waar zijn hol is. Daar voor de opening van zijn grot legt hij zich neer. Majesteitelijk. Onverschrokken. De komende uren is het enige wat hij doet: een beetje eten, een beetje indommelen, een wakend oogje in het zeil houden op zijn familie, zijn wijfjes en zijn welpen.

Een koninklijk beeld – dat hebben wij meteen door. Wij kennen de Nederlandse leeuw van ‘je maintiendrai’ – ‘Ik zal handhaven’. Wij hebben onze leeuwinnen. We laten de leeuw niet in zijn hempie staan. Wij kijken naar The Lion King. De leeuw is de koning der dieren.

In Israël is de leeuw tegenwoordig ook nog het symbool van koninklijke waardigheid. Je ziet het bijvoorbeeld in het wapen van de stad Jeruzalem. Nu leven er geen leeuwen meer in het Midden-Oosten. Maar in Bijbelse tijden was de leeuw de koning van het woestijngebied. Zeker ook van het gebied van de stam Juda. Woest, onherbergzaam land aan de rand van de Dode Zee en de Jordaanvallei. Daar woonden de leeuwen. Juda als leeuw, als koninklijke stam.

Een koning als een leeuw. Wie zou dat niet wensen? Iemand aan de top. Een machthebber die fier boven de partijen staat. Zo’n ogenschijnlijk slapende, dommelende leeuw. Die een wakend oogje in het zeil houdt. Die precies op tijd wakker wordt als het nodig is. Een sterke man of vrouw die ons als onderdanen verdedigt, als het nodig is. Maar die zich niet met ons bemoeit als het wel goed gaat. Geen onnodige bemoeienis alsjeblieft. Een leider, die zich niet druk maakt om onbelangrijke zaken. Die precies weet wanneer hij (of zij) in actie moet komen. Die ingrijpt als er een crisis is. Criminelen en terroristen ver van ons houdt. Ons ‘territorium’ bewaakt met leeuwenmoed. Iets van dat ‘koninklijke’ zouden Rutte, Poetin en Trump moeten hebben. Zo’n minister of minister-president, zo’n partijleider of directeur van een bedrijf moet je hebben. Het liefst democratisch gekozen natuurlijk.

De leeuw uit Juda’s stam. Joodse lezers van het boek Genesis denken dan meteen aan koning David en koning Salomo. Koningen uit het geslacht van David. Hun regeerperiode was een gouden tijd. Het tijdperk van de leeuw van Juda. Maar dan denken ze er ook meteen aan hoe die leeuwendroom steeds weer uitéén is gespat. Het is niet elke machthebber gegeven een waardige, koninklijke leeuw te zijn. Laat staan te blijven. De leeuw staat constant in de verleiding om zichzelf te verheffen boven zijn onderdanen. Om zichzelf van prooi te voorzien en zijn volk te laten stikken. Om zijn macht en kracht te misbruiken. Het beeld van de leeuw tekent de wereld als een jungle, een oerwoud. Waar het recht van de sterkste geldt. Waar we overgeleverd zijn aan de grillen van de machthebbers.

De leeuw is ook in de Bijbel vaak geen positief symbool. Leeuwen zijn bloeddorstig en onberekenbaar. Ze liggen op de loer om toe te slaan. Niet voor niets gebruikt de Bijbel de leeuw ook als beeld voor de satan, Gods duivelse tegenstander. Koning Leeuw kan zo makkelijk veranderen in dictator Leeuw. De scepter in de handen van de koning wordt tot een stok om te slaan. De heersersstaf wordt een martelwerktuig, tot een knuppel in een ijzeren vuist. Heersen wordt onderdrukken. Het zijn sterke voeten die de weelde van de macht kunnen dragen.

Daarom schudt Jacob aan de caleidoscoop en verschuift het beeld. Plotseling verschijnt er heel iets anders voor de ogen van Jacob en voor onze ogen. We zien een man met een ezel. Hij staat in een wijngaard. Zijn wijngaard. Het is een stralende dag. Mooie grote groene bladeren blinken in het zonlicht. Zware donkere druiventrossen hangen aan de stokken. Een geweldige oogst staat te wachten. Straks komen de persers om het ‘druivenbloed’ uit de druiven te stampen. Ze zullen hun mantels rood maken in de wijnpers. Het hoogtepunt voor de wijngaardenier is aanstaande. Het is een seizoen van qualité superieur. De man is van zijn ezel gestapt. Achteloos maakt hij het touw van de leidsels vast aan een wijnstok. Dat zou hij normaliter niet doen! Een ezel vastbinden aan een wijnstok – dat is zo iets als de kat op het spek binden. Zo’n ezel begint direct aan de wijnbladeren te knabbelen. En als hij het zat is, trekt het beest met zijn PK de plant omver… Maar de wijngaardenier maakt er zich niet druk om. Want de oogst is groot! De oogst is overweldigend groot. Wijnstokken genoeg. Druiven in overvloed. Straks een stortvloed aan wijn in overvolle wijnkelders.

Eerst een leeuw, een wildernis, een jungle. Als de caleidoscoop geschud en gedraaid wordt, verschijnt de wijngaard. We zien de grote oogst. We kijken naar het paradijs van de man met de ezel. Ook dat is een koninklijk beeld. Koning Leeuw wordt koning op de ezel. De koning op de ezel krijgt de scepter overhandigt. Hij heeft er recht op. De macht behoort hem toe. Hem is gegeven alle macht. Niet alleen over het volk Israël, maar over alle volken. Alle volken zullen Hem dienen.

Maar we zien geen prooi tussen de tanden van deze koning. Deze koning gebruikt geen geweld. Er is geen bloeddorstigheid meer. Hij komt niet op een briesend paard. Hij komt op een ezel. Een lastdier mag Hem dragen. Hij komt het feest voorbereiden. Hij komt feestvieren met al zijn onderdanen.

Met de ogen van vader Jacob, door zijn caleidoscoop zien we onze koning: Jezus, onze HEER. Jezus trekt op een ezel de stad Jeruzalem binnen. Zoals koning David en koning Salomo. Maar de leeuw uit Juda’s stam werd een lam. Hij nam geen bloed, Hij gaf zijn bloed. Zijn bloed werd wijn voor wie dorstig is. Hij ontsluit de poort naar het ‘schone paradijs’.

Deze koning is onze koning. Hij is gekomen - zachtmoedig en nederig van hart. Niet om te heersen, maar om te dienen. Hij regeert door zich te aan ons te geven. Door ons te dienen is Hij het waard om gediend te worden.

Hij is geboren als kind uit Jacobs huis, uit Juda’s stam. Hij is gekomen – en Hij zal komen. Om het feestmaal aan te richten. Om de beste wijn te schenken.

Het is er nog niet, dat feest, die grote oogst, dat paradijs. Maar soms zie er iets van dagen in dingen, in mensen om je heen. Iets van de zachtmoedigheid, de nederigheid van 'de koning op de ezel'. Een lieve mantelzorger. Een prachtige feestavond met familie en vrienden. En misschien zelfs wel, zoals bij Jacob en zijn zonen: een kostbaar moment rondom het sterfbed van een geliefde. 

Nog één keer schudden we met de caleidoscoop. We zien het dagen in het oosten. Het licht schijnt overal. Hij komt de volken troosten die eeuwig heersen zal.