Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


 

Over schapen, geiten en... lammetjes
Kerkdienst op 21 oktober 2018, waarin Daniël gedoopt wordt

Geluidsopname van deze dienst
Schriftlezingen: Psalm 23 en Johannes 10:27-30

“Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want u bent bij mij, uw stok en uw staf, zij geven mij moed” (Psalm 23:4)

 

 

Beste schapen en geiten,

Schrik niet. Meestal spreek ik mijn toehoorders anders aan. Meestal begin ik een preek met de woorden ‘Gemeente van onze HEER Jezus Christus’. Vandaag doe ik het even anders: ‘Beste schapen en geiten’. Even anders, maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer. Als Jezus vergeleken wordt met een herder, dan vormen wij samen de kudde van de HEER. Als wij de kudde van de HEER zijn, dan ben ik een schaap en jij een geit of bok of andersom… Een kudde van een oosterse herder bestaat uit schapen en / of geiten.

Nu vraag ik me af of jij dat wel op prijs stelt om zó aangesproken te worden. Het klinkt niet bepaald complimenteus. ‘Wat ben jij een schaap’ of ‘Zeg, wat lijk jij op een geit’. Goed, het gaat natuurlijk om een vergelijking. Een vergelijking gaat op een heleboel punten mank. Als we vergeleken worden met iets of iemand, geldt dat niet in alle opzichten. Wij zijn geen blèrende, stinkende, smoezelige beesten. Wij voelen ons misschien niet eens makke schapen of kuddedieren. Het punt wat Psalm 23 wil maken, het vergelijkingspunt is: onze afhankelijkheid. Dat we niet kunnen zonder de HEER. Zoals een schaap niet zonder Herder kan. Zoals een geit of bok het niet overleeft als je haar of hem alleen in de woestijn neerzet. Zo kunnen wij niet zonder de Goede Herder.

Nu is het de volgende vraag of we dát dan wél complimenteus vinden. Afhankelijk zijn van iets of iemand, niet zonder kunnen, is niet de trend van deze tijd. We leven in een wereld waarin zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfbeschikking hoog staan aangeschreven. Je bent succesvol als je op eigen benen staat, als niemand jouw broek hoeft op te houden en je de touwtjes in eigen handen hebt. Liefst tot het einde van je leven. Daar word je van jongs af aan voor klaar gestoomd. Goede opvoeding is erop gericht dat onze kinderen zelf leren lopen, zelf fietsen en eigen wegen kunnen gaan. Niets lijkt voor ons zo angstaanjagend bij het ouder worden dan afhankelijk, steeds meer afhankelijk, steeds meer op anderen aangewezen te zijn.


Laat de geliefde Psalm 23 deze instelling nu volledig onderuit halen?! Deze prachtige Psalm zingt ons simpel gezegd toe: jullie zijn schapen en geiten. Je kunt nooit in je eentje, los van de andere kuddedieren overleven in de wildernis. Je kunt nooit onafhankelijk van de HEER door het leven gaan. Als je dat wél doet, dan kom je er tot je eigen schade en schande ooit wel achter.

Nu moet ik denken aan een ontroerend TV-fragmentje van pas geleden uit ‘De Wereld Draait Door’. Matthijs van Nieuwkerk had de zangeres Anouk uitgenodigd. Anouk heeft een nieuwe Cd, een nieuw album uitgebracht met Nederlandstalige nummers. Ze kwam er over vertellen in de live-uitzending. Ze had er zichtbaar weinig zin in. Ze voelde zich grieperig. Maar het was vooral moeilijk omdat ze bepaalde nummers emotioneel beladen vond. Matthijs van Nieuwkerk citeerde woorden uit het nummer ‘Red mij’. ‘Ik ben zo'n iemand dat als je vraagt, "Gaat alles goed met jou vandaag?", ik zeg: "Ja", terwijl ik denk "Komt hier ooit een einde aan?" “Red mij, laat me niet meer los. Elke dag verlies ik sanity en trots. Red mij, laat me niet alleen. Geloof me mijn hart is echt niet gemaakt van steen. Ik smeek U, 'k smeek U op m’n knieën. Ik smeek U…

Wie is U?’, vraagt Matthijs van Nieuwkerk. Anouk schrikt, moet even slikken. ‘Eeehhh, nou, U dat is wat ik op dat moment niet kan vinden. De één noemt het God, de ander iets anders…’ Ze valt stil, moet vechten tegen haar tranen. Even later voegt ze nog toe: “Als je het dan niet meer weet, kun je het altijd nog hogerop zoeken”.

Waarom vertel ik dit? Niet om mijn gelijk te halen. Zo van: ‘Zie je wel? Iedereen – zelfs een populaire popster als Anouk - heeft God nodig! Dat hebben wij christenen toch altijd al gezegd?’. Nee, niet om het er even goed in te wrijven. Wel omdat het zo ontzettend eerlijk is. Zo oprecht om het toe te geven. Als ik in de put zit moet ik het hogerop zoeken. Als ik het niet kan vinden, moet ik roepen, smeken, op mijn knieën gaan: ‘Red mij, laat mij niet meer los! Ik smeek U…’.

 

Middenin Psalm 23, letterlijk middenin, als je de Hebreeuwse woorden telt, staat de tekst over het donkere dal. Donkere dalen kun je veel aantreffen in het gebied waar David ooit herder was. Voor wie er wel eens geweest is: het is het gebied ten oosten van Jeruzalem, rond Bethlehem en de Dode zee. Een woest bergachtig gebied. De Judeawoestijn. Snikheet in de zomer, bitterkoud in de winter. Doorsneden door diepe ravijnen met op de bodem zogenaamde wadi’s: een beekje, een stroompje. Met het laatste beetje water dat er in de hete zomer nog over is gebleven. Dus je MOET er wel heen. Je MOET er doorheen, als herder met je schapen. Van de kale heuvels afdalen naar dat donkere dal. Letterlijk ‘donker’ – in de schaduw. Maar vooral ook figuurlijk donker. Er loert gevaar van struikrovers en roofdieren. Je kunt uitglijden of geraakt worden door vallende rotsblokken. Het woord voor ‘donker dal’ kun je letterlijk vertalen met ‘dal van schaduw van de dood’. Doodsvallei. In een ravijn is het namelijk levensgevaarlijk. Je leven staat op de tocht. Het hangt aan een zijden draadje. Dat zijden draadje dat is je vertrouwen. Het verbindt jou met de herder. Hij is bij je. Met zijn stok en zijn staf. Een herder heeft een korte stok, een knuppel bij zich. Soms met een ijzeren plaat of punt aan de bovenkant. Om een ferme tik mee uit te delen aan rovers. Een herder heeft een staf in zijn hand. Om de schapen ook in het donker dal op te porren, aan te sporen, het goede spoor te wijzen. Die stok en staf geven mij - als schaap of geit – moed. Ik weet: de Herder is bij mij. Ik hoef niet bang te zijn. Ik kan verder in vertrouwen op Hem.

Wij, schapen, geiten en bokken van de HEER, ook wij beseffen pas onze afhankelijkheid als we in zo’n diep donker dal zitten. Zo’n dal waarin je niet meer weet hoe het verder moet. Omdat je voelt dat roofdieren en struikrovers op je loeren. Ernstige ziekte komt op je pad. Zwaar ongeluk treft je. Je moet leven met een groot gemis. Liefde verkilt, breekt stuk. Een kille nacht breekt aan. Mensen proberen je het leven zuur te maken. Andere mensen begrijpen jou niet. Je hoort ze achter je rug kletsen en over je oordelen. Je staat er machteloos tegenover. Bovendien voel je je ook een zwak, afgedwaald schaap. Je hebt verkeerde paden gekozen. In het donker weet je de weg terug naar de kudde niet zo maar te vinden. Als die Herder er niet was. Die Herder die je juist in het donkere dal zo nodig hebt. Maar je ziet Hem niet. Daar is het te donker voor. Het enige dat je dan kunt is roepen, smeken, op je knieën gaan: ‘Red mij, laat mij niet meer los’. Soms weet je het weer, voel je het weer: Hij is bij mij. Hij laat me nooit alleen. ‘Ik vrees geen gevaar, want U bent bij mij’.

Nee, het is geen compliment, om schaap of geit genoemd te worden. Het is wel realiteit. Wij zijn afhankelijk als schapen. Goed om te weten dat er een Herder is. Mooi als je dat aan je kind mee kunt geven. Je leert hem niet alleen op eigen benen staan. Je mag hem ook leren afhankelijk te zijn. Van mensen, van de HEER. Je mag vertellen dat we in een donker dal van ons leven niet alleen zijn. Dat je Hem te hulp mag roepen: ‘Help mij, red mij en laat me niet meer los’. De goede herder weet wie je bent. Hij kent je naam. Bij de doop wordt je naam genoemd. Daniël – de HEER is mijn Rechter. De HEER is mijn Herder.


O ja, sorry, ik zou het bijna vergeten: in de kudde van de HEER lopen niet alleen geiten en schapen. Er zijn ook lammetjes. Klein, kwetsbaar, teer. Nog zó afhankelijk. Voor hen geldt het allermeest: Niemand kan ze uit de hand van de Herder roven. Hij houdt hen vast en laat hen nooit meer los. Zelfs als ze het donkere dal van de dood door moeten.