Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Krijgen en doorgeven
Kerkdienst 2 februari 2020
Zondag voor het werelddiaconaat
Lezingen: Psalm 37:1-11 en Matteüs 5:1-12

geluidsopname op Kerkomroep

“Gelukkig wie nederig van hart zijn" (Matteüs 5:3) 

 

Toen Maarten Luther in 1546 stierf, vond men bij zijn sterfbed een briefje. De laatste woorden op dat briefje luidden: ‘Wir sind Bettler. Das ist wahr’. Aan het einde van zijn leven was Luther tot de conclusie gekomen: ‘Wij zijn bedelaars – wis en waarachtig’. Op het eerste gehoor geen fraai geluid, dat deze grote kerkhervormer ons nalaat. Niet wat hij gepresteerd heeft, staat centraal. Niet wat hij heeft bereikt voor kerk en samenleving. Niet zijn werk voor God en de mens. Wat overblijft zijn lege handen. Terugkijkend op zijn leven vergelijkt hij zichzelf met een bedelaar: Uiteindelijk ben ik maar een bedelaar. Tegelijk sluit hij ons allen in: ‘WIJ’ zijn bedelaars. Wij, mensen, alle mensen. Niet meer dan bedelaars zijn wij - dát is Luthers samenvatting van het menselijk leven.

Laat het nu uitgerekend Jezus zijn, die hem daarmee feliciteert. In de eerste de beste ‘zaligspreking’, waarmee Jezus zijn beroemde Bergrede begint. ‘Zalig de armen van geest’. ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn’. Je kunt ook vertalen: ‘Gefeliciteerd de bedelaars’. Het Griekse woord voor ‘nederig’ komt van een werkwoord, dat betekent: ‘bukken, buigen, door de knieën gaan, op je hurken gaan zitten’. Activiteiten dus van een blinde bedelaar, die voor dag en dauw zijn schamele hutje verlaat. Tastend zoekt hij naar een goed plekje aan de weg, waar veel mensen langs komen. Daar gaat hij door de knieën en gaat hij op zijn hurken zitten. De hele dag roept hij niets anders dan: ‘Kyrieeleis’ – ‘Erbarm u, ontferm u, heb medelijden met mij, arme bedelaar’.

‘Gefeliciteerd!’, zegt Jezus. ‘Zalig’, ‘gelukkig’ ben je, als je zó leeft. Als een bedelaar. De schok, die wij daarbij voelen, voelden de eerste toehoorders vast en zeker ook.

‘Gelukkig’, ‘zalig’ in oudere vertalingen. Moeilijk te omschrijven woord. Het lijkt zo snel op het goede gevoel, dat WIJ ‘gelukkig’ of ‘zalig’ noemen. ‘Een gelukkig mens’ is voor ons iemand, die lekker in zijn vel zit. Iemand, die vrolijk fluitend door het leven gaat. Geluk zit tussen je oren, denken wij… En ‘zalig’ noemen wij het, als er bij het smullen van een heerlijke maaltijd een engeltje over je tong fietst… ‘Wat smaakt dat zalig, zeg!’

Maar als Jezus de bedelaars feliciteert, heeft Hij het zeker niet over een zalig, gelukkig gevoel. Hij noemt in de volgende zaligsprekingen ‘treurenden’, hongerigen en dorstigen’, ‘vervolgden en mensen die uitgescholden worden’. Treuren, honger en dorst hebben, vervolgd worden: Dat VOELT niet ‘zalig’. Dat ervaar je niet als ‘gelukkig’.

Wij weten niet wat honger en dorst echt is. Wij weten niet wat echte armoede of vervolging is. Wij weten niet hoe het voelt om in een Syrisch vluchtelingenkamp te moeten leven. Wij kunnen niet voelen wat een weeskind in Afrika voelt. Wij weten niet wat het is om in de sloppenwijken van India te wonen. Wij kunnen misschien zelfs niet aanvoelen wat het is om beroep te moeten doen op de bijstand of de voedselbank. Dat moeten we zeker ook niet idealiseren. Alsof het allemaal wel meevalt. Alsof je met niets toch tevreden kunt zijn. Alsof je je met een hongerige maag toch best nog wel een beetje gelukkig kunt voelen. ALS het al zo is, is het een godswonder. Als het al zo is, hebben wij rijken geen recht van spreken. Want bedelaar zijn, voelt niet fijn.

Met het woordje ‘zalig’ of ‘gelukkig’ wijst Jezus dan ook verder dan het goede gevoel. Hij wijst naar boven. Naar het Koninkrijk. Hij wijst naar de hemel. Waar de HERE God woont. Hij, die de roep van de arme bedelaar hoort. Die meelijdt met zijn verdriet. Die meevoelt met zijn honger en dorst naar gerechtigheid. Die de scheldwoorden en beschimpingen om Jezus’ wil zichzelf aantrekt. ‘Zalig’ kun je je dan niet voelen, zalig mag je je wel geloven. Je mag er op vertrouwen, dat God vóór je is. Dat Hij er voor je zal zijn – en wie zal dan tegen je zijn?

Maar als God er vóór de bedelaar is, wordt dat ook van ons gevraagd. Wij moeten het roepen van de arme aan de poort horen. Onze oren, ogen, handen gebruiken als Gods oren, ogen, handen. Daarmee de nood van de bedelaar zien, horen en er iets tegen doen. Geven van wat je hebt. Of beter gezegd: DOORgeven!

Ja, DOORgeven – dat is eigenlijk een simpel, maar veelzeggend woord. Het zegt meer en gaat dieper dan ‘geven’. Als ik iets ‘weggeef’ of ‘uitdeel’ lijkt het namelijk zo’n prestatie van mijn kant. ‘IK’ ben zo goed om iets weg te geven. Ik ben een gulle gever. Ik ben zo sociaal, dat ik mijn rijkdom met een ander deel. Ik doe iets voor het goede doel…

Dat is de rijke voorbijganger, die de bedelaar aan de kant van de weg een aalmoes toestopt – zonder zelf een centje pijn te lijden. Hij slaat zichzelf eens even stiekem op de borst… Wat voelt hij zich goed!

Dat is het rijke westen, dat aan de arme zogenaamde ‘derde wereld’ een paar procentjes afschuift. En verder moeten ze niet meer zeuren en het zelf maar uitzoeken. Liefst ver van ons bed blijven in hun eigen regio.

Dat is geen ‘gerechtigheid’. Bij gerechtigheid gaat het niet om geven, maar om doorgeven. ‘Doorgeven’ doe je met iets, wat je zelf ook maar gekregen hebt. Je bent zelf niet de goede gever. Je bent een ‘doorgever’, een ‘doorgeefluik’. Wat jij hebt, heb je zelf ook ooit ontvangen. Van een ander, van DE ander. Bij ‘doorgeven’ verwijzen we naar de Bron van alle goede gaven.

Jouw rijkdom is ontvangen rijkdom. Mijn gezondheid is geen prestatie, maar een geschenk. Onze welvaart aan deze kant van de wereld is geen verdienste, maar onverdiende gave. Want we zijn geen haar beter dan een ander. Jouw capaciteiten zijn ontvangen talenten.

Je hebt niet voor niets twee handen gekregen. Eén om te ontvangen en één om uit te delen. Je handen mag je gebruiken om te krijgen en door te geven.

Geen gever maar doorgever. Jouw leven mag een doorgeefluik zijn.

Luther heeft gelijk. We zijn bedelaars – met twee handen. We moeten allemaal onze hand ophouden. Wij leven allemaal van de wind. Gods wind. We zijn stuk voor stuk afhankelijk van anderen, van DE Ander. Eigenlijk kunnen we niets anders doen, dan levenslang vragen, bidden, bedelen. We kunnen niet zonder anderen. We zijn altijd afhankelijk van medemensen. We moeten elke dag onze hand uitstrekken naar Boven en ‘kyrieleis’ roepen: ‘Heer, ontferm U’. Elke dag weer bidden we ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’. Maar we hebben nóg een hand: Als we dan uit genade, door Gods onverdiende goedheid méér ontvangen dan we nodig hebben, geven we het door. Aan ‘minderbedeelden’, aan hen, die minder hebben.

Zo zit ik samen met de bedelaar aan de kant van de weg. Wat ik met de ene hand aan rijkdom ontvang, deel ik met de andere hand uit. De ene bedelaar geeft door aan de andere bedelaar. Zo hebben we samen genoeg. Bedelaars zijn we, wis en waarachtig…

Het probleem is, dat ‘wij rijken’ dat zo moeilijk beseffen. Het is verleidelijk om mijn rijkdom als vanzelfsprekend te beschouwen. Het resultaat van mijn eigen inspanningen en prestaties. Hoe meer ik heb, hoe minder ik besef, dat ik het allemaal heb gekregen. Slechts door schade en schande besef ik mijn armoede, mijn afhankelijkheid en kwetsbaarheid. Zoals die zieke man, die ik sprak. Hij had zich levenslang zelf kunnen redden, maar nu in een paar dagen, was alle kracht verdwenen. Hij was geheel afhankelijk geworden van doctoren en verpleging.

Of die vrouw, waarover ik las. In de bloei van haar leven, op het toppunt van haar carrière als geslaagde zakenvrouw, raakte ze overspannen. Ze kon plotseling zichzelf niet meer redden. Ze was van de ene op de andere dag geheel afhankelijk.

Ik denk aan mezelf, als ik me soms van binnen zo vreselijk leeg en armzalig voel ondanks al mijn rijkdom. Binnen korte tijd kan het besef bij je boven komen: ik ben eigenlijk ook maar een bedelaar. Ook ik moet door de knieën en mijn hand ophouden.
Dat is geen gelukzalig gevoel.
Dat gaat met pijn en moeite gepaard. Je zit aan de grond. Met lege handen. Je zit naast Jezus Zelf. Jezus is dé ‘Doorgever’. Hij gaf alles wat Hij had aan ons door – tot en met Zijn eigen lichaam en bloed. HIJ, de Bron van alle goeds, kan onze lege handen vullen met Zijn eeuwig leven. Dat mag je – met de ene hand - in geloof ontvangen en – met de andere hand - doorgeven in woorden en daden.