Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

ZINVOL LEVEN

Kerkdienst op 31 december 2018 - Oudjaarsdag
Lezingen: Psalm 90 en 1 Korintiërs 15:54-58

Geluidsopname

“De lieflijkheid van de Heere, onze God, zij over ons; bevestig het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat”. (Psalm 90:17 – HSV)

 

Psalm 90 is vanouds de Oudejaarspsalm. Voor zover ik weet is dat een oude Protestantse traditie. In Hervormde gemeenten en Gereformeerde kerken was het gebruikelijk om deze Psalm op de oudejaarsavond in de kerk te lezen of te zingen. In veel gezinnen was het zelfs een goede gewoonte dat vader of moeder deze Psalm las, vlak vóórdat het klokje ‘twaalf’ sloeg. Een redelijk alternatief voor het laatste entertainmentprogramma van het jaar op de TV. Hoe lang deze gewoonte al bestaat heb ik niet kunnen nagaan. Ik denk dat het een typisch Nederlandse gewoonte is. Ik las ergens dat in Amerika de psalm vaak gelezen wordt bij uitvaarten. En de Joodse traditie leest onder andere deze Psalm 90 bij het begin van de morgendienst op sjabbat. Elke week dus.

Alles goed en wel, maar vanavond lazen en zongen we de Psalm echt als Oudejaarspsalm. Toch denk ik niet dat alle woorden van deze Psalm ons zullen aanspreken vanavond. Eerlijk gezegd hoop ik dat ook niet. Als deze Psalm jou helemaal uit het hart gegrepen is, heb je waarschijnlijk geen mooi, goed jaar achter de rug.

Natuurlijk: we voelen allemaal op onze klompen aan dat Psalm 90 juist van toepassing is op oudjaarsdag. De Psalm bezingt de vluchtigheid van het aardse leven. Zo’n zinnetje als ‘Het gaat snel voorbij en wij vliegen heen’ is ons op een dag als vandaag uit het hart gegrepen. Zeg nou zelf: het jaar 2018 is omgevlogen. Als de dag van gisteren herinneren wij ons de nieuwjaarsdag van dit jaar. Hoe kort geleden nog. We keken er toen tegenop: wat zou 2018 ons brengen? Driehonderdvijfenzestig dagen. Twaalf lange maanden lagen voor ons. Voor je het weet, is het hele jaar in rap tempo verleden tijd geworden.

Hoe snel gaat de tijd. Hoe snel gaat alles voorbij. Daar zingt de Psalm ook over. Alles gaat niet alleen snel. Alles gaat ook voorbij. We zijn wéér een jaartje ouder. Volgens de psalm kun je normaal gesproken als mens rekenen op 70 levensjaren. Als je sterk bent op 80. In die tijd was de leeftijd dat het leven eindigde vaak nog minder dan de normale 70. Als je 80 werd mocht je dus echt van geluk spreken. Tegenwoordig is het gemiddelde ver boven de tachtig. Maar wat maakt het eigenlijk uit? Het gaat allemaal snel en het gaat voorbij. Zeker als je terugkijkt, zeg je tegen elkaar: Het is omgevlogen. Ons levenseinde komt snel dichterbij. Dichterlijk omschrijft de Psalm dat met de woorden: ‘We zijn als opschietend gras, dat ontkiemt in de morgen en opschiet en ’s avonds verwelkt en verdort’.

Dat zijn allemaal woorden die we op een avond als deze helemaal mee kunnen voelen. Maar dan gaat de psalm nog een stapje verder. God wordt er bij gehaald. God, de Heer, die eeuwig is. Die is ‘van geslacht op geslacht’. Die er was voordat wij er waren, ja zelfs voordat de wereld er was. Zelfs van voor de Schepping. Of – zo je wilt – van voor de oerknal. God, de Heer, die er zijn zal. Altijd. Van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Wat mooi als je dat kunt geloven: dat er Eén is die alles overstijgt. Het geeft je relativeringsvermogen. Ik bedoel: je ziet de betrekkelijkheid van de dingen in. Voor ons is één jaar snel voorbij. Voor de Eeuwige is duizend jaar als een zuchtje wind. Als je dat goed tot je laat doordringen, maak je je niet meer zo druk om de kleine probleempjes en kwaaltjes. Je vertrouwt erop dat er Eén is, die alles overziet en overstijgt. Die ‘er boven staat’. Die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan. Die ook wel wegen zal vinden waarlangs jouw voet kan gaan.

Maar stop – zo rustig en kalm kabbelt die oudejaarspsalm niet voort. Het is geen lied voor op een mooie zomeravond in je bootje op de Poel. Met name in het middengedeelte zwelt de storm aan tot orkaankracht. Daarin gaat het over Gods woede. Over de kracht van Gods toorn. Daarin gaat het over onze menselijke zonden en schuld. Ik heb zojuist die verzen maar niet laten zingen uit de berijming. Ik heb ze zelf maar voorgelezen. Omdat ik je dat niet in de mond wil leggen. ‘Wij komen om door uw toorn, door uw woede bezwijken wij’. ‘U hebt onze zonden vóór u geleid’. ‘Al onze dagen gaan heen door Gods woede’.

Als je die woorden tot je door laat dringen is die Eeuwige God opeens een groot probleem geworden. Die God lijkt een rotsblok waarop je levenschip keihard te pletter dreigt te lopen. Die God verspert je de weg en zegt na verloop van tijd tegen je: ‘Stop. Het is genoeg. Je hebt genoeg gezondigd. Je schuld is nu te groot geworden. Ik grijp in’. Die God staat ver van je af. Als onbenaderbaar. Die God verbergt zich achter de verschrikkelijke dingen die je kunnen overkomen. De Psalm ervaart het leven daarom als moeizaam en ellendig. Het gaat niet alleen snel. Het gaat niet alleen voorbij. Het beste ervan – zo lezen we – is ook nog eens ‘moeite en leed’.

Nogmaals: ik hoop alsjeblieft niet dat wij ons helemaal herkennen in deze woorden. Dat 2018 alleen ‘kommer en kwel’ was. Ik hoop dat er ook een heleboel dingen zijn gebeurd waarvoor we de HEER dankbaar kunnen zijn. Dat die mooie dingen hopelijk op de voorgrond staan. Dat je hier dus vooral ook gekomen bent om God daarvoor hartelijk te bedanken. En dat gaan we vanavond ook zeker doen. Al kunnen we dat niet vinden in Psalm 90.

Misschien helpt het als we lezen dat Psalm 90 ‘een gebed van Mozes, de godsman’ is. Het is de enige van de 150 Psalmen die dat opschrift heeft. De meeste Psalmen worden – zoals we weten – toegeschreven aan David. Verder heb je nog Psalmen van een zekere Asaf of Psalmen van de Korachieten. Maar boven psalm 90 staat heel opvallend: ‘een gebed van Mozes, de godsman’. Volgens de Joodse traditie schreef Mozes deze Psalm toen hij met het volk in de woestijn rondzwierf. Nou, dat was voor Mozes zeker een tijd van kommer en kwel. Hij had heel wat te stellen met Gods volk. Ze maakten een gouden kalf. Ze mopperden als er geen eten of drinken was. Ze klaagden er zelfs over dat God hen uit Egypte bevrijd had. Als één wist van zonde en schuld was het Mozes wel. Hoewel: als er ooit mensen zijn die weten wat zonde en schuld is, zijn ook wij dat wel. We komen er met zijn allen steeds meer achter hoe slecht wij met de aarde omgaan. We verpesten ons eigen leefmilieu. We zijn op deze aarde maar niet in staat om oorlogen te beëindigen. Om vrede te stichten. 2018 heeft geen einde gemaakt aan het geweld in Syrië. Geen einde aan de vluchtelingenstromen. Geen einde aan het terrorisme. En van veel natuurrampen die de aarde in het afgelopen jaar teisterden moeten we zeggen: dat hebben we met zijn allen aan onszelf te wijten.

En God? Is God dan ver weg? Wat hebben we aan die Eeuwige, die vóór ons was en ná ons zal zijn? Die al onze problemen overziet en overstijgt? Moeten wij zijn toorn en woede vrezen? Als je Psalm 90 leest zou je dat denken, als je niet het begin en het einde erbij neemt. In het eerste en laatste vers klinken opvallend genoeg andere woorden dan angst en beven. De Psalm begint met de woorden: ‘Heer, U bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht’. Bij het woord ‘toevlucht’ staat dan het gewone woord ‘woning’. God is als een woning. De plek waar wij mogen wonen. Ónze woning. Ons ‘thuis’. Bij God mag je dus thuis komen. Om te schuilen. Om Hem je dank te betalen, Desnoods ook om uit te huilen. Wat we dan aantreffen in Gods woning, bij God thuis, dat zegt het laatste vers van de Psalm. Daar treffen we Zijn lieflijkheid. Het Hebreeuwse woord vinden we terug in de naam van de schoonmoeder van Ruth: Naomi, de lieflijke. Je weet wel: Naomi wilde van die naam af. Ze was verbitterd geraakt door het verlies van haar beide zonen en haar man. Maar ze vond uiteindelijk haar lieflijkheid terug in haar schoondochter, door Ruth. Door deze vrouw toonde God zich aan haar als de lieflijke.

Zo kunnen ook wij thuis komen bij de HEER. Aankloppen aan Zijn deur. Hij zal ons open doen. Hij zal ons in zijn lieflijke armen sluiten. Als een barhartige Vader. Als een liefhebbende moeder. En, zeggen we dan, ‘Heer, we hebben nog één vraag, één gebed’. ‘En wat is dat dan wel, mijn kind?’. ‘We zouden zo graag willen dat ons korte leventje, dat zo nel voorbij gaat, niet nutteloos en zinloos zal zijn. Dat kan alleen als U, HEER, het werk van onze handen bevestigt’. Bevestigen: dat is ‘ja’ ergens tegen zeggen. Dat is er je goedkeuring aan verlenen. Een stempel op zetten. ‘God, wilt U ons werk bevestigen?”

Het is me de vraag wel. Gebed tot die grote machtige eeuwige God. Het werk van onze handen, alles wat wij gedaan hebben, ook in 2018, onze inspanningen voor kerk en maatschappij. Hoe klein, hoe beperkt, hoe gebrekkig ook. ‘HEER, wilt U er uw goedkeuring aan verlenen? Wilt U ervoor zorgen dat het iets betekent in deze grote wereld? Iets blijvends? Wilt U het werk van onze handen duurzaam, bestendig maken? Zodat ons leven, ons jaar 2018 en straks het jaar 2019 zinvol mag zijn?

En dan hoor ik God zeggen: ‘Ja, mijn kind, mijn kinderen, Ik zorg ervoor. Jullie zijn niet volmaakt, maar jullie doen het goed. Ik verleen Mijn zegen aan jullie arbeid. Ik zorg er zelfs voor dat jullie vergankelijk leven opgevangen wordt in Mijn eeuwige armen. Door Jezus Christus, de Opgestane HEER, zijn jullie inspanningen, is jullie leven nooit vergeefs.