Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

ZIE HIER: GODS DIENAAR!

 Kerkdienst op 12 december 2021 in Het Centrum te Nijverdal
Derde Adventszondag

Schriftlezingen: Jesaja 42: 1-9 en Lucas 3:7-18


“Hier is mijn dienaar, hem zal Ik steunen…” (Jesaja 42:1)

Afgelopen week was een speciale week voor het Koninkrijk der Nederlanden. Op dinsdag bereikte prinses Amalia haar 18-jarige leeftijd. Volgens wet en regelgeving is zij vanaf die dag officieel de kroonprinses, de eerste opvolger van onze koning. Op woensdag werd zij daarom voorgesteld aan de Raad van State, waarvan ze vanaf heden qualitate qua deel uitmaakt. Voor het oog van televisiekijkend Nederland werd Amalia aan de arm van haar vader, de vergaderzaal binnengeleid. Daar werd ze welkom geheten door de voorzitter, diezelfde vader. Daarna mocht ze haar eerste toespraakje houden. Ze beloofde er alles aan te doen om te zijner tijd een goede koningin te worden. Tussen haar trotse vader en moeder in bracht ze het er goed vanaf. Haar optreden was volgens velen veelbelovend.

Aan deze scène uit ons koninkrijk moet ik denken bij het lezen van Jesaja 42. Voor deze tekst moeten we ons in gedachten verplaatsen naar het Koninkrijk van God. We werpen een blik in een hemelse raadszaal. Daar waar de hemelse ‘Raad van State’ vergadert. Gods hoogste adviseurs zijn bijeengekomen. Ook hier komt de koning de raadszaal binnen. Aan zijn arm voert ook hij iemand mee. Deze persoon is zijn belangrijkste metgezel. Het is de persoon die voortaan als zijn belangrijkste medewerker zal gelden. De hemelse koning stelt hem voor aan zijn hemelse raadslieden. Door de ogen van de profeet Jesaja kijken wij mee. Ook voor ons is zijn aanstelling van levensbelang. De HERE God, de hemelse Koning stelt hem ook aan óns voor, als Hij zegt: ‘Zie, hier is hij – mijn dienaar. Hem zal Ik steunen’.

Dienaar, knecht, slaaf – dat zijn woorden die in onze tijd erg beladen zijn. En terecht: wij, westerse blanke samenleving, hebben een besmet slavernijverleden. Ooit werden er de meest verschrikkelijke dingen uitgehaald met slaven. Goddank is de slavernij afgeschaft. Maar ook nu nog leven vele mensen als slaven op deze wereld. Mensen worden nog steeds uitgebuit en misbruikt. Dienaar zijn, slaaf zijn heeft - terecht - geen mooie klank in onze oren. Maar als de hemelse HEER Zijn naaste metgezel voorstelt, noemt Hij hem wél ‘dienaar’. ‘MIJN dienaar’, dienaar van de HEER. Dat is dan meteen de enige vorm van dienaarschap, van slavernij, die een mens hoeft te accepteren. Een dienaar van de HEER zijn is namelijk het mooiste wat je in het leven kan overkomen. Dat je uiteindelijk maar één baas hebt. Eén die het over je te zeggen heeft. Wiens eigendom je bent. Dat je uiteindelijk alleen Hem verantwoording schuldig bent over je leven. Dat dienaarschap is geen straf, maar een voorrecht. Zoals ons volkslied het zingt: ‘Dat ik toch vroom mag blijven, uw dienaar t’ allen stond…’.

‘Zie hier – mijn dienaar!’. Deze dienaar van de HEER speelt een belangrijke rol in het boek Jesaja. Het tweede gedeelte van dit Bijbelboek, vanaf hoofdstuk 40, speelt zich af in het midden van de zesde eeuw voor Christus, de tijd van de Babylonische Ballingschap. De eerste woorden zijn de bekende woorden ‘Troost, troost mijn volk’ in Jesaja 40. Daarmee is de toon gezet. De toon van Advent. De toon van verwachting. Er komt verandering, een keer in het lot van het volk Israël. De ballingschap – zeg maar: de slavernij – in Babel loopt ten einde. Er is hoop voor het verdrukte volk en haar verwoeste stad Jeruzalem. ‘Hij komt, Hij komt de volken troosten’. Maar hoe zal dat gebeuren? En wie zal daarvoor gaan zorgen? Dat is de dienaar, Gods dienaar. Jesaja spreekt in zijn profetie uitgebreid over deze ‘knecht des Heren’, deze dienaar van God. Hij wijdt er vier liederen aan, waarvan dit in Jesaja 42 het eerste is. In dit lied wordt de dienaar dus voorgesteld. Hij is Gods instrument van bevrijding. Hij is degene, die komen zal, om Israël te verlossen. Maar niet alleen Israël. Gods blik gaat verder. Hij is toch de Schepper van hemel en aarde. Zijn heerschappij is wereldwijd. Dus zal de dienaar een licht voor alle volken zijn. Zijn ‘sjalom’, zijn vrede, wordt wereldwijd werkelijkheid. ‘Hij zal alle volken het recht doen kennen’. ‘Hij zal op aarde het recht vestigen’.

Recht doen – dat is dus de taak van de dienaar. En dat is inderdaad iets van wereldwijd belang. Overal op aarde is dat toch waar mensen naar zoeken, naar schreeuwen, naar smachten. Dat er recht wordt gedaan. Dat er gerechtigheid zal geschieden. Tot in de verste landen, de meest afgelegen gebieden, op de kleinste eilandjes in de Oceaan. Overal waar mensen wonen. Verlangen naar recht. Recht voor ieder mens. Eén voor één en stuk voor stuk. Er is toch bijna niets ergers dat je kan overkomen in het leven dan onrecht. Dat je slachtoffer wordt van een ander mens, een oplichter of crimineel. Een dictator of gewetenloze baas van een bedrijf. Op je werk of thuis – huiselijk geweld, op straat intimidatie, discriminatie, kleinering, vernedering. Dat je de dupe wordt van een onrechtvaardig systeem. Zoals in de toeslagaffaire of in de Groningse aardbevingsgebieden. Dat je – kortom - niet mag zijn wie je bent: schepsel van God, evenveel waard, even belangrijk als ieder ander. Dan moeten er dingen recht gezet. Dan schreeuwt een mens om recht. Dan heb je mensen nodig die onrecht aan de kaak stellen. Die er alles aan doen om misdaden op te lossen.

‘Hier is mijn dienaar’, spreekt de HEER. God stelt zijn knecht voor, die alle volken het recht doet kennen.    

Sinds deze woorden opgeschreven staan heeft men zich het hoofd erover gebroken wie Jesaja toch bedoelt met die ‘dienaar’ van de HEER. Jesaja zegt dat er niet bij. Hij geeft geen toelichting. Een paar hoofdstukken later gaat het wel over de Perzische koning Cyrus. Het Perzische Rijk was in die tijd in opkomst. Ze begonnen aan een onstuitbare opmars. Tegen de Babyloniërs. In het jaar 540 voor Christus namen ze de hoofdstad Babel in. De Babylonische tirannie was verdreven. Voor het volk Israël was dat de kans op terugkeer naar Jeruzalem. De stad en de tempel konden herbouwd worden.

Zo kunnen we in de loop der geschiedenis meer van die kantelmomenten aanwijzen. Momenten van bevrijding. Dat er een einde kwam aan jarenlange, soms zelfs eeuwenlange onderdrukking. Het einde van het Romeinse Rijk. In ons land het einde van de Spaanse bezetting in de tachtigjarige oorlog. Later natuurlijk het einde van de Duitse bezetting in 1945. Of denk aan de val van de Berlijnse muur in 1989, het opzij schuiven van het IJzeren Gordijn. Daar kun je God voor danken. Door Zijn dienaren op aarde verschaft Hij recht. Zoals we hopelijk over een tijdje de HERE God ook kunnen danken voor het einde van de Coronacrisis. Dat de wereldwijde pandemie ook werkelijk wereldwijd voorbij zal zijn. Want wereldwijd is Gods heerschappij. En Hij regeert door Zijn dienaren. Goede koningen, presidenten, ministers, burgemeesters - ze zijn dat bij de gratie Gods. Als dienaren van de Allerhoogste.

‘Zie hier, mijn dienaar…’. In het eerste lied over de dienaar wordt het plaatje getekend van deze knecht. Zijn profielschets. Als we dat voor ogen krijgen, blijkt meteen dat het hier om meer gaat dan een gewone aardse machthebber, zoals die Perzische koning Cyrus. Het profiel van Gods dienaar bevat namelijk een paar opvallende trekjes. Kenmerken die je niet zo snel bij aardse machthebbers zult vinden. In de eerste plaats, staat er dat Gods dienaar niet schreeuwt, zijn stem niet verheft en niet luidkeels in het openbaar roept. De echte dienaar van de HEER doet dus niet aan PR. Hij maakt geen propaganda voor zichzelf. Hij organiseert geen geldverslindende verkiezingscampagne om aan de macht te komen. Hij gaat vooral aan de slag in het verborgene. Op de plekken waar de camera niet staat en de journalisten niet komen. Hij plaatst zichzelf niet op een voetstuk. Hij gaat in stilte aan het werk.

Bovendien gaat de aandacht van Gods dienaar bij voorkeur uit naar het zwakke, het kwetsbare. Hij heeft oog voor ‘het geknakte riet’ en ‘de kwijnende vlam’, zegt de profeet. Een rietstengel is sowieso al niet sterk – het is een kwetsbaar stukje plant, dat door de wind heen en weer wiegt. Als de wind té krachtig wordt, knakt de rietstengel. Dat is dan het begin van het einde. Een kwestie van tijd of de geknakte rietstengel valt in de modder en begint weg te rotten. Maar voor de dienaar van de HEER is elke geknakte rietstengel waardevol.

Ook een kwijnende vlam zal hij niet doven. Een olielampje, waarvan de olie opraakt. Het vlammetje wordt kleiner en kleiner. Nog even en het lichtje gaat uit. Even blazen is genoeg om het vlammetje uit te krijgen. Maar de dienaar van de HEER doet dat niet. Integendeel. Hij geeft juist nieuwe olie, nieuwe kracht aan kwijnende mensen. Hij geeft nieuwe moed aan geknakte schepsels. Hij neemt het op, juist voor het zwakke.

“Zie hier, mijn dienaar”, spreekt de HEER. Een echte dienaar van de HEER let op de kleintjes, op de kinderen, op het zwakke. Zoals we lazen van Johannes de Doper. Hij leert rijke mensen om hun kleding en voedsel te delen met wie niets heeft. Hij vertelt Romeinse soldaten, dat ze niet hun wapens moeten gebruiken om af te persen. Hij zegt tegen tollenaars dat ze hun zaken eerlijk moeten doen. Heel praktisch leert hij hen om recht te doen in hun eigen omgeving. Zoals het ook van ons gevraagd wordt: oprecht, vrijgevig, gastvrij in het leven staan. Zorg voor de eenzamen, de minima, de vluchtelingen, de zwakken in onze samenleving. Niet om daarmee zo nodig de krant te halen, maar in alle bescheidenheid. Als een dienaar, een knecht. In ons eigen kleine hoekje ons lichtje laten schijnen. Dan ben je een echte dienaar. Dan ben je Gods knecht.

‘Zie hier – mijn dienaar’. Het ligt natuurlijk voor de hand dat christenen later deze dienaar van de HEER de naam Jezus hebben gegeven. In Jezus ontmoeten we Gods dienaar bij uitstek. Zijn komst in deze wereld gaat niet gepaard met openbaar feestgedruis in de straten van de stad. Het ‘Ere zij God’ klinkt in de kerstnacht buiten de openbaarheid in Efratha’s velden. Hij wordt niet voorgesteld aan de groten der aarde. Juist de geknakte en wegkwijnende herders krijgen het geboortebericht te horen. Hij wordt niet geboren in een paleis. Zelfs in de herberg is geen plaats voor Hem. In een stal staat zijn voederbak. Verborgen, in stilte, bij kleine mensen gaat Hij zijn gang. Als een dienaar van God en van de mensen nodigt Hij ons: Kom tot Mij, want mijn jul is zacht en mijn last is licht.

Zo werkt Hij nog steeds. Juist mensen die snakken naar recht maakt Hij vrij. Door Hem mogen ook wij ons Gods kinderen weten. Juist mensen die zich als geknakte rietstengels voelen laat Hij weten dat ze er mogen zijn. Juist kwijnende lichtjes doet Hij weer opvlammen door Zijn Geest. Zie, hier - Gods dienaar. Immanuël – God met ons. Gekomen om ons te dienen en Zijn leven voor ons te geven.