Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Worden als een kind...

KERKDIENST PG NIJVERDAL (9 augustus)
Ook te bekijken of beluisteren via:
KERKOMROEP   of   YOUTUBE 

 Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind die is de grootste in het koninkrijk van de hemel’ (vers 4)

 

Het is voor jou en voor mij een onbeduidend voorvalletje. Voor haar (ik zeg maar even ‘haar’) moet het onvergetelijk geweest zijn. Bij haar staat deze gebeurtenis onuitwisbaar in het geheugen gegrift. Dit moment is beslissend voor haar hele verdere leven. Waarschijnlijk heb jij er niet lang bij stil gestaan, toen ik het zo even voorlas uit de Bijbel. Het staat er ook zo onopvallend. Als een kleine onbelangrijke bijkomstigheid. Of zag je het misschien toch even voor je, toen het in je oren klonk? Voor het gemak heb ik er maar even een plaatje bijgedaan. Kijk: Zij – met Jezus. Zij naast Jezus.

Wat was het geval? Jezus en zijn leerlingen zitten bij elkaar. Niet ongebruikelijk – een rabbi met zijn discipelen. Ze spreken met elkaar over de gewichtige zaken van het Koninkrijk van God. Ze zitten – zo stel ik me voor – ergens in een dorp in Israël, voor een huis – in de schaduw van een vijgenboom. Een gesprek van vraag en antwoord. Soms gaat het er rustig aan toe. Soms wordt het fel. En zij, ja ik stel me zo voor, dat zij een meisje is, maar het kan ook best een jongetje geweest zijn… Zij zit het van op een afstandje zo eens aan te kijken. Ze is even opgehouden met spelen. Zij kijkt nieuwsgierig naar die volwassen mensen, die daar wat aan het bespreken zijn. Zij vindt het machtig interessant – zo’n groepje wijze mannen bij elkaar. Niet dat ze er iets van begrijpt. Natuurlijk niet. Ze is maar een kind. Ze is een jaar of vier. Ouder niet. Maar dan, plotseling, richt Jezus zich op. Hij kijkt haar kant op. Hij kijkt haar aan, wenkt, roept: ‘Hé, jij daar… kom eens even dichterbij. Kom eens even hier!’. Het arme kind schrikt, ze weet niet wat ze hoort. Ze kijkt verbaasd om zich heen. Wie bedoelt Jezus? Wie roept Hij? Moet Hij echt HAAR hebben? ‘Ja, jij daar… Jou bedoel Ik. Ik roep jou. Kom maar. Wees niet bang! Kom eens even hier, als je wilt!’ Eerst aarzelt ze nog. Ze denkt: ‘Snel wegwezen. Ze vinden me natuurlijk een pottenkijker. Ze willen me hier weg hebben…’ Maar die stem van Jezus klinkt niet streng of kwaad. Het klinkt vriendelijk, uitnodigend. Dus staat ze aarzelend op en gaat. Schoorvoetend trippelt ze naar Jezus toe. ‘Kom maar’, zegt Hij, ‘we doen je niets, hoor. Kom maar even hier bij ons zitten. Hier in het midden. Naast mij, op dit muurtje’.

Daar zitten ze dan. Jezus en zij. Zij naast Jezus. Een klein meisje en een volwassen man. Twaalf paar ogen zijn op hen gericht. Van twaalf discipelen. Zij in het midden. Het middelpunt van de belangstelling.     

‘Kijk’, zegt Jezus, en Hij wijst op haar. ‘Dit bedoel ik nou. Kijk naar dit kind. Jullie moeten haar tot voorbeeld nemen. ZO moet je worden – als een kind. Alleen als je wordt als dit kind, zul je het koninkrijk van de hemel binnengaan. Wie wordt als dit kind is de grootste in het koninkrijk van God’.

Worden als een kind…. Het kleine meisje begrijpt waarschijnlijk niets van die woorden van de HEER. Ze is te jong, te klein. Ze moet nog veel leren. Ze moet nog groeien, volwassen worden. Ze is nog ‘maar’ een kind.

Worden als een kind… Snappen zíj het eigenlijk wel, die leerlingen? Begrijpen wij wel, wat Jezus bedoelt? Bedoelt Jezus soms, zo wordt vaak gezegd, dat we om te geloven ons verstand maar moeten uitschakelen? ‘Je moet geloven als een kind’, zegt men dan. Dus: ‘Niet te moeilijk doen. Niet te diep nadenken. Je niet verdiepen in de Bijbel. Dat brengt je geen steek verder. Houd het maar simpel. In het geloof moet je je verstand buitenspel zetten. Dom blijven. Verstand op nul. Als een kind…’ Maar dat zegt Jezus dus NIET. Hij zegt niet: Je moet ‘geloven’ als een kind. Hij zegt: Je moet ‘worden’ als een kind.

Een kind hoeft trouwens helemaal niet kortzichtig of dom te zijn. Integendeel: elke ouder weet, dat een klein kind al jong hele moeilijke vragen gaat stellen – juist op het gebied van geloof. ‘Wie is God? Hoe ziet Hij er uit? Waar is de hemel? En waar ga je dan heen, als je dood gaat? Hoe zit het precies?’ Een kind gaat dus al heel jong nadenken. Daar is niks mis mee. Integendeel! Gebruik het verstand, dat je hebt gekregen. Denk na! Blijf je verdiepen in het geloof! Probeer die boodschap van God te snappen. Zo goed mogelijk. Probeer het door te geven. Zo goed als je kunt. Praat erover – ook met je kinderen. Dan kom je natuurlijk uit bij dingen, die je verstand te boven gaan. Als je het maar laat om simpel, kortzichtig, met oogkleppen door het leven te gaan. Dat bedoelt Jezus zeker niet, als Hij het heeft over ‘worden als een kind’. Maar wat dan wel?

Jezus heeft een keer vaker zo iets gezegd. Toen ouders hun kinderen bij Hem brachten en de discipelen dat wilden verhinderen. ‘Laat de kinderen tot Mij komen’, sprak Hij toen, ‘want het Koninkrijk behoort toe aan wie is zoals zij’. Ook toen Jezus dát zei, waren er kinderen bij. Ze waren zichtbaar, tastbaar en hoorbaar aanwezig. Blijkbaar moet je een kind zien om te begrijpen wat Jezus bedoelt. Je moet kijken naar een kind om te weten, wat ‘worden als een kind’ betekent.

Zoals we straks gelukkig weer een paar kinderen in ons midden zullen hebben. En in het bijzonder de kleine Jethanaël en zijn grote zus Jaleah. Jethanaël zal in ons midden komen om gedoopt te worden. Aller ogen zijn straks op hem gericht. We zitten of staan erbij en kijken er naar. Dat is dan niet alleen leuk. Het geeft niet alleen wat leven in de brouwerij en soms wat kabaal of geblèr. Het is noodzakelijk – voor ons, als gemeente. Om kinderen in ons midden te hebben. Het is van levensbelang voor ons om heel zorgvuldig, heel ‘zuinig’ met kinderen om te gaan. Om – letterlijk en figuurlijk – te investeren in hun toekomst. Als ouders en als kerk. De felle woorden van Jezus waarschuwen ons ervoor, dat we kinderen zouden verwaarlozen. Wee degene, die zich vergrijpt aan kinderen. Die krijgt van Jezus luid en duidelijk te horen, dat het voor hem beter zou zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee geworpen zou worden. Daar is geen woord Frans bij. Let op de kinderen! Kinderen moeten geen plekje achteraf krijgen, waar we geen last van ze hebben. Juist kinderen moeten in het middelpunt staan. Omdat wij zonder kinderen er niets van begrijpen. Omdat volwassenen van kinderen moeten leren, wie de grootste is in het Koninkrijk van God.

Ja, dat is dus de vraag! Die vraag, waarmee de leerlingen bij Jezus zijn gekomen: ‘HEER, wie is eigenlijk de grootste in het Koninkrijk der hemelen?’. Een vraag, die wij wellicht ongepast vinden. ‘Wie is de grootste, wie is de beste, wie is de meeste?’  Maar het is helemaal zo’n gekke vraag niet. Integendeel! Het is juist positief als je als mens streeft naar het beste, het meeste, het grootste, het mooiste. Dat jij je in het leven niet neerlegt bij de grijze middelmaat. Dat je iets wilt betekenen, een verschil wilt maken. En dan speciaal: iets wilt betekenen in Gods Koninkrijk. Zodat er aan het einde van jouw leven van jou gezegd kan worden: hij of zij heeft niet voor niets geleefd. Hij heeft een klein steentje bijgedragen. Zij heeft de wereld een beetje mooier gekleurd. Dat hoop je voor jezelf. Dat hoop je ook voor je kinderen. Dat hopen we voor de kleine Jethanaël. Dat hij in zijn leven iets mag betekenen voor de wereld om hem heen. Dat hij iets mag doen voor de HEER, voor zijn Schepper. En dan toch liefst zo groot, zo goed, zo veel mogelijk! Dus, Jezus: ‘wie is de grootste in het Koninkrijk van God?’ Jezus zegt niets. Hij laat eerst iets zien. Hij laat HAAR zien. Hij zet dit kind middenin de discipelkring.

Kijk aan: ZIJ is de grootste. De kleinste is de grootste. De jongste heeft de oudste rechten. Daar staat de Bijbel trouwens VOL mee. De grote God let op de kleintjes, kijkt om naar het kleine, het nietige.

Worden als een kind – wat bedoelt Jezus? Dat zou je dus eigenlijk aan haar moeten vragen. Dat kleine meisje dat daar naast Jezus zit. Hoe voelt ze zich te midden van die grote kerels om haar heen? Nou, onwennig, verlegen…natuurlijk. Klein tussen al die groten. Beperkt tussen al die wijsneuzen. Vereerd ook, dat iemand haar zag. Dat Jezus haar riep.

Dat is nu precies ‘worden als een kind’. God roept ook ons. Ook wij mogen komen. Zoals vanmorgen. Naar de kerk gekomen. Alleen, met elkaar, met onze kinderen. Dan voelen we ons inderdaad klein, beperkt, zwak, kwetsbaar, verlegen tegenover die machtige HEER. Tegenover de grote God ben je toch eigenlijk altijd maar een klein kind – je leven lang. In Zijn Koninkrijk word je groot, als je dat beseft. Als je je eigen zwakheid, je eigen beperkingen, je afhankelijkheid, je eigen schuld ook erkent en belijdt.

Maar dan hoort het kind de stem van de HEER. Het is Jezus, die haar roept. En in die stem van Jezus, hoort ze de stem van God. Het is je hemelse Vader, die jou, ja jou aanspreekt. Het is God, die jou in het middelpunt van Zijn belangstelling zet. Hij ziet, Hij kent, Hij roept je. Hij zegt tegen mij: ‘Ik ben jouw Vader. Jij bent MIJN kind. Ik noem je bij je Naam. Hoe klein je ook bent, voor MIJ ben je groot. In Mijn ogen oneindig kostbaar. Ik zal altijd naar je omkijken. Als een herder naar zijn schapen. Als je wilt en op Mij vertrouwt, zal Ik voor eeuwig bij je blijven. Je mag een kind van Mijn koninkrijk zijn’.