Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Wees niet bang

Kerkdienst op 14 november 2021
Schriftlezingen: Jesaja 38:9-20 en Openbaring 1:9-20


 

“Toen ik Hem zag viel ik als dood voor zijn voeten neer. Maar hij legde zijn rechterhand op me en zei: ‘Wees niet bang, ik ben de eerste en de laatste. Ik ben degene die leeft; ik was dood, maar ik leef, nu en tot in eeuwigheid. Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk” (Openbaring 1:17-18)  

 

 

Het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, is een boek vol scherpe tegenstellingen. Zwart staat in dit boek tegenover wit. Dag tegenover nacht. En God tegenover de satan. Bovendien roept dit boek op tot een radicale keuze: vóór of tegen. Anders is er niet. Wanneer wij dit Bijbelboek lezen, zullen we dan ook vaak schrikken. Wij zijn dat niet gewend – zo “zwart-wit” te denken. Wij houden ons liever wat op de vlakte, kijken de kat uit de boom en zoeken naar een compromis. Dat doen we in de politiek, maar ook in ons dagelijks leven. Niet te extreem. Niet te gek, doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.

 

 

Maar de Openbaring is anders. Scherpe felle kleuren. Onverwachte,  harde overgangen van het éne uiterste in het andere. Botsende tegenstellingen. Niet passend bij onze rustige, bedaarde wereld. Meer bedoeld voor situaties, waarin het er echt op aankomt. Oorlogstijd! Bezettingstijd! Of zoals de tijd en de mensen waarvoor het boek oorspronkelijk geschreven is. De christenen uit de eerste eeuw in Klein-Azië. Kleine minderheden in het grote Romeinse Rijk. Vervolgd, gediscrimineerd. In de verleiding om het geloof in Jezus Christus op te geven, Om mee te stromen met de heidense meerderheid. Aan hen moet Johannes zijn brief sturen. Met duidelijke taal: licht overwint de duisternis. God is sterker dan de duivel. Het kwade heeft niet het laatste woord, dus: kies de goede kant.

 

 

Het is niet verwonderlijk dat uitgerekend een preek over Openbaring in de afgelopen weken zoveel aandacht heeft getrokken. Collega dominee Paul Visser preekte in Middelburg over Openbaring 13. De Youtube-versie trok de aandacht van zwart-witte complotdenkers. Die gingen met zijn preek aan de haal. Binnen een paar weken was de preek een grote Youtube-hype met duizenden hits.  Ik hoop eerlijk gezegd niet dat het met de preek, die ik nu houd, zo vergaat. Het eerste hoofdstuk van het boek is misschien ook zo spannend nog niet. 

In Openbaring 1 zien we Johannes op het strand van het eilandje Patmos. ‘Op de dag van de HEER’, staat er. Daarmee zal de zondag bedoeld worden, maar zondag is geen kalme rustdag voor Johannes. Hij zit gevangen op dit eiland in de Egeïsche zee. Patmos is één van de vele Griekse eilandjes voor de Turkse kust. Ongeveer zo groot als Vlieland. Als je goed kijkt, bij helder weer, kun je de kust van Klein-Azië, zoals dat toen heette, zien liggen. In die tijd was het een piepklein eilandje in de grote Romeinse zee. Patmos is echt het ídeale verbanningsoord. Woest, onherbergzaam. Er groeit weinig. Er valt niet veel te beleven. Overblijfsel van een prehistorische vulkaanuitbarsting. Leuk voor een paar dagen vakantie maar zeker niet als gevangenis. Ik moet er niet aan denken. Johannes mag er niet af. Kan er niet af. Tijd te over, tijd teveel om te piekeren en te tobben. Hij ziet de onbereikbare kust overzee aan de horizon. Zijn gedachten gaan uit naar broeders en zusters in de verdrukking. Die bedreigde christenen, de vervolgde kerk. Hoe zal het met hen gaan? Zullen ze blijven geloven, hopen, liefhebben in Jezus’ Naam? Of zullen ze water bij de wijn gaan doen? Compromissen sluiten, de zogenaamde gulden middenweg kiezen, een beetje schipperen tussen goed en kwaad? Jezus of de keizer. Jezus of de Griekse goden. Wie zal het winnen in de harten van de gelovigen?  

 

 

Johannes tuurt bezorgd over het water. Wat kan hij doen ? Kon hij maar iets doen. 

 

 

Maar plotseling gaat voor hem de hemel op. De lucht trilt. De aarde beeft. Een gestalte doemt op tussen zeven kandelaren. Sneeuwwit als wol de haren op zijn hoofd. Vlammend vuur de ogen. Gloeiend brons zijn voeten. Eén en al macht en majesteit. Een scherp zwaard komt uit zijn mond. Zijn stem klinkt als een bazuin, ja als het geluid van een donderende waterval.

 

 

De hemel overvalt de aarde! Tegengestelden – plus en min. Dat geeft kortsluiting. Blikseminslag. Dat moet verkeerd gaan. Johannes valt neer voor deze Rechter in het licht verheven. Als dood valt hij voor zijn voeten neer.

 

 

Dood en leven. Deze tegenstelling beheerst de woorden, die nu volgen. Dood: ‘Ik was dood’. ‘Ik heb de sleutels van het dood en het dodenrijk’. En leven: Ik ben degene die leeft. Nu leef ik tot in eeuwigheid’.

 

 

Dood en leven – misschien wel de grootste tegenstelling, die wij mensen kennen. Tussen zwart en wit zit nog wel een beetje grijs. Er is overgang mogelijk. De nacht gaat langzaam over in de dag. Wij relativeren tegenstellingen – en het kan. Meestal. Gelukkig maar! Zwart-wit denken brengt ons niet verder.

 

 

Maar wat is er tussen dood en leven? Scherper scheidslijn is er toch niet? Soms is het één fataal moment. Eén kleine stap tussen leven en dood. Eén oogwenk. Het resultaat is een voldongen feit. Definitief. Voorgoed. Voorbij. Nooit meer. Dat is dood. 

 

 

De dood is naar Bijbels begrip heel wat erger dan een punt achter het leven. Het is ook niet zomaar een overgang van het één naar het andere bestaan. Niet het kleine zwarte hekje tussen de ene en de andere tuin. De dood is naar Bijbels, Joods begrip een bittere vijand. Die kapot maakt wat zo mooi is. Die een einde maakt aan wat eindeloos zou moeten duren. Die het glas van geluk stukbreekt en niemand kan de scherven lijmen. Er is niets moois aan de dood. Zelfs als de dood komt als een verlossing, blijven achterblijvers met het gemis. Zelfs als je denkt: ‘Het is maar beter zo’, kun je het verdriet niet verzachten. De hevige pijn om wat niet meer is. Om wie niet meer is. Dood brengt scheiding tussen vrienden, geliefden, familie- en gezinsleden. Dood is definitief en onherroepelijk.

 

 

Zo horen we in het boek Jesaja koning Hizkia over de dood kermen. Hij was ernstig ziek geweest. Ongeneselijk ziek, zo leek het. De dood nabij. Het land der levenden zou hij spoedig moeten verlaten. Zijn aardse tent wordt uit de grond gerukt. Als een onvoltooide lap stof van het weefgetouw getrokken. Afgesneden. Weggerukt. Als de dood je pad kruist heb je niets in te brengen. Dan val je neer. Machteloos en onherroepelijk.

 

 

Als voor Johannes de hemel opengaat op het strand van Patmos, valt ook hij machteloos neer. Als dood voor de voeten van die machtige verschijning. Wie zou niet bang zijn? Wie zou niet schrikken? Verbijsterd.

 

 

Zoals wij ons kunnen voelen, wanneer we nadenken over al het grote, machtige, angstaanjagende om ons heen. De dreiging van het kwaadaardig virus. Terreur. Zeespiegelstijging. Extreme weersverwachting. Code Rood. De dreiging van allerlei angstaanjagende complottheorieën met hun zwart-witte wereldbeeld.

 

 

Maar: Wacht even. Zwart en wit moeten we wel goed uit elkaar houden. Tegenstellingen zijn scherp in het visioen van de Openbaring. Deze ontmoeting op het strand van Patmos is geen confrontatie met de dood. Johannes heeft een ontmoeting met de Levende. Hij ontmoet niet de koning van de dood, maar de vorst van het leven: Jezus Christus.

 

 

Het is de levende HEER, die Zijn rechterhand uitstrekt en op het hoofd van de apostel legt. Het is levende Jezus, die woorden van troost en bemoediging spreekt. “Wees niet bang!”, zijn Zijn eerste woorden. Die woorden zullen we uit de mond van de dood nooit horen. De dood zegt: ‘Beef en sidder’. Doodsmachten gedijen het best op de golven van de angst. Maar Jezus velt niet neer, slaat niet neer. Hij doet opstaan. Hij zet Johannes op zijn voeten. Johannes ontmoet Hem, die de dood te boven gaat. “Ik ben de eerste en de laatste”, noemt Hij zich. Zo kan de dood zich nooit noemen. God Zelf staat aan het begin. Voor het leven heeft Hij ons geschapen. Hij is ook de Laatste. Hij maakt Zijn werk volledig af. Daar is Hij voor gekomen vanuit de hoge hemel, tot ons neergedaald in de diepe hel van ons bestaan. “Ik was dood maar nu leef Ik tot in eeuwigheid”. Jezus is dood geweest. Hij ontmoette de dood op zijn levensweg. Hij kan dus met ons meevoelen, wanneer wij voor de dood staan. Maar één ding is zeker: Nog zekerder dan de dood zelf. Hij is weer levend. De dood was Hem niet de baas. Hij overwon de dood.

 

 

Met een beeld uit de gedachtewereld van toen, maakt de HEER duidelijk, wat dat betekent: "Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk". Het dodenrijk: Dan zagen de mensen toen het beeld van een vestingstad. De stad van de dood. Het zwarte domein van de goden en godinnen van de onderwereld. Onneembare muren omringen die stad. In die muren zijn zware poorten. Er staan bewakers bij die poorten met blaffende bloeddorstige honden. Sleutelbewaarders, cipiers van de doodsgevangenis. Zij maken de poort open en sluiten die achter je rug. Ze zijn onverbiddelijk. Dat beeld hebben mensen in die tijd van de dood. Maar Johannes hoort uit de mond van Jezus: "IK heb de sleutels van de dood en het dodenrijk”. Hij heeft de macht om de zware poort te openen. Hij kan mensen verlossen uit de banden van de dood. Al gaat de dood nog rond op de aarde. Al slaat de schrik en de ontzetting ons nog telkens om het hart. De deur zal niet meer definitief in het slot vallen. De sleutels zijn in handen van Jezus Christus. Hij maakt de deur open. Hij haalt Zijn kinderen op uit het dodenrijk. Hij neemt hen mee naar het huis van de Vader met de vele woningen.

 

 

Zo is Openbaring 1 geen voer voor zwart-wit denkers. Met dit Bijbelboek kun je niet aan de haal om angst te zaaien. Het is wel een duidelijk uitweg uit de crisis. Uit JOUW crisis. Jezus zegt: “Wees niet bang”. Geef Mij je angst. Wie Mij volgt, wandelt in het licht en nooit meer in de duisternis. De steen is weggerold. Het graf is leeg. Voor wie vertrouwt op Hem jaagt zelfs de dood geen angst meer aan.

 

 

Niet bang. Voor niets. Voor niemand.

 

 

Amen.