Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 (Weer) naar de kerk! 

preek voor zondag 1 augustus 2021
De Regenboog, NIJVERDAL

De kerkdienst is ook via Kerkomroep en YouTube te beluisteren. 


“Laten we in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen” (Hebreeën 10:25)

 

De Duitse Judoka Martyna Trajdos en haar coach waren in de afgelopen week Olympisch wereldnieuws. Niet vanwege hun buitengewone prestaties. Martina kwam niet verder dan de laatste 32 in haar gewichtsklasse. Wél vanwege de voorbereiding op de wedstrijd. Vlak voordat het gevecht op de mat begon, ging de coach vlak voor Martina staan. Hij pakte haar met beide handen beet en schudde haar door elkaar. Daarna sloeg hij haar met vlakke hand, eerst op de ene, toen op de andere wang. Dat alles voor het oog van miljarden televisiekijkers. Natuurlijk gingen alle sociale media los op dit merkwaardige voorval. Hoe kon zo’n trainer dát nu doen? Zo gewelddadig, zo respectloos, zo vernederend voor zijn arme pupil… Dat kan toch niet? Zo ga je toch niet met elkaar om? Achteraf vertelde Martina – geschrokken van alle ophef – dat zij het helemaal niet vervelend had gevonden. ‘Dat doen we altijd zo’, sprak ze. ‘Het is dé manier om mij wakker te krijgen, om mij scherp te houden’.

Iemand wakker schudden om hem scherp te krijgen. Dat is precies wat de schrijver van de Hebreeënbrief wil bereiken. In woorden doet hij hetzelfde als de coach van Martina Trajdos. Hij pakt – met zijn woorden - zijn lezers stevig beet. Hij rammelt ze eens flink door elkaar en geeft ze een paar fikse tikjes op de beide wangen. ‘Wakker worden! Scherp blijven!’. Blijkbaar is het hard nodig om de lezers van de Hebreeënbrief zo ferm te benaderen. Die lezers van de brief behoren voor het merendeel bij, wat je noemt, de tweede of derde generatie christenen. De opa’s en oma’s van deze mensen hadden zich ooit bekeerd van het heidendom. Radicaal bekeerd. Een breuk met het verleden was nodig om de afgoden af te zweren en voortaan Jezus te volgen. Ze waren dan ook vurige, radicale, principiële volgelingen. Zoals ze in het begin van het boek Handelingen bijvoorbeeld beschreven worden: één van hart en één van ziel. Ze zochten elkaar op. Ze voelden dat ze elkaar nodig hadden. Ze deelden hun rijkdom met elkaar. Ze gingen – om zo te zeggen – ook graag naar de kerk. Met elkaar dienden ze de HEER.

 Bij hun kinderen werd de soep toch al een beetje minder heet gegeten dan hij was opgediend. Het werd toch meer de macht der gewoonte, die hen dreef. Een geslacht later kwam de klad er echt in. Men was niet meer zo enthousiast en bevlogen als vroeger. Het werd allemaal gewoon, als je christen was. Je ging in het voetspoor van het voorgeslacht. Of niet. Dan haakte je af. En dat was te merken. In de eerste plaats in de samenkomsten van de gemeente. Er bleven op zondag stoeltjes leeg. De kerkruimte werd te groot. Hier en daar moest er een zaaltje gesloten worden om de tering naar de nering te zetten.

  

Het zal je niet veel moeite kosten om de actualiteit van dit verhaal in te zien. Het lijkt toch wel ónze tijd, onze maatschappij. Aan deze kant van de wereld. In ons land neemt de ontkerkelijking hand over hand toe. Te beginnen met het kerkbezoek. Eens zo goed gevulde kerkbanken krijgen lege plekken. De honderden zitplaatsen, die deze Regenboog, ons eigen kerkgebouw, telt zijn bij lange na niet bezet. Zelfs met Kerst of Pasen kunnen we niet meer rekenen op volle kerken. Bovendien wordt de gemiddelde leeftijd van de kerkganger alsmaar hoger. Naar de kerk gaan is – in elk geval in ons soort kerk – niets voor jongeren. Meer iets voor ouderen. En dat gaat een keer spaak lopen. Kerkrentmeesters beginnen de kerkelijke knopen te tellen. Er is op Nijverdal al een kerk dicht. De mooie grote Roomskatholieke kerk gaat ook sluiten. In elk geval voor de erediensten. Er wordt nog naar een andere bestemming bezocht. En moeten er nog meer volgen? De Coronacrisis lijkt het proces te versnellen. Mensen, kerkgangers moesten thuis blijven. Gelukkig konden en kunnen we met elkaar verbonden blijven via de Internetverbindingen. Fijn dat er zoveel meeluisteren en meekijken. Maar nu de loop eruit is, hoe pompen we de moed er dan weer in? Hoe krijg je de kerkgang weer op gang, nu we weer mogen? Hoe krijg je mensen op zondag weer naar de kerk, als de gewoonte van Kortjakje er niet meer in zit?

 

Er moet wat gebeuren: wakker worden! Scherp blijven! Het boeltje moet even flink door elkaar geschud worden, zoals die coach van de dappere Duitse judoka dat deed. Een paar ferme tikjes op de wang…

 Zou dat helpen? Zouden die woorden van de Hebreeënbrief indruk maken? Kunnen die woorden het tij keren? Niet wegblijven! Kom weer naar de kerk, als je kunt!


Laten we in plaats van weg te blijven van onze samenkomsten, zoals sommigen doen, elkaar juist bemoedigen’. Als je dat zo hoort, kan ik me voorstellen dat dat weinig indruk maakt. Een oproep om naar de kerk te gaan is vandaag toch aan dovemans oren gericht? We laten ons niet zo maar sturen. Zeker iets als ‘naar de kerk’ gaan kun je niet afdwingen met een bevel. Bovendien ben ik dan bij jullie hier in de kerk en bij u die thuis meekijkt niet aan het goede adres. Het feit dat je er bent of meekijkt en meeluistert bewijst dat je het nut er van inziet. Het gaat om die anderen. Degenen, die afgehaakt zijn of misschien wel nooit met ons verbonden waren. Het gaat om de kerkverlaters, waarvan opa en oma nog wel, vader en moeder wat minder, maar zijzelf niet meer geïnteresseerd zijn. Degenen die de schrijver noemt, ‘sommigen die wegblijven van onze samenkomsten’. Letterlijk staat daar: degenen die er een gewoonte van gemaakt hebben om niet te komen. Zoals kerkgang een gewoonte, een sleur kan worden. Zo kan ook niet naar de kerk gaan een gewoonte worden. De klad komt erin. En hoe komt dat dan? In de Hebreeënbrief is niet helemaal duidelijk hoe dat daar komt. Het is een soort onduidelijk, geruisloos, zonder veel ophef afhaken. Zoals dat bij ons ook niet duidelijk is, waarom je bepaalde mensen niet meer in de kerk ziet.

 

Wat doe je er dan tegen? Hoe voer je het gevecht tegen de bierkaai? We zouden de schrijver van de Hebreeënbrief geen recht doen, als we het zouden laten bij deze woorden alleen. Een rechtstreekse oproep om weer naar de kerk te komen. Dat blijkt al, als we beseffen dat het woord dat hij hier gebruikt niet ‘kerk’ of ‘kerkdienst’ is. Hij gebruikt het woord ‘samenkomst’. Letterlijk is dat een woord afgeleid van een passief werkwoord. Het betekent zo iets als ‘Samen gebracht worden’, ‘vergaderd worden’, ‘bij elkaar gebracht worden’. Het heeft daarom iets van het geheim in zich. Het geheim van ‘samen in de naam van Jezus’. Dat geheim, dat mensen aantrekt als een magneet. Dat cirkelt rondom die drie bekende woorden, de kern ons samenzijn: geloof, hoop en liefde. In het Bijbelgedeelte worden die drie woorden stuk voor stuk uitgelegd. Je zou het de drie belangrijkste redenen kunnen noemen, waarom mensen naar de kerk willen komen. Beter gezegd: als christenen elkaar willen ontmoeten in allerlei bijeenkomsten. Van kindernevendienst tot ouderenochtend. Van jeugdkerk tot Bijbelkring. Als we samenkomen doen we dat vanwege geloof, hoop en liefde.

 ‘Weet je wat het is?’, zegt numero één. ‘In de kerk beleef ik samen met anderen mijn geloof. Ons geloof! Het geloof in die ene HEER, in die ene God, die Zijn Zoon gegeven heeft. Het geloof in mijn Heiland Jezus, die als de hogepriester met zijn eigen bloed het heilige der heiligen binnen mocht gaan. Met Zijn lichaam als offer heeft Hij voor ons de weg gebaand. Daarom mag ik God ontmoeten. Ik mag achter Jezus aan het heiligdom binnengaan. Dat kan ik thuis, alleen. Maar het mooiste is toch om dat samen te doen. Met twee of drie of liefst nog veel meer tegelijk. Stil zijn, in gebed of luisteren naar een mooie preek. Dat versterkt mijn geloof!’.

 

‘Alles goed en wel’, zegt een ander, ‘maar voor mij is dat samenkomen vooral van belang vanwege de hoop. Ik vind bij God, bij Jezus mijn hoop voor de toekomst. Als het in mijn leven tegenzit, mag ik me toevertrouwen aan God. Al mijn zorgen leg ik in Zijn handen. En natuurlijk kan ik dat ook alleen, in mijn gebed. Maar het is zo mooi omdat met elkaar te belijden. Samen houd je de moed er zoveel beter in dan in je eentje. Samen zingen bijvoorbeeld. Dat tilt mij weer uit de put. Ik ga als een gezegend mens naar huis. Een nieuwe week? Ik kan er weer tegenaan! Samenkomen geeft mij hoop’.

 

‘Voor mij’, zegt een derde, ‘heeft kerk-zijn toch vooral met de liefde te maken. God liefhebben en de naaste als jezelf. Dat leer ik in de kerk. Neem nou zo’n lezing die we vanmorgen hoorden uit het boek Deuteronomium. Dat zijn toch woorden voor de praktijk van het leven? Neem nu die tekst ‘De HEER verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen en wezen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding’. Als ik dat hoor, weet ik weer waarom ik me inzet voor de diaconie, voor Voedselbank of Vluchtelingenwerk’. En samen sta je sterk, niet waar? Juist in de samenkomst, juist met elkaar houden we dat vuurtje brandende. Het vuur van de liefde!’.

 

Geloof, hoop, liefde. Zo kan ieder voor zich zijn of haar reden hebben. Om toch maar weer te komen naar die ‘samenkomst’. Je wordt ertoe aangetrokken. Als vliegen naar de stroop. Of, zoals een bijbels beeld het zegt, als kuikens, die een veilig heenkomen vinden onder de vleugels van ‘moeder de hen’.

 

En kun je dat aan een ander duidelijk maken? Misschien is dat niet makkelijk uit te leggen aan je kinderen of de buren. Wat je zeker wel kunt doen is metterdaad iets uitstralen van geloof, hoop en liefde. Iets van bevlogenheid. Met onze woorden en onze daden laten merken dat het ons iets doet. Dat is beter dan door elkaar schudden of een paar tikken op de wang uitdelen. Het is beter om te bedenken hoe waardevol het is. Zo’n samenkomst met twee of drie of een beetje meer.

Dat het kan. Dat het mag. Dat we weer mogen!

Zo maar zo’n dak boven wat hoofden,
een deur die uitnodigend open staat.
Muren, niet hard van steen maar zacht als huid.
Ogen speurend naar hoop en dageraad.
Een huis dat levend lichaam wordt als wij er binnen gaan.
Om recht voor God te staan.