Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Weer aan het werk

Kerkdienst op 24 april 2022
Schriftlezingen: Genesis 1:26-28; Genesis 3:17-19 en Johannes 21:1-14

 

Na een half jaar gaat Anne-Marie weer aan het werk. Anne-Marie - een zelfbewuste jonge vrouw. Ooit veelbelovend toptalent aan de universiteit. Afgestudeerd in economie is ze het bedrijfsleven ingestapt. Dat ging voorspoedig. Voor haar capaciteiten is altijd plek in de financiële sector. Ze heeft het goed naar haar zin. Er zijn op het bedrijf voldoende ontplooiingsmogelijkheden. Haar CV vult zich met steeds hogere functies. Tegelijk raakt ook haar agenda steeds meer gevuld. Zeker als zij en haar man gezinsuitbreiding krijgen. Het kleine kereltje dat hun wordt geschonken is een bron van levensvreugde. Tijdens het zwangerschapsverlof wel te verstaan. Daarna blijkt de combinatie van zorg voor je kind én een drukke baan niet goed te combineren. Tijdens de lockdown in de Coronacrisis kan Anne-Marie werk en privé niet goed meer uit elkaar houden. Tot overmaat van ramp overlijdt haar vader plotseling. Korte tijd daarna gaat het helemaal mis. Chronische vermoeidheid. Huilbuien. Slecht slapen. Alle symptomen wijzen dezelfde kant op. ‘Diagnose: Burn out’. Zo klinkt het uit de mond van haar huisarts. Niet veel later moet ook de ARBO-arts hetzelfde vaststellen. Maanden lang is alles haar teveel. Ze voelt zich lusteloos, moedeloos, waardeloos. Het zijn de donkerste maanden van haar leven. Gelukkig, goddank, keert alles ten goede. Ze vindt de juiste begeleiding. Ze krijgt goede steun van haar echtgenoot. Ze ontvangt veel liefde van hun kleintje. Langzaam maar zeker krabbelt ze uit de put. Er komt een moment dat ze tegen zichzelf zegt: ‘Kom op, laat ik maar weer eens proberen aan het werk te gaan’.

  

‘Ik ga weer aan het werk’, zegt Petrus. Petrus wil weer gaan vissen. Hij is visser. Of moet je zeggen: hij wás visser. Het is al een paar jaar geleden dat Petrus voor het laatst een visnet heeft aangeraakt. Hij is uit het vissersvak geraakt toen Jezus langs het water liep en hem en zijn broer Andreas riep. Zo maar, zonder praten, hebben ze hun netten verlaten. Jezus zei: ‘Visser van mensen zal Ik je maken. Mensenvisser moet je worden. Daar ga ik je bij helpen. Daar ga ik voor zorgen’. Het werd een onvergetelijk mooie tijd. Hij gaat met nog 11 anderen achter rabbi Jezus aan. Ze leren Hem kennen als Genezer, Verteller, maar vooral als steun en toeverlaat. Het ontbreekt hun aan niets. Als de nood aan de man komt zorgt Jezus Zelf voor broden en vissen. In de storm op zee blijkt Jezus’ macht. Petrus wordt letterlijk door Jezus uit het water gehaald. Zijn reddende hand trekt hem uit de golven. Als een vis door de Visser gevangen. In hem groeit het geloof dat deze Jezus de Messias, de Christus, de Zoon van de levende God is.

  

Maar de onverwachte carrièreswitch van Petrus pakt verkeerd uit. Eerst is er die ontluisterende Pesachmaaltijd. Jezus breekt het brood en schenkt de wijn. Hij betrekt dat op Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed. Daarna is er die duistere nacht van witte donderdag op goede vrijdag. Jezus wordt gevangen genomen. Petrus ziet zichzelf nog staan bij het kolenvuurtje op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester. Hij hoort de haan drie keer kraaien. Afgrijselijk geluid. Hij ziet vanuit de verte hoe het kruis wordt opgericht. Hoe Jezus sterft op Golgotha. Hij hoort de laatste kreet door merg en been gaan. Daarna volgt de stilte van de zaterdag. Maar in het hart van Petrus stormt het die dagen en die nachten.

 

Wat daarna gebeurt, als het morgenlicht aanbreekt, is onbeschrijfelijk. Niet te geloven, als Petrus het niet met eigen ogen had gezien. Een leeg graf. Opgerolde doeken. Het goede nieuws: de HEER is waarlijk opgestaan. Hij heeft Hem Zelf ontmoet. Jezus is hem en zijn vrienden verschenen. Onvergetelijke ontmoetingen met de Opgestane HEER. Hij was het echt, al was Hij anders. Bijna onherkenbaar met Zijn opstandingslichaam. De dood ontstegen. De dood voorbij.

 

 Daarna wordt het weer stil. De wereld draait door, alsof er niets gebeurd is. Dagen gaan voorbij. Daar zit je dan met je ziel onder je arm. Hoe nu verder? Stil blijven afwachten? Dat is geen optie voor een man als Petrus. Dan ga je piekeren, twijfelen. ‘Is het wel echt waar? Klopt het wel? Houd ik mezelf niet voor de gek? Is het geen wensdroom? Een dode kan toch niet herleven? Hoe houd ik het vast, dat geloof van mij?’.

  

Eerst maar eens terug naar Galilea. De laatste opdracht die Jezus heeft gegeven: ‘Ik zal jullie voorgaan naar Galilea’. Aan de oever van het meer vindt Petrus zijn familie terug. En als echte visser kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Hij ruikt de lucht van Tiberias. De geur van riet en water. De geur van vers gevangen vis op de Kapernaümse markt. ‘Ik ga vissen’, zegt hij. ‘Ik ga weer aan het werk’

  

Werk, arbeid – het heeft twee kanten. De voorkant van Genesis 1; de keerzijde van Genesis 3. In Genesis 1 zet God de HEER de mensen aan het werk in Zijn schepping. Als vissers, landbouwers, veehouders. Als bakkers, slagers en groenteboeren. Als aannemers, leraren en bouwvakkers en wat dies meer zij. Aan de slag op de aarde. ‘Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen’, spreekt de HEER. Arbeid als een van God gegeven opdracht. Een schone taak, waarvoor de Schepper je heeft geschapen. God heeft ons handen gegeven om uit de mouwen te steken. Een verstand om te gebruiken. Wat ben je dan goed af, als je elke dag fluitend naar je werk kunt gaan. Als je een leuke betaalde baan hebt of mooi onbetaald vrijwilligerswerk. Je mag de Schepper een handje helpen om de wereld wat mooier te kleuren. Je mag een steentje bijdragen aan de opbouw van kerk en maatschappij. Dan heb je als mens je bestemming gevonden.

  

Maar de keerzijde van arbeid komt ook om de hoek kijken. De gevolgen van de zondeval. Mensen gaan eigen wegen. Ze dienen alleen hun eigen belang. Ze vergeten God en hun medemens. Zo eten ze van de vrucht die God verboden heeft. Er komt een vloek over de akker te liggen. Werken wordt zwoegen. Arbeid wordt een noodzakelijk kwaad of een loodzware last. ‘Zweten zul je voor je brood – totdat je terugkeert tot de aarde’. Tot je erbij neervalt.

 

Anne-Marie heeft het ondervonden. Het werd haar teveel. Ze is bezweken onder de zware last van al wat van haar geëist werd. Ze kon niet meer – donkere maanden lang heeft het geduurd, tot ze kon zeggen: ‘Ik ga het weer proberen’.   

  

‘Ik ga vissen’, zegt Petrus. Samen met zijn 6 collega’s maken ze die nacht weer beide kanten mee. Vloek en zegen van de arbeid. Heerlijk in de buitenlucht vanuit het bootje op het meer. Als vanouds netten uitwerpen. Vakmanschap is meesterschap. Maar uiteindelijk de bittere pil: niets vangen. Nutteloze arbeid. Het levert niets op. Hard ploeteren, niets vangen, niets verdienen. Langzaam maar zeker je bedrijf achteruit zien boeren. Langzaam maar zeker merken dat het werk je opslokt. Dat je eraan onder door gaat. Overspannen raakt. Burn out.

 

En dan wordt het wéér morgen. Een nieuwe Paasmorgen. Aan de oever staat een Man. Typerend voor Jezus: daar staat hij vaker. Aan het randje. Aan de kant. Aan de zijlijn van het leven. Als de allerbeste stuurman aan de wal. Hij geeft instructies: Het moet anders. Het net moet naar de andere kant. Het roer moet om in je leven. Heb je naaste lief als jezelf. Heb je vijanden lief. Vertel het aan de mensen wie leven geeft. Zo word je mensenvisser. Gehoorzaam aan Zijn geboden. Je zult merken dat je tot je bestemming komt. Zoals God je heeft geschapen. Met Hem aan het roer van je schip, heb je de wind in de zeilen. Zijn Heilige Geest blaast je waarheen Hij wil.

 

Maar als werken zwoegen wordt en arbeid een last, wacht Hij je op aan de waterkant. Als je aan lager wal raakt of aan de kant gezet wordt, is Hij daar ook. Om je bij te staan en op te vangen. Om je eruit te redden als je dreigt te verdrinken.

  

In de donkere tijd van Anne-Maries leven was er nog iets, waar ze steun bij vond: haar geloof. Het heeft even geduurd, maar het komt boven drijven. Ze ontdekt opnieuw de waarde van dat wat ze van huis uit meegekregen heeft. De christelijke opvoeding die haar ouders haar hebben gegeven. Dat God er is – juist als je het moeilijk hebt. Als het stormt in je leven. Als je op de harde oever wordt gesmeten. Dan staat Jezus daar. Om je op te vangen.

 

Als haar man aan het werk is en hun kind slaapt, speelt Anne-Marie haar ‘playlist religion’ van Spotify af. Daar staat van alles op. Van Bach tot Opwekking. Oude Psalmen, nieuwe liederen. Vaak stromen de tranen over haar wangen. Het helpt. Het lucht op. Langzaam maar zeker begint de zon weer te schijnen.

 

Jezus verschijnt op de oever. Hij staat daar als de Levende. Je herkent Hem niet direct. Je weet niet meteen dat Hij er is. Zoals Petrus en de anderen Hem niet direct herkennen. Jezus is Dezelfde, maar toch Anders. Totdat ze weer bij Hem aan tafel zitten. Als ze met hun overvolle visnet aan land komen, zit Jezus hen al op te wachten. Bij een kolenvuurtje. Voor Petrus een pijnlijke déja-vu. Het vuurtje ruikt nog naar verloochening. Maar Jezus heeft brood en vis voor hen. De grote vissen die ze zelf hebben gevangen, mogen ze ook zelf houden. Zelf verkopen op de markt van Kapernaüm. Handel drijven. Geld verdienen. Brood op de plank. Werken om anderen te dienen en je eigen brood te verdienen. Ze tellen, ze tellen tot 153. 153 grote vissen. Een prachtig getal. 153 is een bijzonder getal. Een volmaakt getal. Voor de puzzelaars onder ons: 153 is de som van de getallen één tot en met 17. Het zeventiende zogenaamde driehoeksgetal. Het duidt op volmaakte overvloed. Jezus zorgt ervoor. Eenvoudige vissers aan het meer zullen dit hemelse knipoogje waarschijnlijk niet opgemerkt hebben. Zij tellen gewoon tot 153. Tel uit je winst! Zij voelen zich de kampioenen. Hun arbeid is rijk gezegend. Hun visvangst is méér dan geslaagd. Hun leven krijgt nieuwe glans dankzij de HEER. Hij geeft overvloed. Hij geeft bovenal zichzelf als brood en vis. Hij is het levende brood, Hij is de vis – Jezus Christus, Zoon van God, Redder.

 

 In de duistere nacht van haar leven heeft Anne-Marie gezwoegd met tegenwind. Ze heeft gevochten tegen hoge golven. Ze heeft gestaard in de zinloze leegte van haar levensschip. Maar ze heeft ook ontdekt dat de Opgestane HEER aan de oever op je wacht.

 Laten ook wij Hem nooit uit het oog verliezen. Hij staat ook bij onze waterkant. Met Zijn hulp in bange dagen en Zijn ‘werk aan de winkel’. Hij gaat ons voor in licht en vuur. Gunt aan ons leven rust en duur en geeft het zin en samenhang. Zing voor de HEER een nieuw gezang.