Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


Weer aan het werk

Kerkdienst na Pasen 15 april 2018
Lezingen: Genesis 1: 26-28; Genesis 3:17-19 en Johannes 21:1-13

Link naar geluidsopname van deze kerkdienst

 

“Ik ga vissen” “Wij gaan met je mee” (Johannes 21:3)


Anne-Marie gaat weer aan het werk. Anne-Marie is een zelfbewuste jonge vrouw. Ooit was ze een veelbelovend toptalent aan de universiteit. Afgestudeerd in de economie. Met dit papiertje op zak het bedrijfsleven ingestapt. Dat ging voorspoedig. Voor haar capaciteiten is altijd plek op de financiële afdeling van een groot bedrijf. Ze heeft het er goed naar haar zin. Zeker omdat er op het bedrijf voldoende ontplooiingsmogelijkheden zijn. Haar CV vult zich met steeds hogere functies. Tegelijk raakt ook haar agenda steeds meer gevuld. Zeker als zij en haar man gezinsuitbreiding krijgen. Het kleine kereltje dat hun wordt gegeven is een bron van levensvreugde. Tijdens het zwangerschapsverlof wel te verstaan. Daarna blijkt de combinatie van zorg voor je kind én een drukke baan niet goed te combineren. Hoewel ook haar man zijn deel van de zorgtaken op zich neemt wordt het haar toch teveel. Na een half jaar ploeteren gaat het helemaal mis. Chronische vermoeidheid. Huilbuien. Slecht slapen. Alle symptomen wijzen dezelfde kant op. ‘Diagnose: Burn out’. Zo klinkt het voor het eerst uit de mond van haar huisarts. Niet veel later moet ook de ARBO-arts hetzelfde vaststellen. Vele maanden zit ze thuis. Ze wil daar niet teveel meer over kwijt. Het zijn de donkerste maanden van haar leven. In die tijd is er één ding, waar ze steun bij vindt: haar geloof. Ze ontdekt de waarde van dat wat ze van huis uit meegekregen heeft. De christelijke opvoeding die haar ouders haar hebben gegeven. Dat God er is – juist als je het moeilijk hebt. Als het stormt in je leven. Als haar man aan het werk en hun kind in de crèche is, speelt ze haar ‘playlist religion’ van Spotify af. Daar staat van alles op. Van Bach tot Opwekking. Vaak stromen de tranen over haar wangen. Het helpt. Het lucht op. Langzaam maar zeker begint de zon weer te schijnen. Het moment komt, dat ze tegen zichzelf zegt: ‘Kom op, laat ik maar weer eens proberen aan het werk te gaan’.

‘Ik ga maar weer eens aan het werk’, zegt Petrus. Petrus wil weer gaan vissen. Hij is visser. Of moet je zeggen: hij wás visser. Want het is al een fiks aantal maanden, een paar jaar geleden zelf, dat Petrus een visnet heeft aangeraakt. Hij is uit het vissersvak geraakt toen Jezus langs het water liep en hem en zijn broer Andreas riep. Zo maar, zonder praten, hebben ze hun netten verlaten. Jezus zei: ‘Visser van mensen zal Ik je maken. Mensenvisser moet je worden. Daar ga ik je bij helpen. Daar ga ik voor zorgen’. Het werd een onvergetelijk mooie tijd. Hij, eenvoudige visser uit Galilea, gaat met nog 11 anderen achter rabbi Jezus aan. Ze leren Hem kennen als Genezer, Verteller, maar vooral als steun en toeverlaat. In hen groeit het geloof dat deze Jezus de Messias, de Christus, de Zoon van de levende God is. In de storm op zee blijkt Jezus’ macht. Petrus wordt zelfs een keer letterlijk door Jezus uit het water gehaald. Zijn reddende hand trekt hem uit de golven. Als een vis door de Visser gevangen. Een paar rijke mannen en vrouwen, die Jezus goedgezind zijn, zorgen in die tijd voor natje, droogje en onderdak. Als de nood aan de man komt zorgt Jezus Zelf voor broden en vissen.

Maar de onverwachte carrièreswitch van Petrus pakt helaas verkeerd uit. Eerst is er die ontluisterende Pesachmaaltijd. Jezus breekt het brood en schenkt de wijn. Maar Hij betrekt het op Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed. Daarna in de duistere nacht van witte donderdag op goede vrijdag gaat het helemaal mis. Met Jezus en met Petrus. Hij ziet zichzelf nog staan bij het kolenvuurtje op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester. Hij hoort de haan nogmaals drie keer kraaien. Afgrijselijk geluid. Hij ziet nog vanuit de verte hoe het kruis wordt opgericht. Hoe Jezus sterft op Golgotha. Hij hoort de laatste kreet, die door merg en been gaat. Daarna volgt  de stilte van de zaterdag. Maar in het hart van Petrus stormt het die nacht.

Wat er daarna gebeurt als het morgenlicht aanbreekt is onbeschrijfelijk. Niet te geloven eigenlijk, als hij het niet met eigen ogen gezien had. Een leeg graf. Opgerolde doeken. Het goede nieuws: de HEER is waarlijk opgestaan. Hij heeft Hem Zelf ontmoet. Jezus is hem en zijn vrienden verschenen. Meerdere malen zelfs. Onvergetelijke ontmoetingen met de Opgestane HEER. Hij was het echt, al was Hij anders. Bijna onherkenbaar met Zijn opstandingslichaam. De dood ontstegen. De dood voorbij.

Maar daarna wordt het weer stil. De wereld draait door. Alsof er niets gebeurd is. Dagen gaan voorbij. En daar zit je dan met je ziel onder je arm. Hoe nu verder? Stil blijven afwachten is geen optie voor een man als Petrus. Dan ga je piekeren, twijfelen. ‘Is het wel echt waar? Klopt het wel, dat geloof van mij? Houd ik mezelf niet voor de gek? Is het geen wensdroom die de nachtmerrie moest verdrijven? Een dode kan toch niet herleven? Hoe houd ik het vast, dat geloof van mij?’.

Wel, eerst maar eens terug naar Galilea. De laatste opdracht die Jezus heeft gegeven: ‘Ik zal jullie voorgaan naar Galilea’. Ze gaan – met zeven man. Aan de oever van het meer vindt Petrus zijn familie terug. En als echte visser kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Hij ruikt de lucht van Tiberias. De geur van riet en water. De geur van vers gevangen vis hangt op de Kapernaümse markt. ‘Ik ga vissen’, zegt hij. ‘Aan het werk’

Werk, arbeid – het heeft twee kanten. De voorkant van Genesis 1; de keerzijde van Genesis 3. In Genesis 1 zet God de HEER de mensen aan het werk in Zijn schepping. Als vissers, landbouwers, veehouders. Als bakkers, slagers en groenteboeren. Als aannemers, leraren en bouwvakkers en wat dies meer zij. Aan de slag op de aarde. ‘Heers over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt’, spreekt de HEER. Arbeid is een van God gegeven opdracht. Een schone taak, waarvoor de Schepper je heeft geschapen. God heeft ons handen gegeven om uit de mouwen te steken. Een verstand om te gebruiken. Een koninklijke taak. Wat ben je goed af, als je dan elke dag fluitend naar je werk kunt gaan. Als je een leuke betaalde baan hebt of wellicht een mooie onbetaalde vrijwilligerstaak. Je mag de Schepper een handje helpen om de wereld wat mooier te kleuren. Dan heb je als mens je bestemming gevonden. Maar de keerzijde van arbeid komt helaas ook om de hoek kijken. De gevolgen van de zondeval. Dat mensen eigen wegen gaan, alleen hun eigen belang dienen, God en hun medemens vergeten en eten van de vruchten die God verboden heeft. Dan komt er een vloek over de akker te liggen. Werken wordt zwoegen. Noodzakelijk kwaad. ‘Zweten zul je voor je brood – totdat je terugkeert tot de aarde. Totdat je erbij neervalt’.

‘Ik ga vissen’, zegt Petrus. Samen met zijn 6 collega’s maken ze die nacht weer beide kanten mee. Heerlijk in de buitenlucht je werk doen vanuit dat bootje op het meer. Je netten uitwerpen. Vakmanschap is meesterschap. Maar uiteindelijk de bittere pil: niets vangen. Nutteloze arbeid. Het levert niets op. Hard ploeteren, niets verdienen. Langzaam maar zeker je bedrijf achteruit zien boeren. Langzaam maar zeker merken dat het werk je opslokt. Dat je eraan onder door gaat. Overspannen raakt. Burn out.

Dan wordt het weer morgen. Aan de oever staat een Man. Typerend voor Jezus: daar staat hij vaker. Aan het randje van het leven. Aan de zijlijn. Als de allerbeste stuurman aan de wal geeft Hij instructies: Het net moet naar de andere kant. Het roer moet om in je leven. Heb je naaste lief als jezelf. Heb je vijanden lief. Vertel aan de mensen wie leven geeft, dat Jezus leeft. Zo word je mensenvisser. Gehoorzaam aan Zijn geboden. Je zult merken dat je tot je bestemming komt. Zoals God je heeft geschapen, zoals Hij het heeft bedoeld. Met Hem aan het roer van je schip, heb je de wind in de zeilen. Zijn Heilige Geest blaast je waarheen Hij wil.

Maar als werken zwoegen wordt en arbeid een last, wacht Hij je op aan de waterkant. Om je bij te staan en op te vangen. Om je eruit te redden als je dreigt te verdrinken. Hij staat daar als de Levende. De zeven leerlingen herkennen Hem eerst niet. Dezelfde, maar toch Anders. Totdat ze uiteindelijk weer bij Hem aan tafel zitten. Want als ze met hun overvolle visnet aan land komen, zit Jezus hen al op te wachten. Met brood en vis. Bij een kolenvuurtje. Voor Petrus een pijnlijke déja-vu. Het vuurtje ruikt voor hem naar verloochening. Maar Jezus heeft brood en vis voor hen. De grote vissen die ze zelf hebben gevangen, mogen ze ook zelf houden. Zelf verkopen op de markt van Kapernaüm. Handel drijven. Geld verdienen. Brood op de plank. Om anderen te dienen. Ze tellen, ze tellen tot 153. 153 grote vissen. Een prachtig getal. 153 is een bijzonder getal. Een volmaakt getal. Voor de puzzelaars onder ons: 153 is de som van de getallen één tot en met 17. En het zeventiende zogenaamde driehoeksgetal. Eenvoudige vissers aan het meer zullen dit hemelse knipoogje waarschijnlijk niet opgemerkt hebben. Zij tellen gewoon tot 153. Zij voelen zich de kampioenen. Hun arbeid is rijk gezegend. Hun visvangst is méér dan geslaagd. Hun leven krijgt nieuwe glans dankzij de HEER. Hij geeft overvloed. Hij geeft bovenal zichzelf als brood en vis. Hij is het levende brood, Hij is de vis – Jezus Christus, Zoon van God, Redder.

In de duistere nacht van haar leven heeft Anne-Marie gezwoegd met tegenwind. Ze heeft gevochten tegen hoge golven. Ze heeft gestaard in de zinloze leegte van haar levensschip. Maar ze heeft ook ontdekt dat de Opgestane HEER aan de oever op je wacht. Ze heeft Hem herkend als haar Levende HEER. Ze is daarom diep dankbaar voor haar opvoeding

Laten ook wij Hem nooit uit het oog verliezen. Je kunt Hem leren kennen. Je kunt Hm leren HER-kennen. Anderen kunnen je ogen voor Hem openen. Zodat je Hem ziet staan op de oever van je leven en Hij roept: 'Volg Mij'. 

 

Hij gaat ons voor in licht en vuur. 

Gunt aan ons leven rust en duur 
en geeft het zin en samenhang. 
Zingt voor de HEER een nieuw gezang.