Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

"Wat kom jij doen?"

Kerkdienst op 17 maart 2019 (Intrede te en verbintenis aan Nijverdal)
Schriftlezingen: Deuteronomium 6:4-9 en 1 Petrus 1:3-13 

“Omgordt dus de lendenen van uw verstand, weest nuchter, en vestigt uw hoop volkomen op de genade, die u gebracht wordt door de openbaring van Jezus Christus” (1 Petrus 1:13, NBG-1951)

 Als je ergens als vreemde binnenkomt is een voor de hand liggende vraag: ‘Wat kom jij doen?’ In de paar dagen dat we nu in Nijverdal wonen, heb ik die vraag nog niet gehoord. Er is nog niemand naar mij toe gekomen met de vraag: ‘Wat kom je doen?’. Dat is niet zo gek natuurlijk. Ik heb hier nog niet zoveel mensen ontmoet. De meeste mensen die we tot nu toe hier tegen zijn gekomen hebben ons fijn op weg geholpen. Met de verhuizing, met onze nieuwe woonplek en – niet te vergeten – met de tuin rondom de pastorie. Onder de koffie in de keuken kwam het daarbij tot leuke gesprekken. Maar de vraag ‘Wat kom je hier eigenlijk doen?’ is me niet gesteld. Misschien denk je nu: ‘Dat is ook logisch. Het is een domme vraag. We weten toch wat jij in Nijverdal komt doen? Jij wordt hier de nieuwe dominee! Vandaag word je verbonden aan de Protestantse Gemeente’. Maar – ik geef nog niet op – wat houdt dat dan in: ‘dominee zijn’? Heb je enig idee? Wat staat een dominee te doen? Wat heeft de predikant voor taak? Waar houdt hij of zij zich mee bezig? En vooral: wat doet het ertoe? Waar is het goed voor?’ . Als we even verder kijken dan onze neus lang is, is dát niet zo’n domme vraag. In onze tijd en onze maatschappij is namelijk het bestaan van de kerk en dus het beroep van de dominee allerminst vanzelfsprekend. Heeft wat wij als kerk doen wel nut? Kunnen we niet beter ophouden met al het kerkenwerk? Kunnen we niet allemaal beter iets anders gaan doen? Iets nuttigs, iets goeds, iets opbouwends?

Wat doe ik? Waar ben ik mee bezig? Ik leid kerkdiensten, ik bedien de doop en het Avondmaal, ik preek, ik bezoek mensen, ik leid gespreksgroepen, ik probeer de jongeren bij de kerk te houden… Maar waarom? Wat DOET het ertoe? Zet het zoden aan de dijk?

In de tekst die ik vanmorgen voor deze gelegenheid heb uitgekozen vind ik een antwoord. Het is dus de tekst die ik ooit meekreeg bij mijn belijdenis. In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951. In die vertaling komen we een ouderwetse uitdrukking tegen. ‘Omgordt dus de lendenen van uw verstand’. De Nieuwe Bijbelvertaling die we tegenwoordig gebruiken vindt dat teveel van het oude. Daar staat: ‘Wees voortdurend paraat’. Dat is begrijpelijke taal. Een moderne lezer begrijpt niets van zo’n uitdrukking. Maar als dominee word je geacht even verder te kijken dan je neus lang is. ‘De lendenen omgorden’ is een beeld uit het antieke leven gegrepen. Ik heb er een plaatje bij gevonden dat hopelijk nú in beeld kan worden gebracht. Het lange gewaad, de jurk, die de antieke oosterling droeg, was wél mode, maar niet altijd handig. Niet handig als je aan het werk moet. Als je als soldaat de strijd aangaat. Als je als sporter een hardloopwedstrijd gaat lopen. Dan kun je beter korte metten maken met dat lange kleed. Dus stroop je het met een beetje handigheid omhoog. Je sjort het netjes vast met je riem, je gordel. Je ‘omgordt jezelf’. Een beeld dat in de Bijbel meerdere keren gebruikt wordt. Steeds om duidelijk te maken dat je als gelovige in beweging moet komen. Niet stil blijven staan. Aan de slag gaan. Desnoods de strijd aangaan. Dus klaar, goed voorbereid, paraat staan! Ready to go. Ready for action. Klaar voor de start! Dat wordt in de tekst nog goed onderstreept met de woorden ‘Weest nuchter’. ‘Nuchter zijn’ is ‘wakker zijn’. Niet in slaap vallen. Niet dronken of beneveld zijn. Bij de les blijven. Gefocust. Geconcentreerd op wat God van ons vraagt. Op wat de medemens nodig heeft. Altijd bereid om verder te gaan. Door te gaan. Desnoods andere wegen in te slaan. Je omkeren, je bekeren. Dat is de bedoeling. Kerk is altijd ‘kerk in actie’. Kerk in beweging. Missionair – gericht naar buiten, naar de wereld om ons heen. Diaconaal – Helpen waar geen helper is. Pastoraal – een luisterend oor, een schouder om op uit te huilen, de uitgestoken hand… Dat staat ons te doen – als gemeente. Dus ook als predikant. Dus: Steek je handen uit de mouwen! Stroop je mouwen op! Ga ervoor! D’ran!

Dat is: je lendenen omgorden.

Maar nu voegt Petrus er nog een woordje aan toe – het woordje ‘verstand’. Hij spreekt over de lendenen, de heupen van het verstand omgorden. Het verstand moet dus in actie komen. Je moet ruimte maken voor je verstand. Bewegingsvrijheid voor je brein.

Nu staat dat verstand er in de kerk niet al te best voor. Buiten de kerk wel. Boeken over ‘ons brein’ zijn razend populair. Hersenonderzoekers als Dick Swaab en Erik Scherder hebben een groot aandachtig publiek. Ze vertellen ons hoe fascinerend onze hersenen in elkaar zitten. Volgens Swaab is ons brein zelfs alles wat we zijn. Onze grijze cellen bepalen ons hele doen en laten. ‘Wij zijn ons brein’.

Maar in de kerk is dat soort literatuur niet zo geliefd. Het maakt ons zelfs onzeker. Geloof en verstand staan bij ons vaak tegenover elkaar. Geloven is bij ons eerder ‘verstand op nul en blik op oneindig’. Je moet je verstand uitschakelen als je wilt geloven. Geloven doe je in de kerk. Denken en zeker weten op je werk of op school. In de kerk draait het toch veel meer om gevoel? Je ervaart iets. Je wordt geraakt. Je raakt ergens enthousiast over. Zonder dat je het kunt verklaren. We hebben zelfs een hekel aan gelovigen die alles zo zeker weten. Die het geloof als een boekje regels in hun broekzak lijken te hebben. Wee degene, die in HUN ogen af durft te wijken van de rechte leer!

Nee, verstand en geloof lijken geen vrienden te zijn. En toch zegt Petrus: ‘Omgordt dus de lendenen van uw verstand’. Met andere woorden: zet bij het geloof het verstand niet buitenspel. Geef het alle ruimte. Blijf niet oppervlakkig, maar steek af naar de diepte. Denk maar door. Doordenk alle dingen. Als het inderdaad zo is, dat de HEER de God van hemel en aarde is, hoef je daar echt niet bang voor te zijn. Ook ons verstand is door Hem geschapen. De Schepper heeft ons het vermogen gegeven om ons verstand te gebruiken. God liefhebben doe je met hart en ziel én met je verstand. Dat is het grote gebod.

Dat is dus ook wat ik, wat de dominee, komt doen. Hij (zij) heeft ervoor geleerd. Een predikant is met een ouderwets woord ook een ‘Godgeleerde’. Hij weet het één en ander over God. Of beter gezegd: Hij weet het één en ander over Gods werk. Wat God doet, gedaan heeft en zal doen. Petrus heeft dat in het gedeelte dat wij hebben gelezen eerst beschreven. Hij spreekt dan vooral over de dood en opstanding van Jezus Christus. Die dood van Jezus is onze redding. De opstanding van Christus geeft ons hoop. ‘Door de opstanding van Jezus Christus uit de dood heeft God de Vader ons opnieuw geboren doen worden’. Eenmaal zal dat openbaar worden. Eens zal blijken dat de HEER ons genadig is.

Een predikant is ertoe geroepen om dát vooral te doordenken. Telkens weer. Je raakt er nooit over uit gedacht.

Als jij dus binnenkort over de Oranjestraat fietst of wandelt, kun je mij regelmatig zien zitten. In de kamer op de hoek van de Frederik Hendrikstraat. Ik zit met mijn neus in de boeken. Ik tuur aandachtig naar mijn computerscherm. Je weet nu wat ik dan aan het doen ben. Ik heb ‘de lendenen van het verstand omgord’. Ik sta paraat om de woorden van Gods Geest tot mijn geest te laten doordringen. Maar denk niet, dat dit alleen iets is voor dominees. Wat ik hier kom doen is ook: U, jou, jullie wakker proberen te houden. Bij de les. U paraat te laten staan. Jullie zover te krijgen dat ook jullie de lendenen van je verstand omgorden gaan. Om met mij mee te denken. Te overdenken wat de HEER voor ons doet. Nee, niet alleen denken. Ook voelen en ervaren. Nee, niet alleen voelen en ervaren. Vooral ook in actie komen. Samen als gemeente geraakt worden door die blijde boodschap van Christus’ opstanding. Die hoopvolle boodschap: dat het nieuwe leven met God niet meer kapot te krijgen is. Dat de getergde hemel en de geteisterde aarde eenmaal stralend en puur zullen zijn. Dat wij eenmaal Jezus Christus in volle glorie zullen begroeten.

Dat hoopvolle bericht doordenken en dat doorgeven – dat wil ik doen. Dat mogen wij samen doen.