Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

'Wat bezielt je?'

Kerkdienst op 6 september 2020 

Roos en Jedy ontvangen de Heilige Doop  

Schriftlezingen: Spreuken 3:1-8; Matteüs 19:13-15

Daarop brachten de mensen kinderen bij hem, ze wilden dat hij hun de handen zou opleggen en zou bidden. Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij mij te komen, want het koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’ En nadat hij hun de handen had opgelegd, trok hij weer verder.


‘Wat bezielt je?’. Die vraag zou ik willen stellen aan de personen die vanmorgen voor het voetlicht treden. In het gelezen Bijbelgedeelte, maar ook hier in de kerk. Wat bezielt jullie, die hier aanwezig zijn? Als kerkgangers, als luisteraars en kijkers thuis. Waarom neem je de moeite om hierheen te komen? Waarom ga je er op deze zondagmorgen thuis eens goed voor zitten om deze kerkdienst te bekijken of beluisteren? En wat, lieve doopouders, Miranda, Anouk, Richard en Ilona, wat bezielt JULLIE? Om vandaag niet alleen zelf, maar juist ook met jullie kinderen hier te verschijnen, met Roos en Jedy? Hier in dit ‘huis van de HEER’. Hier in deze kerk, waarvan we geloven dat we er God kunnen ontmoeten. Waarvan we geloven, dat Jezus er is, omdat wij met twee of drie in Zijn Naam bij elkaar zijn. Wat bezielt jullie dus om naar Jezus te gaan? Om je kinderen naar Jezus te brengen?

Die vraag wil ik ook stellen aan de ouders uit het Bijbelgedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben. ‘Ouders’ zeg ik opzettelijk. Als je schilderijen of tekeningen bij dit Bijbelgedeelte bekijkt, zijn het meestal moeders die hun kinderen bij Jezus brengen. Nou, laat duidelijk zijn: het kunnen even zo goed vaders zijn geweest. Het evangelie is hier ‘genderneutraal’. We kunnen zelfs nog een stapje verder gaan. Want er staat zelfs niet dat ‘ouders’ kun kinderen naar Jezus brengen. Misschien zijn er dus ook wel grootouders bij. Of andere familieleden of goede vrienden. 

Maar goed, laten we eens aan één van hen vragen, waarom ze hier zijn. Voor het gemak kies ik dan toch maar een moeder uit. We stappen het verhaal binnen om haar te vragen: ‘Wat bezielt jou om je kind naar Jezus te brengen?’. Maar voordat ik de kans krijg mijn vraag te stellen is een ander mij voor. Het is één van de leerlingen van Jezus. Met dezelfde vraag, maar dan niet uit belangstelling gesteld: ‘Wat bezielt je?’, schreeuwt hij boos tegen de beduusde moeder… ‘Hoe durf je? Hoe waag je het in hemelsnaam om de kostbare tijd van deze belangrijke rabbi op te eisen? Denk je dat Jezus niets beters te doen heeft dan zich met kinderen te bemoeien? Daar heeft Hij geen tijd voor. Hij heeft alle aandacht nodig voor ingewikkelde gesprekken en theologische discussies. Niets voor kinderen, dus maak dat je wegkomt!’. Zo verhinderen de leerlingen dat kinderen bij Jezus in de buurt kunnen komen. 
‘Wat bezielt je’. Wellicht wordt het ons zó ook wel eens gevraagd. Als wij zeggen dat wij in God geloven. ‘Wat bezielt jou om naar de kerk te gaan? Wat bezielt je om nog te geloven? Wat bezielt je om met je kind naar de kerk te komen om het te laten dopen? Waarom die tijd, die moeite? Verspilde tijd, verloren moeite, toch?’.  

Ik zie dat de moeder die ik wil aanspreken teleurgesteld afdruipt. Flink geschrokken door de felle aanval van die agressieve leerling. Met haar kind op de arm, maakt ze rechtsomkeert. Ik loop achter haar aan en stel tóch maar die vraag: ‘Zeg, wat bezielt je?’. Ze draait zich om, kijkt mij in de ogen. Ik zie haar schrik, haar teleurstelling… Maar ze ziet ook dat ík het goed bedoel. ‘Wil je echt weten, wat mij bezielt?’, vraagt ze. Ik knik. Zij drukt haar kindje stevig tegen zich aan. ‘Weet je’, zegt ze, ‘dit is mijn kind. Het liefste dat ik heb. Voor mij een geschenk uit de hemel. Ik kan me niets mooiers voorstellen dan dit. Kostbaar als een parel, die ik ontvangen heb uit Gods hand. Ik geloof in het wonder van nieuw leven. Ik weet niet, wat leven is, alleen dat het gegeven is. MIJ gegeven. ONS gegeven. Kostbaar, maar ook zo kwetsbaar. Er kan van alles gebeuren. Ik houd mijn hart vast voor mijn kleintje. Als moeder, als vader, als ouder, als grootouder, ben je bezorgd. Je kind kan ziek worden. Haar kan iets overkomen. Het kan in haar leven het spoor bijster raken. Op het verkeerde pad terecht komen door foute vrienden. Als het maar goed komt. Al het dit kind maar goed mag gaan. Daar heb ik alles voor over. Als Joodse ouders hebben wij goddank wijze levenslessen meegekregen. Van ónze ouders, onze voorouders. Bijvoorbeeld die woorden uit het Spreukenboek. Wijze lessen, die je meekrijgt om ze op jouw beurt weer aan je kinderen door te geven. ‘Mijn zoon, mijn dochter, vergeet mijn lessen niet’. Vergeet niet wat werkelijk belangrijk is in het leven: ‘dat liefde en trouw je nooit verlaten’. En: ‘Vertrouw op de HEER met heel je hart’. Drie zaken van levensbelang – liefde, trouw, vertrouwen. We hopen, we bidden dat ons kind die normen en waarden als het ware ‘om haar hals zal binden en in haar hart zal schrijven’. We hopen, we bidden, dat ze vertrouwen mag hebben – in de toekomst, in ons, in God. Maar we hebben dat niet in de hand. We hebben ons kind niet in de hand. We kunnen het opvoeden, bij de hand nemen, leren lopen, maar moeten haar ook loslaten. Ze moet eigen wegen gaan. Zelf keuzes maken. Hoe ‘link’ dat ook is. Dus zoeken we iets, dat ons helpen kan. We zoeken Iemand, die ons kind bewaren kan. Iemand voor wie ons kind even waardevol is als voor ons. Iemand ook die méér kan dan wij kunnen. Iemand met stevige handen, eeuwige armen. Die ons kind kan bereiken, als wij er niet meer bij kunnen. Iemand die kan helpen, als het voor ons hopeloos verloren is. Een Redder, een HEER, die sterker is dan de dood. 
Tja, en nu dacht ik zo iemand gevonden te hebben. In Jezus… Alle verhalen die ik over Hem gehoord heb, vertelden me dat Hij is als God. Barmhartige, liefdevol. Vol passie voor kleine mensen. Zoals God, de HEER die ons dit kind geschonken heeft. Maar… helaas. Jezus heeft het te druk. Hij heeft toch geen oog voor het kleine… Jammer, ik heb me vergist…’.  

Ze stopt met praten. Ze slikt. Ik zie de tranen in haar ogen branden. Ze slaat haar ogen neer. Het wordt stil. Maar dan, plotseling, die stem. Het woord uit Zijn mond. Toen, daar, zoals het hier, nu klinkt. In haar oren, in onze oren. Zoals het straks te horen zal zijn. Te zien zelfs. In het water van de doop. Een paar druppels water op een kinderhoofdje. De Heilige Doop als teken namens God – in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Sprekend teken van wat de HERE God wil zeggen: Kom maar bij mij, want je hoort bij mij. Je bent van Mij. Ik zal met je zijn en met jouw kind. Voor altijd, Voor eeuwig. In het spoor van liefde en trouw. Met vertrouwen het leven door. ‘Laat de kinderen tot Mij komen. De poorten van Mijn Rijk staan voor hen open. En ook jij mag als een kind bij Mij binnen lopen’.