Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

WACHTERS OP DE MUREN
kerkdienst 18 december 2022
Het Centrum te Nijverdal


“Jeruzalem, ik heb wachters op je muren gezet die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht. Jullie die de HEER aanroepen, gun jezelf geen rust en gun hem evenmin rust, totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft gegrondvest” 
(Jesaja 62:6-7)

Wat kom je doen? Wat kom je hier vanmorgen doen? Waarom ben jij hier gekomen? Hier in de kerk of op dit moment verbonden met de kerkdienst in je huiskamer? Vanmorgen, zondagmorgen, 9.30 uur. Waarom juist nu? Ik bedoel: er zijn in de afgelopen en komende dagen veel meer gelegenheden om je geloof te beleven en te vieren? Bijeenkomsten en evenementen die veel feestelijker en sfeervoller zijn dan deze kerkdienst. Er wordt namelijk al volop kerstfeest gevierd. U heeft vast al een paar kerstvieringen meegemaakt. Volkskerstzang. Ouderenkerstfeest. Kerstconcerten. De kerstboom staat al geruime tijd opgetuigd – thuis en ook hier in de kerk. De kerstsfeer waart al overal rond. Maar nu, hier? Het is geen kerst. Het is een gewone zondag. Adventszondag. Vierde Adventszondag. Vandaag zingen we even niet ‘Stille Nacht’ of ‘ere zij God’. Nog niet. We zingen Adventsliederen. We schakelen terug vanuit de kerstversnelling. Ik vraag: waarom? Waarom zijn we hier? Ben JIJ hier? Je had er voor kunnen kiezen om vandaag, deze kerkdienst maar eens even over te slaan. Even pauze nemen. Je kunt ook teveel van het goede krijgen. Als je dan toch een keer verstek wilt laten gaan, ligt zo’n gewone kerkdienst als vanmorgen voor de hand. Maar je hebt er niet voor gekozen. Je bent er. Waarom? Tien tegen één dat ik het antwoord weet. Verreweg de grootste meerderheid in deze kerk zal antwoorden: ik ben hier omdat ik dat zo gewend ben. Dat is mijn gewoonte. Routine. Discipline. Zondagmorgen – half 10. Vaste prik. Tijd om naar de kerk te gaan of om thuis in te schakelen. Weer of geen weer. Feest of geen feest. Zin of geen zin – ik ga. Uit gewoonte. Als een soort stamgast van het kerkelijk café. Op de afgesproken plaats en tijd.

Vandaag heb ik dan goed gezelschap voor je. Twee mensen die precies zó zijn. Twee soortgenoten. Ze doen er hooguit nog een schepje bovenop. In Jeruzalem, ruim 2000 jaar geleden. Twee oude mensen. Ze heten Simeon en Hanna. Ze komen altijd. Ze zijn er altijd. Ze missen nooit een eredienst. Niet alleen op hoogtijdagen als de tempel uitpuilt van de mensen. Ook op gewone sabbatdagen zijn ze er. Zelfs op doordeweekse dagen. Ze hebben de tijd. Gezien hun leeftijd kunnen ze waarschijnlijk geen deel meer nemen aan het arbeidsproces. Ze hebben beide geen druk gezin meer te verzorgen. Simeon voelt zijn einde naderen. Hanna is al heel lang alleen. Ze is al 84 jaar weduwe.  Hun oude dag vullen ze door regelmatig naar de tempel te gaan. Als het even kan drie keer per dag zijn ze er te vinden. Bij morgen-, middag- en avondoffer – de vaste gebedstijden. Voor het morgen- middag en avondgebed. Dag in, dag uit. Voor de tempel hebben ze tijd. En anders MAKEN ze tijd. Ze willen, zoals in het evangelie staat, ‘dag en nacht God dienen met vasten en bidden’.

Zulke mensen zijn er. Zijn er nog steeds. De profeet Jesaja heeft een mooi woord voor zulke mensen. Hij noemt hen ‘wachters op de muren van Jeruzalem’. Die muren van Jeruzalem: in de tijd dat deze profetie klonk, waren die muren van Jeruzalem niet best. Ooit, tientallen jaren geleden, waren ze verwoest door de Babyloniërs. Vele Judeeërs waren daarna gedeporteerd naar Babel. Ze waren in ballingschap weggevoerd. Toen in 537 voor Christus de eerste ballingen uit Babel terugkeerden naar Jeruzalem troffen ze een gehavende stad aan. Een stad als Rotterdam na het bombardement in 1940. Of Nijverdal na de verschrikkelijke dagen van 1945. Een stad als de steden in de gebieden die door de Oekraïners zijn heroverd. Een geteisterde, in puin geschoten stad – dat was Jeruzalem. In de muren zitten grote gaten en bressen. Ze zien er zwartgeblakerd en vervallen uit. De straten liggen nog bedolven onder het puin. De deuren hangen scheef in de poorten. Veel middelen om op te knappen hebben de bevrijde Joodse teruggekeerden niet. Hun eerste prioriteit is trouwens de tempel. Die moet  weer opgebouwd worden. De Here God gaat voor. Dankbaar voor de vrijheid. Met hernieuwd vertrouwen gaan ze aan de slag.

Maar als dat eerste karwei af is, is de situatie er niet rooskleuriger op geworden. Jeruzalem en het omliggende land ligt in een uithoek van het Perzische Rijk. De Perzische machthebbers, die hun de vrijheid hebben geschonken, zijn ver weg. Rondom Jeruzalem heerst anarchie, wetteloosheid, wanorde. Gewapende bendes en overvallers maken de dienst uit. Ze roven het graan, dat op de velden rondom de stad groeit. Ze pikken de wijn in, nog voordat die goed en wel gerijpt is. De inspanningen op de akkers en in de wijngaarden zijn jaar op jaar tevergeefs. Je werkt voor niets. Hard werken is zinloos. In plaats van een goed leven met eten en drinken is er armoede en gebrek. De vrijheid in eigen vaderland en moederstad moet duur betaald worden. Het nieuw elan, het Godsvertrouwen verdwijnt als sneeuw voor de zon.

Wat is er dan nodig? Mensen die aanpakken natuurlijk. Mensen die de moed niet opgeven. Doeners die de handen uit de mouwen steken. Strijders voor de goede zaak. Maar – spreekt de profeet – dat niet alleen. Ik stel ‘wachters’ aan. Je hebt ook ‘wachters’ nodig. Wachters op de muren van Jeruzalem. Wat doen die wachters? Ze hoeven niet veel te kunnen. Goed kijken, goed luisteren. Ze moeten vanaf de muur van de stad de boel in de gaten houden. Het omringende land. En verder moeten ze vooral geluid kunnen maken. Met hun stem of met een ramshoorn. Alarm slaan als de vijand aan komt stormen. Of oproepen om klaar te staan, als de koning of ander hooggeplaatst persoon de stad nadert. ‘Opstaan! Maak je klaar! De koning komt eraan!’. Geluid maken – niet zwijgen.

In de profetie wordt dat geluid maken verder uitgelegd. De wachters moeten anderen, zichzelf en God geen rust gunnen, staat er. De wachters op de muren van de stad moeten zichzelf geen rust gunnen. Wachter zijn doe je samen. Je maakt deel uit van een ploeg. Je hebt dus ploegendienst. Je hoeft niet 24/7 op de muur te staan. Maar op het tijdstip dat jij aan de beurt bent, moet je er zijn. Overdag, maar vooral ook ’s nachts. Als je nachtwacht hebt. Al slaapt iedereen, jij moet wakker zijn op de afgesproken tijd en plaats. Dat is je werk, je plicht, je verantwoordelijkheid. Dat vraagt discipline.

Je moet als het nodig is ook anderen wakker maken. De bewoners van de stad moet je bijtijds waarschuwen als de vijand komt. Of dus voorbereiden, als de koning eraan komt.

Je moet, zegt de profeet, ten derde ook God ‘wakker houden’. Misschien een beetje vreemd: God ‘geen rust gunnen’. God ‘uit zijn slaap houden’. Beeld voor het gebed. Bidden is: God wakker, bij de les houden, betrekken bij ons leven. Hem er als het ware bij roepen. Moet dat dan? Is het nodig om de HERE God wakker te houden? Hij is toch Zelf de wachter van Israël die sluimert nog slaapt? Dat is zo. Maar als wachter mag je God daar ook aan houden. Aan Zijn belofte. De wachters op de muren van Jeruzalem mogen God vragen om hun stad te beschermen. Of de HEER ervoor wil zorgen dat de rooftochten en plunderingen ten einde komen. Dat het graan dat wij verbouwen als brood op óns bord mag komen. Dat de druiven die wij plukken als wijn in ónze bekers mogen vloeien. Dat er verlossing komt voor Jeruzalem. Daar mag je de God van Israël voor wakker maken. Dat mag je de HEER vragen. Omdat Hij het beloofd heeft – vrede voor Jeruzalem. Je mag in je gebed God aan Zijn Woord houden. Zo mogen ook wij bidden om dagelijks brood, kracht en gezondheid. Om vrede op aarde, einde aan de crisis, bescherming tegen vijanden. Bidden om de komst van Zijn koninkrijk –  liefst zo snel mogelijk. Je mag het vragen, omdat de HEER het beloofd heeft.

Dat is de taak van de wachter: jezelf wakker houden. Anderen wakker schudden. God om hulp vragen. Dat doet een wachter op de afgesproken tijd, op de afgesproken plaats. Met discipline. Routine. Uit goede gewoonte. Zoals Simeon en Hanna in de tempel. Oude mensen – stokoud. Maar zeker niet te oud. Je bent in Gods Koninkrijk nooit te oud om ‘wachter’ te zijn. Je kunt altijd ‘wachten’, ‘waken’, ‘bidden’ om de komst van het Koninkrijk. Dat kunnen ook wij. Gewoon thuis, maar met discipline, routine, uit goede gewoonte ook op de afgesproken tijd en plaats. Zondagmorgen – half 10. Om zélf wakker te blijven. Volgens een strak schema van één keer per week op de muren klimmen om wacht te lopen. Het is niet moeilijk. Iedereen kan het. Nooit te jong. Nooit te oud om te bidden, waken, wachten. Dan zul je vroeg of laat wat beleven. Beleven dat het echt zo is. Dat het werkelijkheid wordt, wat God heeft beloofd.

Simeon en Hanna mochten het op hun oude dag meemaken. Jozef, Maria en het Kind komen de tempel binnen. Dan wordt het voor deze oude tempelwachters kerstfeest. Ze nemen het Kind van Bethlehem in hun armen. Ze voelen door Gods Geest dat hun wachten is beloond. Hun waken is betaald. Hun dromen zijn vervuld. Ze voelen hemelse vrede op aarde. Ze laten het anderen horen.

Ook wij, wachters op de muren van Nijverdal, zullen het beleven. Ook ons wachten en waken wordt beloond. Het kind heet Immanuel. Jezus komt tot ons. Door Zijn Geest in ons hart. Hopelijk straks op het kerstfeest. Eenmaal in levenden lijve bij Zijn wederkomst.

De wachter op de muur ziet dat de nieuwe dag gaat prijken. De duisternis gaat wijken. Na een eeuwenlange nacht breekt Gods dag aan.