Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Wachten

Kerkdienst op zondag 3 juni 2018

Lezingen: Jesaja 30:9-18 en Lucas 18:1-8

geluidsopname? Klik hier!

“En toch wacht de HEER op het ogenblik, dat hij jullie genadig kan zijn; toch zal hij zich oprichten om zich over jullie te ontfermen. Want de HEER is een God van recht. Gelukkig de mens die op Hem wacht” (Jesaja 30:18)


Wachten is niet fijn. Ik zal de enige niet zijn die niet graag staat te wachten. Ik houd er niet van om in een rij te staan. In de winkel bij de kassa. Op een perron tot de trein komt. In de file op de snelweg. Het is een vervelende bijkomstigheid van een vliegvakantie dat je zo vaak moet wachten. Het feest begint met vele malen in de rij staan. Bij de incheckbalie om je koffer in te leveren. Bij de veiligheidscontrole. Voor de paspoortcontrole. Bij Starbucks om een kopje koffie te kopen. Bij de gate tot je het vliegtuig in mag. Uiteindelijk in het gangpad van het vliegtuig tot iedereen zijn handbagage heeft opgeborgen. Je gaat van de ene naar de andere rij. Wachten is vervelend, irritant. Ik word er chagrijnig van.

Ook in het geloof speelt wachten een belangrijke rol. Je zou zelfs kunnen zeggen: geloven IS wachten. Geloven is wachten op God. Er bestaat een wereldberoemd toneelstuk getiteld: ‘Wachten op Godot’. De Ierse toneelschrijver Samuel Beckett schreef het vlak na de Tweede Wereldoorlog. Het gaat over twee mannen die op een perron op de trein staan te wachten. In die trein moet meneer Godot zitten. Maar meneer Godot komt niet. Telkens komt er bericht van uitstel. De twee mannen blijven maar wachten: uiteindelijk zal het toch gebeuren? Hij zal toch een keer komen? Hoewel niet zeker is, wie de schrijver bedoelt met ‘Godot’ zou je kunnen zeggen dat die meneer God voorstelt. Zeker na de Tweede Wereldoorlog. Velen hebben zich toen afgevraagd: ‘Waar blijft God nu? Waarom komt Hij niet om ons te helpen? Waarom bevrijdt Hij ons niet en helpt Hij ons niet de tirannie te verdrijven? Waarom laat Hij ons wachten? Is het niet absurd om nog te blijven wachten, te blijven geloven in God? Als Hij toch niet komt?’.

Wachten op God kan ook in je eigen leven erg moeilijk zijn. Je hebt misschien het geloof van huis uit meegekregen. Je hebt geleerd dat je de HEER altijd mag vragen om je te helpen. Je hebt ook altijd wel het idee gehad dat bidden helpt. Je voelde je gezegend met alle mooie dingen en lieve mensen om je heen. Maar dan gebeurt er iets. Je komt in de spreekwoordelijke put terecht. Door een tragische gebeurtenis of misschien ook wel door een eigen fout. Je hebt verkeerde keuzes gemaakt. Hoe dan ook: Je bent God kwijt geraakt. Hij lijkt zo ver weg. Je kunt bidden wat je wilt, maar er komt geen antwoord. Het lijkt alsof God je is vergeten. Alsof er geen hulp van Boven meer komt. Je voelt je als die mannen op het perron – wachtend op meneer God. Hoe lang nog? Komt Hij nog? Komt er nog wat van? God laat veel te lang op zich wachten. Kun je het wachten niet beter opgeven? Is geloven niet verspilde moeite?

Niet meer wachten op God. Niets meer van God verwachten. In de tijd van Jesaja zijn er steeds minder mensen die wachten op God. We verplaatsen ons in gedachten naar de stad Jeruzalem ten tijde van koning Hizkia. Zo tussen het jaar 710 en 705 voor het begin van onze jaartelling. Eigenlijk is dit niet eens zo’n slechte tijd voor het koninkrijk Juda en zijn onderdanen. Het is betrekkelijk rustig. Koning Hizkia heeft de zaakjes redelijk voor elkaar. Het is al weer ruim 10 jaar geleden dat de Assyriërs oprukten naar Israël. Ze hebben de opstandige stad Samaria, hoofdstad van het Noordrijk, met de grond gelijk gemaakt. Ze hebben het tienstammenrijk helemaal van de kaart geveegd. De bewoners zijn afgevoerd. Er is niets van over gebleven. Maar – God dank – die agressieve vijand is blijven staan bij de grens van Noord en Zuid. Ze hebben Jeruzalem niet aangevallen en niet bezet. Ze hebben het gebied van Juda ongemoeid gelaten. De koning van die dagen, koning Achaz, heeft daar wel wat voor over moeten hebben. Vrede met de Assyriërs kost wat. Elk jaar gaat er sindsdien een deel van het nationaal product op transport naar Nineve. Bovendien richt koning Achaz de tempel in Jeruzalem in naar de smaak van de Assyriërs. De Assyrische goden worden sindsdien gedoogd in de tempel van de HEER. ‘Dat moet toch kunnen’, zeggen de mensen, ‘Het doel heiligt de middelen’. Je moet nu eenmaal wat over hebben voor vrede met de Assyriërs. Het is niet goed te praten, maar het gaat nu toch goed? Economisch mogen we niet klagen. Trouwens: er is een nieuwe koning gekomen. Hizkia is zijn naam. Hij is de zoon van Achaz, maar is anders dan zijn vader. Hij heeft er voor gezorgd dat de tempel weer gereinigd werd van vreemde insluipsels. De afgodsbeelden zijn verwijderd. Gelukkig is er geen Assyrische haan die ernaar kraait. Nineve ligt ver weg. Daar hebben ze op dit moment andere problemen aan hun hoofd. Interne strubbelingen. Machtsstrijd. Ons piepkleine landje kan hen even niet boeien. Hizkia maakt er handig gebruik van.

Hizkia doet meer. Hij versterkt de hoofdstad Jeruzalem. Muren worden gebouwd. Honderden meters nieuwe muren. Dikke muren, Hoge muren. Je kunt de restanten ervan nu nog bekijken in het oude gedeelte van Jeruzalem. Ook heeft Hizkia een nieuwe watertoevoer aangelegd voor de stad. Een ondergrondse tunnel naar de waterbron. Sterk staaltje architectuur en dringend noodzakelijk. Want stel dat de Assyriërs toch weer in beweging komen… Achter onze dikke muren voelen wij ons veilig. Nu gaan er zelfs stemmen op om de Assyriërs maar eens helemaal buitenspel te zetten. Door ook geen jaarlijkse schatting meer naar Nineve te sturen. Maar ja, daar heb je een sterk leger voor nodig. Met paarden en strijdwagens. Waar haal je die zo snel vandaan? ‘Egypte’ wordt er geroepen. Als we nu eens met Egypte gaan onderhandelen. Dan kunnen we met de Egyptenaren als bondgenoot een opstand beginnen. Onder het motto: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Hizkia heeft er wel oren naar… Hij wil een delegatie naar Egypte sturen. Maar de profeet, Jesaja, gaat daar recht tegenin. Opstand - het slechtste wat je nu kunt doen. Je uitleveren aan Egypte - vragen om moeilijkheden. Dan maak je de slapende hond Assyrië wakker. Je raakt bovendien van de regen in de drup. Die Egyptenaren en hun goden zijn geen haar beter. Niet doen dus. Niet naar Egypte, is het klemmend advies van de profeet Jesaja. Jesaja geeft zijn advies niet als politiek analist van het ministerie van Buitenlandse zaken. Hij is geen militair deskundige van het Clingendaalinstituut of zo. ZIJN advies komt naar zijn vaste overtuiging uit de hemel. Van God Zelf. Want Jesaja analyseert in Gods Naam vooral de mentaliteit onder het volk van Jeruzalem. Hij ziet met de ogen van de HEER wat er in de harten van de mensen leeft. Hij doorgrondt en kent hun diepste gevoelens en gedachten. Hij peilt haarfijn wat er zich binnen die dikke muren van de stad afspeelt. Dat is namelijk veel gevaarlijker dan die vijand van buiten. Door interne corruptie kunnen die muren ook in verval raken. Dan storten ze net zo goed in. Ze vallen aan diggelen als een kruik op een stenen vloer. Want binnen de muren van Jeruzalem denken de mensen overmoedig dat ze veilig zijn. Ze denken: wij hoeven niet meer op God te wachten. Wij kunnen ons voortaan zelf wel redden. We bouwen hier met zijn allen een maakbare samenleving. Met onze regels. We maken onze eigen keuzes en laten ons niet leiden door Gods Woorden. De dromen en visioenen van profeten hoeven we niet meer te horen. Wij willen alleen nog maar horen wat ons bevalt. Alleen wat in ons eigen straatje past. Alleen wat er ingaat als zoete koek willen we slikken. We beschouwen onszelf voortaan als vrije mensen. We laten ons door niets of niemand gezeggen. ‘Val ons niet langer lastig met de Heilige Israëls’. Kom bij ons niet langer aan met de HEER die zoveel van ons eist.

Het zijn woorden die je ook in ons land om je heen kunt horen. ‘Val ons niet lastig met het geloof, met de kerk. Loop ons niet in de weg met die normen en waarden van een God. Leefregels kunnen we zelf wel bepalen. We maken onze eigen keuzes. We laten ons door anderen de les niet lezen. We leven in een land waar ieder zijn of haar eigen baas is’. VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff verkondigde onlangs met trots dat het liberalisme na 70 jaar het socialisme én de kerk heeft verslagen ‘Mijn dochter groeit op in een liberaal land’. En zeker: wat is het fijn om in een land te wonen waar vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en persvrijheid is. Maar wat is het tegelijkertijd triest om te zien dat er steeds minder mensen zijn die nog ‘wachten op God’. Die het nog verwachten van de HEER. Steeds minder mensen die nog in God geloven, op God vertrouwen, op God wachten. Dat is triest voor ons als kerken, maar het is vooral triest voor die mensen zelf. Want wat moet je dan als je ooit echt ‘wachten’ moet?

Als ik ergens in de rij sta en lang moet wachten, probeer ik mezelf toe te spreken: ‘Zeg, wat zeur je toch? Dat wachten van jou is maar een luxeprobleem? Zo erg is dat niet. Je moet dat wachten gewoon op de koop toe nemen. Er zijn veel ergere dingen om op te moeten wachten’. Ja, er zijn dingen waarbij wachten veel erger is. Wachten op hulp, als je in nood zit. Wachten op een ziekenhuisopname voor een zware operatie. Wachten op de uitslag van een medisch onderzoek dat erop of eronder kan betekenen. Wachten op een goede plek in een revalidatiecentrum of verpleeghuis omdat je jezelf niet meer kunt redden. Wachten op goed nieuws, een goede uitslag, een goede afloop. Juist dan kan het tot grote steun zijn, als je in dat alles kunt wachten op de komst van de goede God. Als je het geduld kunt opbrengen om op de HEER te blijven wachten. Als je weet dat je het van Hem kunt verwachten.

Dat ‘wachten op God’ doe je trouwens niet door niks te doen en duimen te draaien. Dat wachten doe je vooral door je handen te vouwen en je ogen te sluiten. Biddend wachten op de HEER. Zoals de vrouw uit de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Ze bleef aankloppen bij die rechter. Ze bleef roepen om hulp, om recht. ‘Zal God niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen?’.

Het is niet alleen maar zo dat wij altijd op God moeten wachten. Het is ook zo dat onze hemelse Vader altijd op ONS wacht. Hij wacht op het ogenblik dat wij tot Hem komen. Zodat Hij ons genadig kan zijn. Hij richt zich op en gaat op de uitkijk staan. Om zich over ons te ontfermen.

Toen niemand Hem verwachtte, heeft Hij Zijn Zoon gestuurd. Jezus zegt: ‘Kom tot Mij, als je vermoeid en belast bent’. Jezus wacht op ons. Wij mogen tot Hem komen. Hij wil zich over ons ontfermen en ons genadig zijn.

Op 4 januari 1944 werd de Deense dominee Kaj Munk door die Duitse soldaten van huis opgehaald. Niet geheel onverwacht. Kaj Munk had nooit een blad voor de mond genomen. In zijn preken, toespraken en geschriften had hij zich luid en duidelijk verzet tegen de bezetting. Maar nu was het zover. Kaj Munk werd opgehaald, afgevoerd en zou doodgeschoten worden. Op de drempel van zijn huis kust hij zijn vrouw en zegt tegen haar: ‘Vertrouw op God’. Zo ging hij de dood tegemoet. Nee, zo ging hij zijn God tegemoet. Die stond hem met open armen op te wachten.