Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Vragen en Krijgen

Kerkdienst op 24 juli 2022
Schriftlezingen: Genesis 18:20-33 en Lucas 11:1-13

 

“…Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen” (Lucas 11:13b)

 

Twee weken geleden ging ik ergens als predikant voor in een gezinsdienst. Deze kerkdienst was bedoeld voor jong en oud. Er werd speciale aandacht besteed aan kinderen in de kerk. Wij kennen dat ook. Het thema van de dienst was ‘Gaat God ook mee op vakantie?’. De dienst sloot dus aan bij de tijd van het jaar. Alles stond in het teken van vakantie. De kerk was door de voorbereidingscommissie vrolijk versierd met vakantiespullen. Voorin stond een tentje met een campingtafeltje en een paar stoeltjes. Eén van de medewerkers riep de kinderen naar voren. Ze vroeg, waar ze heen gingen op vakantie. Hoe en wanneer ze op vakantie gingen. Wat ze meenamen. Ze wilde ook weten: hoe kun je nu juist op vakantie laten zien dat je gelooft? Hoe kunnen mensen aan jou merken dat je christen bent? Eén van de eerste antwoorden van een kind was: “Dat kun je zien als iemand bidt”. Bidden is een kenmerk van geloof. Door te bidden laat je zien dat je gelooft. Ik kan me zo voorstellen dat het kind zichzelf al op de camping zag zitten. Met papa, mama, broertjes en zusjes. Op die stoeltjes, rond dat tafeltje, lekker buiten ergens in Zuid Frankrijk. Het eten staat op tafel. De maaltijd kan beginnen. Maar papa zegt: ‘Nee, even wachten – net als thuis: eerst gaan we bidden’. De campingvriendjes en -vriendinnetjes kijken van een afstandje verbaasd toe. Ze zien hoe de hele familie de handen samen en de ogen dicht doet. Na het eten, als de kinderen nog even mogen spelen, vraagt één van hen: ‘Wat deden jullie daar voor geks voordat jullie gingen eten?’. ‘Nou ja: bidden’, zal het kind zeggen, ‘dat doen wij altijd voordat we beginnen te eten. Dat doen we omdat wij geloven…’ Zo begint een klein kinderlijk gesprekje onder de Franse zon…

 

Bidden hoort bij geloven. Dat is voor ons zo duidelijk als wat. Duidelijk, maar ook opmerkelijk. Bidden is onmisbaar, onlosmakelijk verbonden met geloof. Bidden geeft aan wat geloven wezenlijk IS.

Wat bidden is, daar spreekt Jezus over in Lucas 11. Hij leert zijn leerlingen bidden. Lucas 11 begint met de vraag van de leerlingen ‘Leer ons bidden’. Blijkbaar is bidden dus niet iets wat automatisch gaat. Je moet het leren. Je moet het dus je kinderen aanleren. Je moet – als je ouder en ‘wijzer’ - wordt telkens weer bijleren. Je krijgt het nooit helemaal onder de knie. Je bent nooit volleerd. Dat merk ik bij mezelf. Telkens weer komen bij mij vragen boven als: ‘Wat is bidden? Hoe moet ik bidden? Bid ik wel genoeg? Wat levert het op, als ik bid? Luistert God wel als ik bid? Geeft Hij antwoord? Wat krijg ik als reactie op mijn gebed?’.

 ‘Wat is bidden?’. Daarover is Jezus in dit Bijbelgedeelte heel duidelijk. Hij gebruikt drie simpele werkwoorden om het bidden aan te duiden: vragen, zoeken, kloppen. Woorden die het bidden omschrijven. Woorden dus die ons geloof kenmerken: Vragen, zoeken, kloppen.

 Als gelovige heb je dus in de eerste plaats: vragen. Niet in de eerste plaats antwoorden. Precies omgekeerd dus van hoe buitenstaanders vaak tegen ons aankijken. Of hoe wij op buitenstaanders overkomen. Als mensen die het allemaal zo precies weten. Als betweters. ‘Die christenen kunnen precies vertellen hoe wij ons leven zouden moeten inrichten. Ze kunnen exact aanduiden wat er schort in de wereld. Ze wijzen met hun vrome vingers aan wat er fout, wat zonde is’.

Daar klopt dus iets niet. Dat ZOU anders moeten zijn. Vragen is een essentieel kenmerk van ons geloof. Wij zijn niet in de eerste plaats mensen die de wijsheid in pacht hebben. We ‘weten’ juist niet, we kennen de antwoorden niet, dus blijven we ‘vragen’.  

En zoeken. Bidden is zoeken. Blijven bidden is blijven zoeken. Op zoek naar de wil van God in ons eigen leven. Op zoek naar Gods wil voor de wereld. Op zoek naar vrede in ons eigen hart en vrede overal. Op zoek naar Gods Koninkrijk. Uw koninkrijke kome, Uw wil geschiede. Dus je niet neerleggen bij voldongen feiten. Niet zeggen: het is nu eenmaal zo. Het zal altijd wel zo blijven. Het is niet anders. Het wordt nooit anders. Als je zoekt, ben je niet tevreden, maar om zo te zeggen: heilig ontevreden met hoe het gaat. We ‘still havn’t found what we’re looking for’, maar we blijven zoeken. Bidden is zoeken.

En bidden is kloppen. Kloppen doe je tegen een dichte deur. Zoals in de gelijkenis die Jezus vertelt. Over een vriend die aanklopt bij een vriend. In de nacht, als de deur op slot is. En zo is het ook – vaak - met geloof, met bidden. Je voelt je als in de nacht voor een gesloten deur. Je klopt. De nacht is donker en de deur blijft dicht. Maar je geeft de moed niet op. ‘Knock, knock, knocking on heaven’s door’. Omdat je weet dat die poort vroeg of laat toch écht open zal gaan. Dat het licht erdoor zal stromen.

Vragen, zoeken, kloppen. Ik zie Abraham staan, zoals beschreven in Genesis 18. Hij staat voor God. Zoals wij naderen tot God in ons gebed. Ook Abraham bidt – hij vraagt, hij zoekt, hij klopt. Hij bidt niet voor zichzelf. Hij bidt voor Sodom. Hij laat zich niet afschepen. Zelfs door de Almachtige niet. Hij geeft niet op. Hij vraagt door. Hij vindt zichzelf zelfs heel vrijpostig als hij maar door blijft vraagt. ‘Neem me niet kwalijk…’. Gebed voor Sodom. Voor die paar rechtvaardigen die vast nog wel in Sodom te vinden zijn. Zijn het er vijftig, veertig, dertig, twintig, tien. Hij heeft in het bijzonder zijn neef Lot met zijn gezin in gedachten. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. Je maakt je ernstig zorgen om geliefden. Je familie, je vrienden, je gezin, je kinderen. En dan vragen, zoeken, kloppen… Dat is bidden.

Maar wat bid je dan? Wat kun je vragen, wat moet je zoeken? Ook hier kan een kind de was doen en het antwoord geven. Waar mag je de HEER om vragen? Om ‘alles’, zal het kind zeggen. Je mag alles vragen aan je liefhebbende Vader. Maar dan ook ‘alles’. Dus niet alleen dingen voor jezelf, maar ook voor anderen. Je kijkt verder dan je neus lang is. Verder dan je eigen straatje. Je mag bidden om dagelijks brood, maar ook om brood voor anderen. Daarom is het gebed dat Jezus ons leert ook in het meervoud: ‘ONZE Vader’, ‘Geef ONS heden ONS dagelijks brood’. Geef ons – genoeg om te delen, genoeg om uit te delen.

De gelijkenis die Jezus vertelt, geeft dat subtiel aan. Die vriend die in de nacht om brood vraagt, vraagt dat brood niet voor zichzelf. Hij vraagt om brood voor een ander. Er is namelijk zojuist iemand bij hem gekomen, die hij niets kan voorzetten. Die iemand was op reis. Die zoekt een plaatsje voor de nacht. Onderdak onder jouw dak. In die tijd was het helemaal niet ongebruikelijk dat er iemand in de nacht bij je aanklopt. Er waren geen moderne reis- en communicatiemiddelen. Je ging te voet – zo snel als je kon. Je kon geen appje sturen om je komst aan te kondigen. Het was ook helemaal niet vreemd als je zo iemand onderdak geeft. B&Bs, hotels en herbergen waren zeldzaam. Je kon rekenen op de oosterse gastvrijheid. Onder een blote hemel slapen was meestal niet nodig. Zou ook bij ons niet nodig hoeven te zijn. Je hoeft niet te wachten tot morgen. Als gastheer, als er iemand jouw gast is, dan moet je hem bed and breakfast geven. Zo snel mogelijk. Je zou jezelf te schande maken, als je dat NIET deed. Je doet er dus alles aan om direct brood op tafel te krijgen. Al is het midden in de nacht. Daarom staat die vriend dus bij zijn vriend op de stoep. En hij vraagt niet één, niet twee, maar DRIE broden. Om samen te eten. Eén voor zichzelf, één voor zijn gast en één voor het geval dat er nog meer hongerige monden te voeden zijn. Bidden om dagelijks brood om te eten en te delen. Met elkaar en wereldwijd. Voor je eigen kring en voor die ‘gast aan tafel’. Dichtbij of veraf.

Bidden om brood… En wat dies meer zij… Als Jezus na de gelijkenis verder gaat, spreekt Hij ook nog over vis en ei. Dat is het extra, het meer dan broodnodige. Het broodbeleg. Ook daar mag je om vragen. Met de woorden die mijn eigen vader wel eens gebruikte uit een oud tafelgebed: ‘O HEER, wij danken U van harte voor nooddruft en voor overvloed’. Dat woord ‘nooddruft’ begrepen wij als kinderen niet. Die ‘overvloed’ begrepen we wel. Met de paplepel werd ons ingegoten, dat bidden en danken twee zijden zijn van dezelfde medaille. De verwondering dat vragen krijgen wordt. Zoeken vinden. Dat bij kloppen de deur opengaat.

Ja, klopt en de deur zal opengaan. Misschien is dat toch nog wel het beste beeld voor bidden. Kloppen op Gods deur. Want als die deur dan open gaat, staat er niet iets maar Iemand voor je neus. God de Vader Zelf. Precies zoals Jezus het zegt. ‘Hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen’. De heilige Geest is het antwoord op al onze vragen. Die heilige Geest dat is de Vader Zelf. Als de deur van Gods huisje opengaat, geeft God niet altijd wat wij wensen. Niet alles wat ons hartje begeert. Hij geeft ons geen giftige slang of levensgevaarlijke schorpioen. Van de hemelse Vader krijgen we alleen goede gaven. Wat wij nodig hebben – nooddruft – en zoveel meer – overvloed. De overvloed van Zijn nabijheid in ons leven. Zijn Geest vult ons hart.

Maar – vergis je niet – die Geest zet ons meteen aan het werk. Door Gods kracht gaan we aan de slag. Bidden vervangt het werken niet. Bidden zet juist aan tot werken. Bidden is een kernmerk van geloof. Een gelovige herken je aan het gebed. Gevouwen handen laten zien dat we christen zijn. Maar daar blijft het niet bij.

Bij het gesprekje in de gezinsdienst waar ik het over had, kwamen nog meer antwoorden op de vraag. Een best wel stoer jongetje van een jaar of 10, 11 zei: ‘Dat je gelooft kunnen ze merken als je aardig bent voor anderen’. Ga daar maar aan staan! Handen vouwen, ogen dicht is één. Ogen weer open en handen uit de mouwen is er onverbiddelijk mee verbonden. Geef ONS heden ONS dagelijks brood.