Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

VOOR WIE IK LIEFHEB WIL IK HETEN

Kerkdienst 26 november 2023 De Regenboog


Op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar herdenken wij onze overleden gemeenteleden

Lezingen: Jesaja 43:1-7 en Johannes 10:27-30

====

 Tekst: “Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij” (Jesaja 43:1)

 

‘Mijn moeder is mijn naam vergeten

Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten
Noem mij, bevestig mijn bestaan
Laat mijn naam zijn als een keten
Noem mij, noem mij, spreek mij aan
O, noem mij bij mijn diepste naam
Voor wie ik liefheb, wil ik heten’.

 

Ik weet nog precies wanneer ik dit gedicht voor het eerst hoorde. Ik weet nog het moment dat ik mij door deze woorden aangesproken voelde. Ik was een puber, 14, 15 jaar oud misschien. Het was op mijn middelbare school. Het Corderius College in Amersfoort. Daar bestond nog de goede gewoonte van weekopening. Een paar honderd lawaaierige scholieren werden de aula van de school in gedreven. Als iedereen zat, klokslag half 9 ’s morgens, werden we tot stilte gemaand. Eén van de leraren, die deze morgen de klos was, nam het woord. Ik weet nog dat het die morgen de leraar Nederlands was. Ik ben zijn naam niet vergeten: Meneer Veerbeek. Het gedicht is gemaakt in 1966 door de dichteres met de prachtige naam ‘Neeltje Maria Min’. Flarden van dit gedicht zoemen sindsdien regelmatig door mijn hoofd en hart. ‘Noem mij, bevestig mijn bestaan. Noem mij, noem mij spreek mij aan. Noem mij bij mijn diepste naam’.
Die woorden raken mij. Achteraf gezien bedenk ik me waarom. Ik ben één van de miljarden wereldburgers. Ik was op dat moment één van die grote groep levenslustige pubers in die aula op maandagmorgen. Ik was, ik ben er één waarvan er dertien in een dozijn gaan. Letterlijk. Zoals sommigen wellicht van me weten: Ik kom uit een groot gezin van 13 kinderen. Ik ben er één van de velen. Op het moment dat dit gedicht in mijn oren klonk voelde ik me er even uitgepikt. Uit de grijze massa. Ik besefte voor even wat het betekent een naam te hebben. Dat iemand me ooit een naam heeft gegeven. Een liefhebbende vader en moeder. Dat er lieve mensen zijn die mijn naam kennen en niet vergeten. Broers en zusters, vrienden en vooral die ene die mijn naam noemt als geen ander. Je wordt uitgetild uit de naamloosheid, de anonimiteit. Als iemand je naam roept, besef je dat je er bent. Als jouw naam klinkt, mag je er zijn. Je naam horen roepen, bevestigt je bestaan. Er is iemand die je kent. Niet zo maar kent, maar je diepste wezen. Iemand die jou liefheeft.

‘Ik heb je bij je naam geroepen’. Middenin de Babylonische ballingschap hoort Israël de stem van God. Ballingschap: dat is ver van huis en haard verdreven zijn. Ontheemd, ontrukt aan je vaderland, je moederstad. Opgaan in een vreemd volk, dat jouw naam niet kent. Ten onder gaan in een zee van anonimiteit. Gevangenen hebben geen namen maar nummers.
Daar, dan in die Babylonische ballingschap brengt de profeet Jesaja het blij bericht. Het volk wordt bij de naam genoemd. Geroepen bij de diepste naam: Israël! Jakob! Namen die het volk verbinden met haar verleden. Roemrijk verleden: Israël – strijder met God. Beschamend verleden: Jakob – de oplichter. Je naam is meer dan een paar letters met een holle klank. Als je naam genoemd wordt, gaat er een boekje open. Je naam is als een keten. Aan je naam hangt zoveel vast. Een geschiedenis. Een heel verhaal.
Als God zegt ‘Ik heb je bij je naam geroepen, Jakob, Israël’ dan wil dat zeggen: ‘Ik ben jou niet vergeten, mijn volk. Ik ken je verhaal. Je verleden. Je prestaties. Ook, ja ook je falen’. Hoe zou ik je vergeten? ‘Ik heb je geschapen, ik heb je gevormd. Zelfs vóórdat jij bestond, kende Ik je naam’. Wat uit liefde ontstaat, wordt niet vergeten. Ook niet in het vuur van Babylon. Ook niet in de watervloed van de ballingschap die over je is uitgestort. Ik roep je naam. Daarmee roep ik je eruit. Door water en door vuur heen, zal Ik er zijn. Ik red je uit de kerker. Je mag naar huis. Ik roep je tot de vrijheid, tot nieuw leven.
Vanmorgen klinken er hier in de kerk namen. Een groot aantal namen. Zevenentachtig, als ik het goed heb. Er zijn namen bij die ik niet ken. Er klinken namen mij enigszins bekend in de oren. Er klinken ook namen waarbij een boekje voor mij open gaat. Er klinkt misschien voor u, voor jou ook die éne naam. De naam die zoveel betekenis voor je heeft. De naam van hem, van haar die ik liefheb. Als die naam klinkt, gaat er een deurtje open. Dan voel je weer die vreugde, dat geluk van toen. Dan voel je ook de pijn, het verdriet van ‘nooit meer’. Dat zij, dat hij jouw naam niet meer zal noemen. Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Deze namen worden vanmorgen niet zo maar genoemd. We zijn hier bij elkaar ‘voor Gods aangezicht’. HIJ is er bij. Hij heeft ons broos bestaan gewild en ons tot leven geroepen. De HEER heeft – zoals dat heet – ZIJN Naam over ons uitgeroepen. Hij heeft Zijn naam aan onze naam verbonden, toen we gedoopt werden. En nu wij vanmorgen hún namen noemen is het de HEER Zelf, die zegt: ‘Ze zijn van mij. Eén voor één tellen ze mee. Naam voor naam noem ik hen.
Vanmorgen klinken er 87 namen. Er blijven ook veel namen ongenoemd. Van geliefden die kortere of langere tijd geleden van ons zijn heengegaan. Stil geboren leven. Kinderen die onze naam nog niet kenden. Kinderen die ons ‘papa’ of ‘mama’ noemden. Broers en zusters, neefjes, nichtjes, ouders, grootouders. We onthouden hun namen, we noemen hun namen – zolang we kunnen. Zo leven ze voort. Als iedereen je naam vergeten is, ben je pas echt dood.
Maar onherroepelijk: de namen die wij kennen raken eens in vergetelheid. Eens zal niemand mijn levensboek meer openslaan. Eens zal niemand mijn leven meer lezen. Mijn naam zal niet meer genoemd worden. Door niemand. Behalve door de HEER, die wij Goede Herder noemen. Hij die zijn schapen bij name kent en roept. Hij die niet zal toelaten dat iemand zijn schapen uit Zijn hand zal roven. Want ze zijn van Hem. De Herder heeft de naam: Ik zal er zijn. Ik zal er altijd voor je zijn. Hij vergeet je naam nooit. Hij blijft je naam noemen. Hij roept je tot leven, dus ben je niet dood. Hij bevestigt je bestaan. Voor altijd, voor eeuwig. Voor Hem die ik liefheb, wil ik heten. Hij noemt mij bij mijn diepste naam.