Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Vol verwachting

Preek voor zondag 28 november 2021

“’Hoor, een stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God” 
(Jesaja 40:3)

‘Vol verwachting klopt ons hart’. Een mooi toeval, dat Sinterklaas in de Adventstijd valt. De komst van de Goedheiligman en de komst van het Kind van Bethlehem worden allebei in deze tijd verwacht. Eerst komt de Sint. Het ‘heerlijk avondje’ zal weer komen. Vol verwachting kijken vooral kinderen, maar misschien ook ouderen die een beetje ‘kind’ zijn gebleven, uit naar dit gezellige feest. Elke avond is er een Sinterklaasjournaal op de televisie. De spanning wordt opgevoerd: zal het wel goed komen met de pakjes op de stoomboot? Want straks komt het hoogtepunt: pakjesavond. Helaas moet je je ook dit jaar vanwege de Coronacrisis enigszins beperken. Misschien moet je het heerlijk avondje noodgedwongen houden in het kleine kringetje van je eigen gezin. Koester het maar, als je dat kunt. Want als je kunt en je hebt kleine kinderen in huis, maak er iets leuks van. Of denk met een dankbaar gevoel terug aan vroeger tijden. Want wat is er leuker dan gespannen snoetjes boven de grote zak van Sinterklaas, die midden in de kamer staat? Je hoort de kinderhartjes kloppen. Vol verwachting zien kinderogen uit naar het moment dat de cadeautjes uitgepakt worden. En dan – als een kind zo blij – aan het spelen ermee!

Vol verwachting – dat is ook de bedoeling van Advent. Dat we vol verwachting uitzien naar het Kerstfeest. Vier zondagen en evenzoveel weken tellen we af tot het 25 december is. Maar ook vol verwachting zien we uit naar de komst van de HEER aan het einde der tijden. De ‘wederkomst’. Vol verwachting? Nou ja… Goede vraag: hoe het staat met onze ‘verwachting’? Klopt ons hart ook vol verwachting voor de komst van de HEER? Of zijn er dingen die de verwachting in de weg staan? Zoals een bekend gedicht van Okke Jager dat aangeeft. ‘Kom haastig, Jezus, bidt de predikant. ‘Ja, amen, zegt een boer, wil spoedig komen! Maar na de oogst, want van mijn nieuw stuk land, heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen’. De boer heeft andere zaken aan zijn hoofd dan Jezus’ komst. Dat geldt in het vervolg van het gedicht ook voor de vrouw, die graag haar nieuwe jas wil showen. Dat geldt voor het kind dat toch een beetje meer uitkijkt naar een mooie vakantie. Dat geldt zelfs voor die biddende predikant, die zich verheugt op een nieuwe lezing voor het jeugdverband. Zo hebben we allemaal wat. Tenzij je niets meer hebt. Tenzij je alles kwijt bent geraakt. Dan wil je wel verwachten. Als alle hoop de bodem is ingeslagen, zoek je naar troost. Echte troost, geen goedkope troost. Troost die werkelijk nieuwe hoop biedt.

‘Troost, troost mijn volk’. Dat zijn de bekende woorden waarmee het 40e hoofdstuk van Jesaja begint. Een opdracht, een bevel. Het klinkt uit de mond van een onbekende. Een stem uit onbekende hoek. Duidelijk is alleen dat die troost bij de HEER vandaan komt. God spreekt. De HEER Zelf geeft opdracht. Aan zijn profeet, maar ook aan ons. Verspreid de troost. Geef de troost door. ‘Het is tijd om mijn volk te troosten. De hoogste tijd’.  

Volgens Bijbelgeleerden begint in dit hoofdstuk een geheel nieuw deel van het boek van de profeet Jesaja. De hoofdstukken vanaf Jesaja 40 worden wel ‘deutero-jesaja’ genoemd. Deuteros betekent twee. Het is dus een tweede Jesaja. Woorden van een profeet die pakweg 150 jaar later leeft dan de eerste. Een verre leerling van de eerste profeet Jesaja, die de pen van de eerste weer oppakt. In een troosteloze tijd. Met een troosteloze situatie voor het Joodse volk. We zijn in Jesaja 40 rondom het midden van de zesde eeuw beland. Dat is de tijd van de Babylonische ballingschap. Daar zitten we middenin. In 586 voor Christus is een groot deel van de bevolking van Jeruzalem en omgeving gedeporteerd naar Babel. De stad Jeruzalem is verwoest. De tempel is verwoest. Op de puinhopen zijn radeloze ontheemden achtergebleven. De ballingen in Babel leven ver van hun geliefde vaderland en moederstad. Van huis en haard verdreven. Dat duurt inmiddels al tientallen jaren. Geruchten zijn er wel. Vage berichten van verandering die op tilt is. De Babylonische macht schijnt aan het afkalven te zijn. Er is een nieuwe heerschappij op komst: het Perzische rijk van koning Cyrus is bezig aan een opmars. Het zij zo. Of je nu door de hond of door de kat gebeten wordt. China, Rusland of Amerika. Kapitalisme of communisme. Het is lood om oud ijzer. Wisseling van de wacht in de nabije toekomst? Of we daar veel van kunnen verwachten? Ballingen in Babel en bewoners van Jeruzalems puinhopen hebben de moed al lang opgegeven. De HEER heeft zijn volk verlaten. En het is onze eigen schuld geweest. We hebben het ernaar gemaakt, dat God niet meer naar ons omkijkt.

Maar dan klinkt het bevel. Onverwacht. Stem uit de hemel. ‘Troost, troost mijn volk’. Wat is troost? Dat weten wij allemaal wel. Troost bestaat niet uit mooie woorden. Troost neemt ook de pijn niet weg. Troost maakt geen einde aan het gemis. Maar troost deelt het verdriet. Troost draagt de zorgen. Troost verlicht het leed. Troost is iets wat een goede moeder of vader biedt aan een kind. Nabijheid. Geborgenheid. Iemand die jou neemt zoals je bent. Die je fouten vergeeft en steeds weer met je verder gaat. Die weet hoe je bent en jou toch accepteert. Iemand die jou als een kind – letterlijk of figuurlijk - in de armen neemt. Troost is – om het Bijbels beeld te gebruiken, dat Jesaja ook gebruikt: troost is de herder, die het zwakke lam in zijn armen neemt en naar de kudde draagt. Troost vind je bij de HEER, die de Herder is. Troost is: dat mijn Heer, mijn Herder komt! Die boodschap komt ook uit de hemel en raakt de oren van de profeet: Hij is in aantacht. De HEER, onze God, komt eraan! Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal.

De HEER komt. Dat is de troost die Jesaja zijn volk mag brengen. Maar juist om die troost niet goedkoop te laten zijn, roept de stem nog meer. De hemelse stem roept: ‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn; effen in de wildernis een pad voor onze God’. Een weg door de woestijn aanleggen – dat is al een lastig karwei. Een weg door de wildernis toegankelijk en begaanbaar houden is minstens zo lastig. Paden die door een woestijn lopen zijn kwetsbaar. Zandstormen kunnen metershoge zandduinen veroorzaken. En áls er – enkele dagen in het jaar – regen valt in de woestijn, komt het ook echt met bakken uit de lucht. Dan wordt de grond weggeslagen en meegesleurd. Er ontstaan kuilen en geulen in de weg. Het pad wordt onbegaanbaar. Een reiziger moet er zijn weg maar zien te vinden. Maar wat als de koning dan komt? Een hoogwaardigheidsbekleder kun je toch niet over zandduinen of door diepe kuilen laten gaan? Daarom stuurt een koning kwartiermakers voor zich uit. Wegbereiders. Ze repareren de weg, zodat die weer toegankelijk wordt. Zodat de koning zijn onderdanen kan bereiken.

‘Jeruzalem, maak je klaar. Zorg dat je straatjes geveegd zijn. Zorg dat de toegang vrij is. Want de Koning komt eraan. ‘De luister van de HEER zal zich openbaren’. De luister van de HEER – dat is wat de Israëlieten in de woestijn gezien hebben. Een wolk overdag en een vuurkolom ’s nachts om de weg te wijzen. Zo ging Israël naar het beloofde land. Zo komen de ballingen uit Babel naar huis, naar Jeruzalem terug. Achter de HEER aan. Achter de Herder aan.

Dus maak de weg klaar. Rol de rode loper uit. Hij komt eraan! Hij komt naar Jeruzalem. Hij komt ook nu naar onze aarde. Met Zijn troost als licht in de duisternis. Hij komt in het evangelie van de kerstnacht. Hij komt terug om alle dingen nieuw te maken. Jezus komt met Zijn troost en met Zijn zegen. En wij bidden: ‘Kom haastig, HEER?’. Wij bidden: ‘Uw koninkrijk kome’. Of bidden we dat niet meer? Niet van harte? Omdat we het misschien te druk hebben of te goed? Omdat we in beslag worden genomen door prettige of minder prettige vooruitzichten. De zorgelijke vooruitzichten van nieuwe lastige Coronabeperkingen. Hoe moeten we het dit jaar weer allemaal voor elkaar krijgen? Hoe kunnen we het straks toch gezellig maken, juist nu de kille pandemie het ons nog steeds zo moeilijk maakt? Allemaal zandstormen op onze woestijnweg. Of harde slagregens die diepe kuilen en geulen maken. Als we niet uitkijken, is de toegang tot ons hart  geblokkeerd. Dan vergeten we de weg vrij te maken voor de HEER, voor de Goede Herder. Dan missen we Zijn troost, de enige troost die echt kan troosten.

We lazen over Zacharias in de tempel. Ook hij is opgegroeid met de verwachting. De Messias zal komen. Hij is op hoge leeftijd gekomen. Samen met Elisabeth, zijn vrouw, is het leven niet vlekkeloos verlopen. Ze hebben geen kinderen gekregen. Vroeger verlangde hij er naar. Nu niet meer. Het zal niet meer gebeuren. Daar moet je je maar bij neerleggen. Het is niet anders. En dan toch, plotseling – een stem. Een stem uit de hemel die troost brengt. De troost van een bijzonder kind. Johannes moet hij heten. De HEER is genadig, is zijn naam. Dat kind zal als een kwartiermaker voor de koning zijn. Hij zal voor Jezus de weg bereiden. De komst van de koning kondigt Hij aan. Kan Zacharias zijn oren nog geloven? Dat is teveel gevraagd. Hij wordt met stomheid geslagen. Niets meer te verwachten, als je zo oud bent. Of juist wel? Als je niets meer verwacht, klinkt de boodschap van troost als muziek in je oren. Ook als je oud bent. Maar dan moet je wél worden als een kind. Van een kind leer je wat verwachten is. Vol verwachting klopt het kinderhart. Kleine oortjes horen de klop op de deur. Oogjes, brandend van verlangen, zien gespannen uit. Dus veeg je straatje schoon. Maak je levenshuisje klaar. Je mag erop vertrouwen: de koning gaat niet stilletjes jouw huisje voorbij. Doe de deur maar van het slot. Mijn Heiland komt eraan, verlost mij van mijn bange pijn. Dus stel ik mijn hart voor Hem open. Ik wil voor Hem een tempel zijn.