Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Vertrouwen in Coronatijd

 Kerkdienst op 11 oktober 2020

Schriftlezingen: Psalm 91 en Lucas 4:9-13

Deze kerkdienst is te beluisteren en bekijken via kerkomroep.nl en Youtube

“Wie in de beschutting van de Allerhoogste woont en overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende, zegt tegen de HEER: Mijn toevlucht, mijn vesting, mijn God, op u vertrouw ik’ (Psalm 91:1 en 2).

Het zal je maar gebeuren, als je straks uit de kerk komt. Het zal je maar gebeuren dat er dan buiten een cameraploeg op je te wachten staat. Van RTL, NOS of TV Oost. Voor ik het goed en wel in de gaten heb staat er een verslaggever op anderhalve meter voor mij. In zijn hand de hengel met daaraan de microfoon die onder mijn neus gedrukt wordt. ‘Goedemorgen, meneer. Hoe was het in de kerk? Hebben jullie je daar binnen wel aan alle regeltjes gehouden? Hoeveel kerkgangers waren er? Hopelijk toch niet meer dan een stuk of dertig? Nee, 600 hebben wij er niet geteld. Wat bezielt u eigenlijk om dit zo belangrijk te vinden? Om naar de kerk te gaan, terwijl het toch beter zou zijn om thuis te blijven?’. Daar staat je dan met je goede gedrag. Je moet antwoord geven op alle scherpe vragen. Zo’n verslaggever is niet voor de poes. Die heeft er voor geleerd om jou iets opvallends uit de mond te trekken. Voor je het weet sta je met je gezicht op het beeldscherm. Ben je trending topic. Of het lachertje van de dag. Dus – denk ik bij mezelf: ‘Pas op je woorden, Hans. Weet goed, wat je zegt…’.

Wees gerust: ik moet me sterk vergissen als er straks werkelijk zo iets gebeuren gaat. We zijn Staphorst niet. We hebben geen megakerk waar 600 bezoekers makkelijk in kunnen. We zijn hier maar met een klein groepje. Mooi verspreid over de hele kerkzaal. Goed georganiseerd. Niks te verbergen. We zijn ook heel blij dat deze kerkdienst door u en jullie thuis meegevierd kan worden. Dankzij de moderne media. Maar toch… Deze vragen zouden ook ons gesteld kunnen worden. Niet door een televisieploeg, maar wel door onze buren, vrienden. Misschien wel door onze kinderen of kleinkinderen. Omdat ze er ook niet veel meer van begrijpen. Vragen over ons geloof in Coronatijd. Wat bezielt je? Waarom komen wij tóch samen? Waarom vinden we het zo belangrijk om als gemeente bij elkaar te komen? Wat drijft ons om koste wat kost de verbinding met elkaar en met God te zoeken?

Wij vonden dat voorheen, voor deze crisis, misschien vanzelfsprekend. We hadden een soort Kortjakjesgeloof: ‘Zondags gaan we naar de kerk’. Omdat we dat nu eenmaal zo gewend zijn. Maar nu kunnen we er niet meer omheen. Nu het zoveel moeite kost. Nu het niet meer vanzelfsprekend is.

Die vraag: waarom zoeken wij Gods aangezicht? Waarom nu nog? Waarom JUIST nu, dat geloof, die kerk?

Antwoord krijgen we vandaag uit Psalm 91. Een Psalm die vast en zeker geschreven moet zijn in een crisistijd. Een tijd die op de onze lijkt. Zoals het een goede Hebreeuwse dichter betaamt gebruikt hij een aantal sprekende beelden. In een tijd dat het Woord het alleen moest doen, zonder plaatjes of filmpjes, schildert hij plaatjes met zijn woorden. We pakken er één plaatje uit. We zien een klein fladderend vogeltje, dat op een tak van een boom landt om uit te rusten. Maar de rust wordt wreed verstoord. Plotseling valt er een net uit de lucht. Het klapt dicht over het vogeltje heen. Het net van de vogelvanger. Het vogeltje zit gevangen. Vogels vangen deed men in het oude Israël echt niet voor de vogelbescherming. Zo’n gevangen vogeltje was een delicatesse. Bestemd voor de consumptie. Het vogeltje in het klapnet is ten dode opgeschreven.

Die dichter van Psalm 91 heeft zich gevoeld als dat vogeltje. Plotseling gevangen, opgesloten, in quarantaine. Zoals zoveel mensen in onze Coronacrisis opgesloten zitten. Omdat ze in een verpleeghuis wonen. Omdat ze tot een kwetsbare groep behoren. Of omdat ze in aanraking zijn geweest met een Coronapatiënt. Of erger nog: omdat ze zelf besmet zijn geraakt. Misschien zelfs in het ziekenhuis beland… Doodziek. Ten dode opgeschreven…

Zo voert de Psalm ons mee naar onze tijd. Een dodelijke pest waart rond in het donker. Een plaag slaat toe midden op de dag. 24 uur moet je alert zijn. Dag en nacht op je hoede. Duizenden, tienduizenden vallen om je heen. Het is een wereldwijd slagveld waar de pijlen je om de oren vliegen… En toch… Midden in die verschrikking de woorden: ‘Je hoeft niet bang te zijn’, zegt de Psalm. ‘Je hoeft niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht. Niet voor de plaag die midden op de dag kan toeslaan. Je hoeft niet bang te zijn. Want, kijk, het plaatje van het vogeltje is nog niet af. Dat vogeltje blijft niet in het klapnet van de vogelvanger. Er komt iemand aan die heel voorzichtig het net weer open knipt. Er komt een gat in het net – je kunt ontsnappen. Naar de vrijheid toe, de blauwe lucht tegemoet! Dat vogeltje – ben ik, zingt het lied. Die bevrijder van dat vogeltje – dat is ‘mijn God op wie ik vertrouw’. Dat is Hij die je redt van de dodelijke pest. Het kwaad bereikt je niet. Engelen waken over je. Bevrijden zal Hij je. Jou zal niets overkomen’.

Ho even, wat zeg je me nou?. Stel je voor, zeg, als ik dat straks ga vertellen. Aan die denkbeeldige verslaggever die mij opwacht bij de uitgang. ‘Jou zal niets overkomen? Bedoel je dat jij geen corona kunt krijgen? Bedoel je dat als je gelooft jou niets kan gebeuren?’. Dat het kwaad alleen de kwaden treft en de goede mensen spaart?’. ‘Nee, dat bedoel ik zeker niet’. ‘Als je maar op God vertrouwt, word je gespaard’. Dat klinkt heel vroom, maar in de Bijbel is dat niets minder dan een duivelse uitspraak. Daar hebben we over gelezen in het evangelie. De verzoeking in de woestijn. Of beter gezegd: de verzoeking op het dak van de tempel. Waar de duivel met Jezus staat. Ze kijken in de afgrond. De duivelse verzoeking is: ‘Spring maar naar beneden. Want als je op God vertrouwt, kan jou niets overkomen’. De duivel citeert woorden uit Psalm 91. Hij rukt ze uit het verband van de Psalm: ‘Zijn engelen zal hij opdracht geven over u te waken. Op handen zullen zij u dragen’. Dus: U, Jezus, zal niets overkomen. Jezus weet beter: de HEER moet je niet op de proef stellen. Je moet jezelf niet bloot stellen aan gevaar. Je hebt de vrijheid gekregen om goed voor jezelf te zorgen. Je hebt de mogelijkheid om je gezond verstand te gebruiken. Je handen wassen. Anderhalve meter afstand houden. En zo nog een paar regels in Coronatijd. Ieder is naar eer en geweten zelf verantwoordelijk voor zijn of haar eigen leven. Dat is niet alleen onze burgerplicht. Het is ook onze ‘christenplicht’. En gaat het dan zeker goed? Kan ons dan niets overkomen? Juist omdat we in Jezus geloven weten we wel beter. Jezus ging als geen ander de weg die God van Hem vroeg. De weg die God van ons allemaal vraagt te gaan. Niet alleen om jezelf te beschermen. Vooral ook om anderen te helpen, te dienen. De weg van de dienstbaarheid. De levensweg van Jezus was juist daarom een kruisweg. Om ons te dienen gaf Hij zijn leven. Hij heeft geleden. Hij ging ten onder. Hij stierf. Als je in Jezus voetspoor gaat, zul je net als Hij kruisdrager zijn. Juist ook ter wille van anderen zul je bereid moeten zijn offers te brengen. En dan pas kun je zeggen: ‘Mij zal niets overkomen’. Omdat je gelooft en erop vertrouwt dat na de dood de opstanding komt. Na Goede Vrijdag werd het Pasen. Het klapnet van de dood is open geknipt. Er is een doorgang tot het leven. Het leven ligt op je te wachten. ‘Lengte’, ‘overvloed’ van dagen. Het eeuwig leven met God. In Gods nabijheid. Heel dicht bij Hem. Wonen in Zijn beschutting. Overnachten in Zijn schaduw.

In de kerk kunnen we iets proeven van dat ‘leven met de Eeuwige’. Hier in dit gebouw. Of daar bij jou, bij u thuis. ‘Kerk’ is niet gebonden aan muren. Kerk is overal waar de HEER is. Daar kun je schuilen, rusten. Je hart uitstorten. Je vreugde uitjubelen. In je gebed, in de stilte, rondom Zijn Woord. Heel dicht bij Hem. Dat is ‘Wonen in de beschutting van de Allerhoogste. Overnachten in de schaduw van de Ontzagwekkende’. In vertrouwen dat Hij de Allerhoogste is. Niet tegenover je, maar boven je. 

‘Wat bezielt je? Waarom doen jullie dat toch?’ vraagt de verslaggever.

‘Ik weet niet of je de vergelijking begrijpt’, zeg ik aarzelend, ‘maar ik voel me soms een klein bang vogeltje. Een vogeltje dat bevrijd is uit het klapnet van de vogelvanger. Met de schrik nog in de pootjes, vlieg ik weg. Op zoek naar een plek om tot rust te komen. Naar God toe. Dat heb ik regelmatig even nodig. Me helemaal geborgen voelen. Ik kan niet zonder. Het is de HEER die ons beschermt met Zijn vleugels. Onder Zijn wieken vind ik een toevlucht. Als ik daarop vertrouw, kan ik er weer tegen.