Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Veilig voor de zwaarste storm?

Kerkdienst op 23 oktober 2022
Schriftlezingen: Psalm 130 en Openbaring 6:12-7:3

 “Laat het land en de zee en ook de bomen nog ongemoeid! Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen” (Openbaring 7:3)

 - Eind september, begin oktober raasde een tropische orkaan over Midden-Amerika en het zuiden van de Verenigde Staten. De orkaan had, zoals elke storm, een naam. Voor deze storm was de naam Ian bedacht. Om en om krijgen stormen een jongens- of een meisjesnaam. Telkens in alfabetische volgorde. De voorgangster van Ian was Hermine, de opvolgster heette Julia. Julia is intussen ook al uitgeraasd. Zij richtte veel schade aan. Maar orkaan Ian was tot nu toe de heftigste. Van Cuba tot ver in de Verenigde Staten zaaide hij dood en verderf.

 In Nederland hebben we het nieuws kunnen volgen. Elk jaar weer verschijnen er beelden op televisie van het Amerikaanse orkaanseizoen. Wat wij hier meemaken aan stormen is gelukkig veel minder heftig. Ik herinner me zelf nog de Julistorm uit 2015 die Nederland trof. Er waaiden bomen om. Dakpannen vielen van de daken. Evenementen werden afgelast. Er vielen zelfs twee dodelijke slachtoffers. De materiële schade werd door het verbond van verzekeraars geschat op 13 miljoen euro. Ook in onze tuin in Kudelstaart werd enige schade aangericht. Dat hebben we netjes opgeruimd. We lagen er verder niet wakker van.

 Dat was vroeger wel anders. In de tijd dat Johannes op Patmos zijn visioenen kreeg was een natuurramp wel degelijk iets om wakker van te liggen. Heidenen zagen de grillen van de natuur als de grillen van de goden. De goden zijn kwaad op de mensen en dat laten ze goed merken. De goden laten de aarde bewegen. Ze laten vulkanen uitbarsten. Lava spuit kilometers hoog de lucht in. De zon wordt verduisterd en de maan bloedrood. Goden sturen vloedgolven op de stervelingen af, die eilanden overspoelen en heuvels met de grond gelijk maken.

Maar niet alleen heidenen denken er zo over. Ook de profeten van het Oude Testament zien in de krachten en machten van de natuur de hand van de Almachtige Schepper. Hij is het die de aarde doet wankelen. Hij is het die de zondvloed stuurt. Hij is het die de zon verduistert en sterren op aarde doet vallen. Sterker nog: al deze gebeurtenissen kondigen Gods komst aan. Het is alles teken van de grote dag dat God komt om alles recht te zetten. De dag van de grote afrekening. Aardbevingen, zonsverduisteringen, vallende sterren, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven en orkanen vormen het begin van de dag des Heren. De dies irae, de dag van Gods toorn. Natuurrampen moeten de mensen wakker schudden. Pas op: de storm steekt op! Berg je maar en zoek een veilige schuilplaats.

Ook onze HEER Jezus Christus sluit hier in Zijn woorden bij aan. Hij voorzegt in het evangelie, dat natuurrampen voorafgaan aan Zijn wederkomst. Stormen die over de wereld razen moeten ons hart sneller doen kloppen. Ze roepen ons toe: ‘Het duurt niet lang meer tot de tijd van Christus aan zal breken’. Hij komt! De tijd is nabij! Hij komt spoedig!

Bij de opening van het zesde zegel ziet Johannes op Patmos dit gebeuren. In zijn visioen heeft Johannes tot nu toe gezien dat het Lam, Jezus Zelf, één voor één de zeven zegels van de boekrol openmaakt. Deel voor deel ontrolt zich de geschiedenis ‘na Christus’. De dood en opstanding van het Lam brengen de wereldgeschiedenis in beweging. Zij spoedt zich naar het einde. Wat Johannes tot nu toe, in die eerste vijf zegels gezien heeft, is eigenlijk alleen nog maar menselijk te noemen. Het ging bij de opening van het eerste zegel over de gang van het evangelie over de wereld. De blijde boodschap verovert mensenharten. Daarna gaat het – in het tweede, derde en vierde zegel - over menselijke oorlogsvoering. De vrede verdwijnt van de aarde. Strijd, honger, besmettelijke ziekten zijn het gevolg. Het vijfde zegel gaat over geloofsvervolging. Eeuwenlang hebben martelaren hun bloed geofferd voor hun HEER. Ze volgen het Lam in leven én in sterven. Ze geven hun leven en roepen het uit: Hoe lang nog? Hoe lang moet het nog duren? Wanneer komt er een einde aan onrecht en vervolging? Wanneer wordt ons bloed gewroken en heeft het recht zijn loop?

Daar lijkt nu antwoord op te komen: het zesde zegel gaat open. Dan barst de bom, zou je zeggen. Er gaat gebeuren, wat de profeten hebben voorspeld. Wat Jezus Zelf heeft voorzegd. De natuur gaat mee doen. De natuurkrachten barsten los. De aarde beeft. De storm loeit. Sterren vallen uit de hemel. De dag wordt zwart, als de zon verduistert. De maan staat rood als bloed aan de hemel. Aardbewoners sidderen. Angstig, radeloos proberen ze zich te verstoppen in grotten en tussen de rotsen. Ze zoeken een veilig heenkomen voor de zware storm die over de aarde raast.

Misschien kunnen we dat gevoel in onze tijd een heel klein beetje aanvoelen. Dat gevoel van ‘berg je maar’. Dat gevoel van kleinheid en machteloosheid. Nu niet letterlijk bij ons de storm is losgebarsten, maar wel de figuurlijke stormen over ons heen razen. De zware stormen, die wij ‘crises’ noemen en achter elkaar over ons heen golven. De Coronastorm is gelukkig wat gaan liggen. De klimaatcrisis woedt in volle hevigheid. De oorlogscrisis komt ons land binnen met de Oekraïense vluchtelingen en de torenhoge energietarieven. We stevenen af op een economische crisis. We zijn in een geestelijk orkaanseizoen beland. We zoeken een veilig heenkomen, maar diep in ons hart weten we dat we kansloos zijn. Een gevoel van kleinheid, nietigheid, zwakheid overvalt ons.

Misschien heb je het zelf ooit ook aan den lijve ervaren. In de dingen die je overkomen zijn. Je staat machteloos als je een ernstig ongeluk krijgt. Je bent hulpeloos als een levensbedreigende ziekte je overvalt. Je voelt je radeloos als de dood een geliefde uit je leven wegrukt. Dan ben je maar een klein nietig mensje. Hulpeloos tegenover sterke machten. Speelbal van de golven, druppel in de oceaan. Je doet wat je kunt. Je vouwt je handen. Je buigt je knieën.

Bij de eerste lezers en hoorders van de Openbaring gaat dat gevoel van radeloosheid nog dieper. Zij doen wat wij in onze moderne wereld niet zo makkelijk meer doen. Ze brengen al die rampen rechtstreeks in verband met God. Johannes ziet, dat de hemel scheurt en zich oprolt als een boekrol. Dat wil zeggen: de hemelkoepel, het beschermend dak boven de aarde begeeft het. De afscheiding tussen mensenwereld en Gods hemelwoning zwaait open. Het dak gaat eraf. Zo komt de HERE God wel heel dichtbij. En als Hij komt – wie kan bestaan? Waar moet je je bergen? Waar ben jij veilig, als de hemelse Majesteit je bestormt?

Wanneer de aardbewoners merken dat de HERE God zó dichtbij komt, schreeuwen ze het uit. Ze willen wegkruipen in de aarde. Liever bedekt worden onder bergen en rotsen, verborgen voor het aangezicht van de Almachtige. Want – zo zeggen ze – de grote dag van Gods toorn is aangebroken en wie kan die doorstaan?

Wie kan Gods toorn doorstaan? Dat is waarschijnlijk geen vraag, die jij je stelt in deze tijd van crisis. Wij brengen de letterlijke en figuurlijke stormen niet direct in verband met God. Dat is ook goed. Eerst maar eens kijken wat we aan onszelf te wijten hebben. Door onze manier van omgaan met elkaar, met het milieu, met deze aarde. Vervolgens vragen wat we er zelf tegen kunnen doen. Maar misschien kunnen we daarna ook verder kijken dan onze menselijke neus lang is. Ons laten doordringen van Gods majesteit en heiligheid. Zijn stem verstaan, Zijn oproep serieus nemen. Door de tekens om ons heen te horen als Gods klop op de deur. Onze deur. De HERE God vraagt ons uit liefde met hart en ziel voor Hem te kiezen. Maar we kennen ons zelf: hoe vaak schieten we tekort? Hoe vaak stellen we Gods liefde teleur? Dus als Hij komt moet ook ik mij verbergen als Adam en Eva in het paradijs. Hoe kan ik mij staande houden in de storm? Hoe kan ik Gods storm doorstaan?

 Maar dan wordt het stil. Onverwacht stil. Even plotseling als het onheil kwam, wordt het stil op aarde. Alles wees erop, dat NU de grote dag van God is aangebroken. De tekenen der tijden zijn verschenen. Alles wankelt, alles staat op zijn kop. De HEER komt er aan, denken we. Dachten de mensen. Ja, dat dachten mensen telkens weer in de loop van de geschiedenis na Christus. ‘Het is zover. Het kan niet lang meer duren. Een kwestie van dagen, uren misschien. Maar nee, we hebben ons vergist. Het puin kan geruimd worden. De schade hersteld. De storm is gaan liggen. We gaan weer over tot de orde van de dag.

 Die onverwachte wending, ziet Johannes gebeuren. Hij vertelt over de stilte ná de storm. Vier engelen lijken zich klaar te maken voor de grote finale. Vier engelen voor de vier windstreken van de aarde. Vier engelen die het bevel voeren over de windvlagen. Ze stonden op het punt de ultieme orkaan over de aarde te laten blazen. Ze zouden de allesverwoestende laatste allerzwaarste storm ontketenen. Maar nee, ho, stop. Wacht. Een andere engel, uit het oosten, uit het land van de rijzende zon, een engel van het licht, roept hen toe: ‘Wacht! Stil! Nu nog niet!’.

 Het is deze engel, die het geduld van God verbeeldt. In naam van God beveelt hij: nog niet. Eerst moet er nog iets heel belangrijks gebeuren. Er moeten eerst nog mensen ‘verzegeld’ worden. Dat wil zeggen: ze krijgen een zegel op hun voorhoofd gedrukt. Een onuitwisbaar stempel. Een tattoo, zouden wij zeggen. Met het teken van het Lam, het teken van God.

 Een teken op je huid: in die tijd gebeurde dat met slaven. Ze kregen een symbool in hun huid gebrand. Aan dat symbool kon iedereen zien, wie hun rechtmatige eigenaar was. Soms waagde een slaaf het toch om weg te lopen. Zijn teken angstvallig verborgen onder zijn mantel. Als hij dan gesnapt werd, kreeg hij voor straf een teken op zijn voorhoofd gebrand. Dan kon iedereen het met één oogopslag zien: dat is een slaaf van die heer.

 Dat beeld krijgt Johannes in zijn visioen te zien. Mensen worden gebrandmerkt. Ze krijgen het teken van God op hun voorhoofd. Dat teken zegt: “Jij hoort bij het Lam. Jij hoort bij die ene HEER. Je bent niet van jezelf. Je hebt geen gezag over je zelf. Je bent een dienaar van Jezus, de HEER. Eén is het die jou in Zijn machtige handen houdt. Dat is de HEER van hemel en aarde. Dit teken helpt je om stand te houden. Om staande te blijven. Het sterkt jou in je geloof. Als je van Hem bent, als je Zijn slaaf bent, zal Hij voor je zorgen. Hij zal ervoor zorgen, dat je de zwaarste stormen zult doorstaan. Hij zal er door Zijn Heilige Geest voor zorgen, dat je geloof niet aan het wankelen raakt. Dat je vertrouwen niet omver wordt geblazen’.  

 Dan klinkt de vraag aan u en jou en mij: heb jij dat zegel, dat teken van God al ontvangen? Als je het nog niet hebt, mag je Hem erom vragen. ‘Heer, geef mij dat teken. Van U wil ik zijn. Bij U wil ik horen. Ik zou graag willen, dat U mij door het leven helpt. Tot op Uw grote dag. Ik wil bij U schuilen voor de zwaarste storm’.

 Een teken op het voorhoofd. In onze kerk verbeelden wij dat bij de doop. We sprenkelen druppels water op het voorhoofd. We tekenen het kruis op het gelaat. Maar het belangrijkste is natuurlijk: dat mensen het van ons gezicht, van ons voorhoofd af kunnen lezen. Iedereen mag zien, dat je ‘van Hem’ bent. Dat je gekocht en betaald bent door het bloed van het Lam. Iedereen mag merken dat het je kracht geeft en je staande houdt.
Dat de HEER ons draagt het leven door.
Als Hij voor ons is, wie zal tegen ons zijn?
We zijn veilig voor de zwaarste storm.