Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


'Stille getuigen'
Kerkdienst voor Paasmorgen

1 april 2018
Lezingen: Jesaja 43:10-13 en Johannes 1:1-10

klik hier voor de geluidsopname

"Hij zag het en geloofde" (Johannes 20:8b) 

 

Hoe komt een mens ertoe om te geloven? Dat is geen vraag waar ik in de loop van deze preek een antwoord op ga geven. Ik weet het namelijk niet. Ik weet niet hoe een mens tot geloof komt. Om het bij mezelf te houden: ik snap gewoon niet waarom ík geloof. Hoe ik er toe gekomen ben. Hoe ik wil blijven geloven, dat God bestaat. Dat er een leven na dit leven is. En al helemaal: dat Jezus is opgestaan uit de dood. Die opstanding van Jezus uit de dood, die we vandaag vieren, is de harde kern van het christelijk geloof. Reden voor dit Paasfeest, maar ook zo onmogelijk te begrijpen. Het lijkt namelijk in te druisen tegen de harde feiten. De feiten dat er geen einde lijkt te komen aan de pijn en het verdriet van mensen. Geen einde aan oorlog en geweld, honger en natuurrampen. Het onrecht lijkt te winnen. Dat gaat maar door en gaat maar door. Ook in het gewone leven van gewone mensen. Mensen worden geboren en gaan vroeg of laat weer dood. En daartussen zoveel ernstige ziektes, ongelukken, gebroken relaties. Dat is wat we om ons heen zien gebeuren. Uiteindelijk eindigt elk leven in een nederlaag. Je moet het opgeven. Je moet het overgeven. Je moet jezelf uit handen geven. Wie zegt dat daar ooit een einde aan zal komen? Wie zegt me dat de dood en al zijn duivelse compagnons het niet zullen winnen? Het lijkt zo onlogisch, zo ongelofelijk. Ik ben toch niet gek? Ik probeer in ieder geval altijd mijn verstand te gebruiken. Kun je dan niet beter leven bij het hier en nu? Kun je niet beter genoegen nemen met eten drinken en vrolijk zijn? ‘Try before you die’. ‘Alles eruit halen, wat erin zit’. Kun je niet beter gewoon positief denken en optimistisch zijn? Daar heb je toch geen geloof voor nodig? Volgens het laatste onderzoek van het CBS is optimisme onder de Nederlandse bevolking de laatste tijd snel gegroeid tot 49 %. Terwijl het geloof steeds verder op zijn retour is. Waarom blijven we nog geloven dat Jezus Christus is opgestaan uit de dood? Zijn we niet kortzichtig en wereldvreemd, als we dat geloven?

Ik stel voor dat we het vanmorgen eens aan iemand vragen. Niet zo maar iemand. Laten we het gaan vragen aan één van de gelovigen van het eerste uur. Laten we het vragen aan de allereerste die het geloofde, op de allereerste Paasdag. Over die allereerste gelovige lezen we in het Johannesevangelie. JOHANNES-evangelie – de naam zegt het al: het wordt toegeschreven aan Johannes. Johannes, één van de twaalf discipelen, is de schrijver. Maar wie is Johannes? In het hele Johannesevangelie komt zijn eigen naam niet voor. Maar er komt wel een leerling voor wiens naam niet genoemd wordt. Deze naamloze leerling wordt een paar keer omschreven met de woorden “de leerling van wie Jezus hield”. Hij duikt op verschillende plaatsen op. Hij zit bijvoorbeeld naast Jezus aan de tafel van het laatste Avondmaal. Hij staat met Maria, de moeder van Jezus, aan de voet van het kruis. En hij verschijnt ook hier, in het Paasevangelie uit Johannes 20. Samen met die beroemde, meest bekende andere leerling Petrus. ‘De leerling van wie Jezus veel hield’ is dus een soort ‘mysteryguest’, Een soort ‘mol’ uit ‘wie is de mol’, maar dan wel positief. Een positief voorbeeld van geloof. Zelfs de eerste gelovige. De eerste die gelooft dat Jezus uit de dood is opgestaan.

We zoeken hem op in Efeze. Dat is de stad waar hij zijn laatste jaren doorgebracht heeft. Als een soort bisschop, een soort predikant van Efeze. Met gemeenteleden om zich heen. Johannes is een oude man geworden. Maar zijn geloof is nog springlevend, als we hem aantreffen.

Ja, dat klopt, zegt hij, ik was inderdaad de eerste die het geloofde. Op die dag van Jezus’ opstanding. Het is nu lang geleden maar ik herinner met het nog als de dag van gisteren. De belangrijkste dagen van je leven herinner je je vaak nog van minuut tot minuut. Met allerlei onbelangrijke détails. Die dag van Jezus’ opstanding was voor mij de belangrijkste dag uit mijn leven. Je kunt zeggen: toen kwam ik tot geloof. Hoe ik daartoe gekomen ben, vraag je? Nou, simpel gezegd: dat kwam door de ‘stille getuigen’. Maar laat ik bij het begin beginnen. Die eerste Paasdag begint bij mij als er op de deur gebonsd wordt. Het is nog vroeg. Op deze eerste dag van de week. Ik heb nog maar net mijn ogen open gedaan. Dramatisch droeve dagen liggen achter mij. Mijn Heer en Meester, mijn rabbi Jezus is gestorven. Door Zijn dood lag mijn leven in duigen. Ik was ooit door Jezus geroepen. Ik had mijn vader Zebedeüs en zijn vissersbedrijf in de steek gelaten. Ik was Jezus gevolgd. En nu was Hij dood. Gestorven aan het kruis. Zijn leven afgelopen. Mijn leven zinloos. Die diepe droefheid hield me eerst uit de slaap. Maar de nacht van zaterdag op zondag slaap ik als een blok. Totdat die twee mensen voor mijn deur staan: Maria Magdalena en Simon Petrus. Ze kloppen mij wakker ‘Je bed uit, Johannes. We moeten naar het graf. Er is iets aan de hand’. ‘De steen is weg, roept Maria, ‘ze hebben Jezus meegenomen! En we weten niet waar ze hem hebben gelegd’. ‘Dat moet ik eerst maar eens even zien’, zeg ik tegen Petrus. Ik trek snel wat kleren aan en sprint weg. ‘Kom op, Petrus, we gaan het met eigen ogen bekijken. Praatjes moet je niet zo maar geloven’. Ik weet nog precies hoe het ging: Ik was sneller dan Petrus. Jongere benen lopen nu eenmaal harder. Petrus wordt meestal haantje de voorste genoemd, maar die dag was ik hem voor. Niet alleen letterlijk, ook in geloof.

Bij het graf aangekomen, zien we de stille getuigen. Ja, stil is het, die morgen. Muisstil. Jullie zingen vaak ‘daar juicht een toon daar klinkt een stem die galmt door gans Jeruzalem’, maar daar klopt niets van. Het is stil bij het graf, als ik er aan kom. Eerst zie ik niets bijzonders. Nou ja, het graf is open. De steen is weggerold. Maar dat kan gebeuren. Zo’n graf dat in de rotsen is uitgehouwen bevat meerdere grafkamers. Er kunnen meer mensen begraven worden. Jozef van Arimathea, de eigenaar van dit graf, heeft misschien weer iemand te begraven. Het graf ga ik niet binnen. Wat wil je: ik ben een gelovige Joodse man. Die gaat niet zo maar een graf binnen. Je bent dan namelijk een tijd lang niet kosjer. Het is die week Pesachfeest, dus dat wil je niet. Dan kan ik niet meedoen met alle rituelen. Dus: een snelle blik naar binnen is voldoende. Ik vang een glimp op van de witte linnen doeken. De lijkwindsels. Genoeg gezien. Maar Petrus komt achter mij aan. Buiten adem. Hij duwt me opzij. Hij stapt naar binnen. Het graf in. En wat hij ziet! ‘Johannes, kom kijken’. Ik naar binnen. Ik kijk over de schouders van Petrus mee. ‘Kijk, de linnen doeken! Ze zijn leeg. En de zweetdoek, die op het gezicht van Jezus werd gelegd! Die ligt netjes opgerold in een hoekje. Wat is dit?’ Petrus kijkt me aan met verbaasde, verdwaasde ogen. ‘Dit kan niet!’. Hij duwt mij opzij en loopt het graf uit. Hij laat mij staan – en dat is het moment. Het gaat als een flits door me heen. Eerst door mijn hersenen – jazeker, ik ben niet gek. Wacht even: linnen doeken. Een opgerolde zweetdoek. De stille getuigen… Een misdaad kan het niet zijn. Grafroof? Wie steelt er nu een lijk? Al helemaal: wie steelt er nu een lijk en haalt het eerst uit de lijkwade? En welke rover rolt eerst netjes de doek op? Geen grafroof. Maar dan is er toch maar één conclusie mogelijk… Dan is de vogel gevlogen. Dan heeft de vlinder de cocon verlaten. Dan heeft de HEER de dood achter zich gelaten. Dat flitst door mijn gedachten. ‘Opgestaan!’ Maar het schiet vooral door mijn hele lichaam heen. Waarlijk opgestaan! Er juicht op die dag geen toon door gans Jeruzalem, maar het galmt wel door mijn hart. De HEER is waarlijk opgestaan. Het staat voor mij vanaf dat moment voor 100 % vast. Jezus leeft! Die stille getuigen hebben mij overtuigd.

Ja, ik was dus inderdaad de eerste van alle gelovigen. ‘Ere wie ere toekomt?’ zeg je dan. Nee, denk niet dat ik er trots op ben, dat ik de eerste was. Integendeel! Ik had nog veel eerder moeten geloven. Ik was nog veel te laat met mijn geloof. Ik had Jezus op zijn woord moeten geloven, toen Hij al tijdens Zijn leven dit beloofde. ‘Na drie dagen zal Ik opstaan’. Als gelovige Jood had ik het ook al lang kunnen weten. Dat de HERE God Zijn kinderen niet in het graf laat. Hij heeft toch Israël bevrijd uit het doodsgebied Egypte? Hij heeft toch David geholpen tegen de Filistijn Goliath? Hij heeft toch Daniël gered uit de leeuwenkuil? Ik had het kunnen weten uit de Schrift, uit mijn Bijbel. Zonder het te zien, had ik kunnen geloven. Maar ik moest eerst zien, dan geloven. Achteraf schaam ik me daarvoor.

Ik heb veel meer waardering voor mensen die niet zien en toch geloven. Weet je, ik ben hier bisschop van Efeze. Pastor, predikant, kun je me noemen. Vanmorgen zat ik aan het ziekbed van een jong meisje. Ze is doodziek. Beroemde artsen van Efeze zijn erbij geroepen, maar ze kunnen niets meer voor haar doen. Ze zal spoedig sterven. Maar ze gelooft in Jezus. Ze leeft met Hem. Ze is er vast van overtuigd dat niets haar van Jezus kan scheiden. Zelfs de dood niet. Tegen zo iemand kijk ik vol bewondering op.

Ik denk ook aan die vluchteling uit het binnenland van Klein-Azië. Een paar dagen geleden kwam hij hier in Efeze aan. In zijn eigen dorp op het platteland werd hij gediscrimineerd. Ze wilden hem gevangen zetten en ter dood veroordelen. Enkel en alleen omdat hij in Jezus gelooft. In plaats van zijn geloof op te geven, is hij gevlucht. Hij is nota bene God dankbaar dat hij bij ons hier voorlopig veilig is. Voor zo iemand heb ik waardering.

Maar voor mezelf? Ik moest eerst zien om te geloven. Eerst die stille getuigen. ‘s Avond op de eerste Paasdag heb ik Jezus zelfs in levenden lijve gezien. Ik MOET mijn ogen wel geloven. Ik mag getuige zijn van Gods licht, omdat ik het met eigen ogen gezien heb. God is mij zeer genadig geweest. Mijn naam is Johannes. Dat betekent ‘de HEER is genadig’. Ik noem mij voor het gemak van de Griekse lezers van mijn evangelie: ‘de leerling van wie Jezus hield’. Ik ben de eerste die geloofde, dat Jezus leeft. Oneindig veel belangrijk is dat de HEER mij eerst heeft liefgehad. Want Zijn liefde is alles wat overblijft. Zijn liefde duurt een eeuwigheid. Ook voor jou.