Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

Stem in de stilte
Morgendienst 16 februari 2020 

Het Centrum Nijverdal

In deze dienst wordt de Pioniersplek Op Weg In De Stilte officieel geopend

geluidsopname kerkomroep

Schriftlezingen: 1 Samuël 3 en Matteüs 5:17-20

 

"Spreek, HEER, uw dienaar luistert" (1 Samuël 3:9)

Het is donker. Het is nacht. Het is koud. Ik ben op weg. Op weg in de stilte van de nacht. Ik ben op weg naar een bijzondere plek. Het stadje heet Silo. Het ligt zo’n dertig kilometer ten noorden van Jeruzalem. In het bergland van Judea. In dat stadje Silo staat een heiligdom. Het is eigenlijk een tent. Een heilige tent. Een ‘tabernakel’ met een deftig woord. Daaromheen zijn wat gebouwtjes uit steen opgetrokken. Dat zijn de verblijven voor het personeel, de priesters die er dienst doen, schoonmaaksters en klusjesmannen. En er zijn gastenverblijven. Vooral op feestdagen zitten die vol. Men komt van heinde en verre om in Silo offers te brengen, te bidden en elkaar te ontmoeten. Het middelpunt van de religieuze activiteit staat in die tent, achter een dik gordijn. Daar staat een kleine kist van pakweg een meter bij een meter bij een meter. Een kist van hout, maar met goud overtrokken. Er bovenop staan twee engelenfiguren. Die kist noemen ze ‘de Ark’ of ‘de Ark van het verbond’. Het moet een prachtig ding zijn, maar je mag hem niet zien. Niemand mag zo maar de tent binnengaan. Dat is tegen de religieuze regels. Alleen bepaalde priesters op bepaalde dagen mogen erbij. Het is een superheilige plek. Men vertelt, dat God daar is. Tenminste: Dat geloven ze, de mensen die daar wonen. Er zijn er trouwens niet veel meer die het ook écht geloven. Boze tongen beweren dat het er heel slecht aan toe gaat in Silo. De meeste priesters die er dienst doen dienen alleen hun eigen belang. Ze persen de pelgrims geld en goederen af. Ze randen vrouwen aan. Hun liefde tot God gaat door hun maag en hun onderbuik. Zoals het zo vaak is gebeurd, gebeurt het ook daar. Ze misbruiken godsdienst om er zelf beter van te worden. Ze spannen God voor hun karretje. Men zegt dat er eigenlijk in Silo nog maar twee serieuze gelovigen over zijn. Twee ‘diehards’, twee principiële fanatiekelingen, die koste wat kost volhouden. Die het nog écht blijven geloven. Het zijn een stokoude man en een kleine jongen van een jaar of 12. De oude man heet Eli. De jongen luistert naar de naam Samuël. Zij passen samen op de tent. Tot de oude man straks de laatste adem uitblaast. Ik vraag me af wat er dan met dat jochie gaat gebeuren.

Ze passen op de tent…. Het klinkt misschien wat somber en pessimistisch, maar dat lijkt op het gevoel dat ik soms heb. Als werker in de kerk. Dominee, ouderling, diaken, kerkrentmeester of welke vrijwilliger dan ook. Kerkenwerk als ‘op de tent passen’. Niet meer en niet minder. Zo’n oude tent als de tabernakel. Met een interessant verhaal. Een lange, roemruchte historie. Kerkgeschiedenis. Zeker: die kerk heeft ook een geschiedenis van misbruikschandalen en Metoo-affaires. Het is er niks beter dan in Silo. Maar er zijn ook mooie verhalen te vertellen. Over groei en bloei. Hoe honderden mensen elke zondag optrokken naar de kerk. Hoe de kerk tjokvol zat bij een spetterende jeugddienst of een populaire dominee. Hoe de kerk zich het lot aantrok van minderbedeelden. Hoe mensen van de kerk zieken opzochten. Hoe de kerk present was bij rouw en trouw. Bovendien hebben we in de kerk nog een aantal tradities bewaard. We eten bij tijd en wijle een stukje brood en drinken daarbij een slokje wijn. We besprenkelen pasgeboren baby’s met een paar handjes water. Dat doen we nog steeds. Want we geloven er in. Het zijn de tekens van Gods liefde, waar we nog altijd vol van zijn. Elke zondag komen er toch nog best wat mensen om daar samen over te zingen, te bidden en te luisteren naar verhalen uit het ‘oude boek’. Ook kinderen en jongeren komen nog, al is het mondjesmaat. Want de echte bloeitijd – Die is toch wel voorbij. Het is nog niet zo erg als in Silo, waar nog twee echte gelovigen over zijn, maar hoe lang nog? Als je de sociologen moet geloven zullen zo rond 2050 al onze traditionele kerken gesloten zijn. Dus passen we nog op de tent. Niet meer en niet minder.

Maar loop nu eens – in gedachten – met mij mee naar Silo. In de nacht. In de kou. In de stilte op weg naar dat heiligdom daar. Met die oude man en die kleine jongen. Eli en Samuël. Kijk, ik zie daar iets van licht in de verte. Als ik dichterbij kom, zie ik dat het een lamp is, een kandelaar. Hij brandt. Ook dat is zo’n oude religieuze gewoonte. Elke avond wordt deze ‘godslamp’ aangestoken. Er wordt precies genoeg olie in gedaan zodat hij de hele nacht kan blijven branden. Als ik stilletjes dichterbij sluip en mijn ogen wat wennen aan het zwakke lichtschijnsel, zie ik daarbij, op de grond de jongen liggen. Dat moet Samuël zijn. De jongen die op de tent past. Even verder zie ik ook de slaapplaats van de oude man. Dat zijn ze dus – de harde kern van Silo. De laatst overgeblevenen, die straks het licht voorgoed zullen gaan doven. Eerlijk gezegd heb ik bewondering voor die twee. Ze houden vol. Elke avond gaat er weer een beetje olie in de lamp. Elke morgen wordt er weer gebeden, offers gebracht. Elke dag vertellen deze twee weer het verhaal van God die mensen liefheeft. Elke dag proberen de oude man en de jongen samen te voorkomen dat ook dit laatste bolwerk door de goddeloze bende wordt ingenomen. Toegewijd passen ze op de tent… tot het licht definitief dooft, want daar kun je toch op wachten?

Het licht doven. Hoe lang nog voordat het licht in Nederland uitgaat? Het licht van het evangelie? Op de ‘blijde boodschap’ zitten toch steeds minder mensen te wachten? En wat doen we eraan? Eerlijk gezegd weet ik het niet, wat we eraan moeten doen. Natuurlijk zoeken we naar nieuwe vormen. We slaan nieuwe wegen in. Maar de kerk redden, onze kerk redden – ik zou niet weten hoe dat moet. We hebben het afgeleerd om hoog van de toren te blazen. We zijn maar een kleine groep die niet veel invloed kan uitoefenen op de samenleving. Ik zou niet weten wat wij anders moeten doen dan Eli en Samuël. Gewoon zorgen dat alles doorgaat. Gewoon doen wat God van je vraagt. Bidden en werken. Zo goed mogelijk. Zo trouw mogelijk. Zoals de HEER het bevolen heeft in Zijn geboden. Nauwgezet, zoals Jezus het zegt: geen tittel of jota, niet het kleinste tekentje of lettertje vergeten. En: geen woorden maar daden. Daden van gerechtigheid. Zoals Eli en Samuël doen. Elke avond het lichtje weer aansteken. Dan gaan liggen en gaan slapen. In de stilte. In de nacht. In de kou van de wereld om je heen. Maar wel: in verwachting. In verlangen. In vertrouwen op God. Stil vertrouwen. Want we geloven dat er een HEER is die spreken zal. Zelfs Eli is bijna vergeten dat dat kan gebeuren. We zien bij ons nachtelijk bezoekje hoe de kleine Samuël drie keer tevergeefs opstaat. Drie keer denkt Samuël dat Eli hem geroepen heeft. Samuël weet niet dat God kan spreken. Hoe kan hij het weten. Het is hem nooit verteld. Eli kan het weten, maar die is het bijna vergeten. Na de derde keer gaat bij hem pas het lampje branden. De oude man onderwijst de kleine jongen. Een belangrijk catecheselesje: de HEER is een God die spreken kan. Hij kan jou roepen. ‘Samuël’ – of hoe je ook heet. Want – geloof het maar: Hij kent jouw naam. Hij kan jou gebruiken. Je mag Zijn dienaar zijn. Je mag Zijn boodschap doorgeven. Zijn lamp aansteken. Precies doen wat Hij je opdraagt. Geen tittel of jota vergeten.

Wat staat ons te doen als kerk in onze tijd? Wat kunnen we beter doen dan als pioniers op weg gaan. Gebaande wegen en nieuwe wegen. Op weg in de stilte. Om in die stilte heel goed te luisteren. Naar de stem die de stilte niet breekt. Gods stille stem, die ons aanspreekt. Heel persoonlijk, in ons hart. Die ons roept bij onze naam. Die ons uitnodigt om met Hem mee op weg te gaan. Door de nacht. Tot ons lichtje uitgaat. Maar dan zal Zijn lieflijk morgenlicht ons aanstoten, ons verwarmen, ons tot leven wekken.