Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Spreken is goud...
Kerkdienst op 10 februari 2019 te Kudelstaart

Schriftlezing: Ester 4 en Lucas 4:21-30

Geluidsopname

“Als jij nu je mond niet opendoet, nu het moment daar is, komt er van een andere kant wel uitkomst en redding voor de Joden. Maar jij en je vaders familie komen dan om. Wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze” (Ester 4:14)

 Het spreekwoord luidt: ‘Spreken is zilver, zwijgen is goud. Dat is een wijs woord. Een goede raad. Zeker voor wie nogal loslippig is. Als je allerlei dingen er zo maar uit flapt, die je later betreurt. ‘O wee’, denk je achteraf, dus té laat, ‘had ik dat maar niet gezegd. Had ik mijn mond maar gehouden’. Zwijgen is een gouden tip tegen een onbezonnen woord. Een geheim, dat je eigenlijk had moeten bewaren…. Een gevoel, dat je beter even niet onder woorden had kunnen brengen…. Een scherpe opmerking, waarbij je beter eerst tot tien had kunnen tellen… Zwijgen is goud!

Maar spreekwoorden hebben niet altijd gelijk. Ze gelden niet in alle omstandigheden. Er zijn uitzonderingen, die de regel bevestigen. Zo is het ook met spreken en zwijgen. Zwijgen moet – misschien vaker dan je geneigd bent. Maar spreken moet ook: tegen onrecht, tegen zinloos geweld, tegen discriminatie moet jij je stem verheffen! Op zijn tijd, op de juiste tijd…. Als het moment daar is.

‘En nú is het moment daar’, zegt Mordechai tegen Ester. Hij zegt dat niet rechtstreeks – van mond tot oor. Mordechai staat vóór de Koningspoort; Ester zit er achter. Zij is de koningin. In het paleis van de grote Perzische koning Ahasveros. En al is Mordechai de oom van Ester, rechtstreeks contact met één van de belangrijkste vrouwen van de koning, mag ook hij niet hebben. Dus één van haar bedienden brengt Mordechai’s onheilspellende bericht over aan koningin Ester. De Joden lopen groot gevaar. Haman wil alle Joden uit de weg ruimen. De koning heeft zijn toestemming al gegeven. Dus zegt Mordechai tegen Ester: ‘NU is het moment daar! NU geldt het mooie spreekwoord niet langer. NU moet jij niet langer zwijgen, maar spreken!’

Tot nu toe heeft Ester gezwegen. Juist op advies van oom Mordechai heeft Ester niet verteld, dat zij van Joodse afkomst is. Dat zou haar carrière als koningin waarschijnlijk danig bedorven hebben. Als Joodse vrouw was ze nooit uitgekozen om koningin van Perzië te worden. Want JOOD zijn – dat is al duizenden jaren lang geen mooi visitekaartje. Dat kun je al eeuwenlang beter niet in je paspoort of op je CV zetten. Zoals je tegenwoordig met een stempel van de Israëlische douane in je paspoort, niet welkom bent in Saoedi-Arabië, Iran en vele andere landen van het Midden-Oosten. Je kunt maar beter verzwijgen, dat je ooit in Israël bent geweest, al was het op vakantie.

In heel veel landen is het nog steeds zo, dat je uit moet kijken, als je Jood bent. Daarover kun je beter je mond houden. Zoals het was tijdens de Duitse bezetting van ons land. Een Joods onderduikerskind moest als christelijk pleegkind door het leven gaan. En dan maar hopen, dat iedereen, die de waarheid wist, erover zweeg… Zwijgen is goud… voor je bestwil!

Maar NU is voor Ester het moment gekomen, dat de waarheid niet langer verzwegen mag worden. Nu moet ze naar de zaal van het paleis, waar koning Ahasveros troont. Ze loopt daarbij levensgevaarlijk risico, maar ze MOET! Ze moet spreken!

De harde waarheid van het boek Ester is van alle tijden. Wat we in dit Bijbelboek lezen, gebeurt in de geschiedenis telkens weer opnieuw. Jodenhaat, Antisemitisme, pogingen om het volk van God, om Israël van de kaart te vegen. De Joden uit te roeien. Dat begon al in Egypte met de Farao. Dat ging door via Hitler. Dat willen heden ten dage de verre opvolgers van de Perzische koning Ahasveros. De ayatolla’s van het voormalige Perzië, Iran. Maar ook de terroristen van Isis, Hamas en Hezbollah.

Israël moet verdwijnen. De Joden moeten uitgeroeid worden. Dat is ook de grote wens van Jodenhater Haman uit het boek Ester. In Esther 4 pakken zich dus voor de zoveelste keer donkere wolken samen boven het Joodse volk. Haman heeft zijn zin gekregen van de koning! Op een afgesproken dag, die hij door het lot heeft bepaald, zal de grote Endlösung plaatsvinden. Ja, Haman heeft het lot, het ‘poer’ (in het Hebreeuws) geworpen. Dat lot heeft bepaald, dat op de dertiende dag van de twaalfde maand de Joden zullen worden uitgeroeid. Haman heeft dit koninklijk besluit weten los te peuteren van de Perzische koning. Brieven met het koninklijk zegel zijn overal verspreid. Het is een Wet van Meden en Perzen, die niet herroepen kan worden. Nog een paar maanden – dan is het ‘Joodse vraagstuk’ voorgoed opgelost…

En DUS is het moment NU daar. De tijd van zwijgen is voorbij. Er moet gesproken worden. Vóórdat het zover is. Voordat het te laat is. Hoeveel tijd hebben we nog om deze dodelijke dreiging af te wenden? Hoeveel maanden zijn er nog – tot de grote onheilsdag komt? De dertiende dag van de twaalfde maand gaat het gebeuren…

Op het moment, dat Mordechai alarm slaat, zijn er nog precies elf maanden te gaan. Het is DAN de dertiende dag van de eerste maand – de Joodse maand Nisan. Een Joodse lezer weet dan precies HOE laat het is. Net als wij het precies zouden weten, als het 24 december zou zijn geweest. De dag voor Kerst - kerstavond. Voor de Joden is de dertiende van de eerste maand de dag voor het Pesachfeest – het feest van de uittocht uit Egypte. Op de avond van die dag moet er gegeten en gedronken worden van de Paasmaaltijd. Het bloed van het Paaslam moet vergoten worden, als herinnering aan de engel des doods, die aan de Joden voorbijging. De dood ging onze deur voorbij. Maar nu staat die dood wéér voor onze deuren. Dus Pesach is het ‘nu even niet’. Er kan niet gegeten en gedronken worden. Er moet gevast worden. Want alleen Ester kan het onheil afwenden. Zij moet als eenmaal Mozes in Egypte naar de koning gaan om haar volk te redden van de ondergang. Zij moet niet langer haar mond houden, maar SPREKEN. Zij moet spreken in Gods Naam…

In Gods Naam…?? Misschien heb je wel eens gehoord, wat het meest opvallende kenmerk is van het boek Ester. Een kenmerk, dat het eeuwenlang tot een omstreden boek heeft gemaakt. Veel Joodse rabbijnen en later ook christelijke theologen hadden er moeite mee, dat het boek Ester in de Bijbel was opgenomen. Waarom? Vanwege het opvallende feit, dat het woordje GOD er niet in voorkomt. Lees vandaag als je tijd hebt het hele boek maar door  – je zult de woorden ‘God’, Heer’ of welke Godsnaam ook, in het boek Ester niet aantreffen. Ester is het enige Bijbelboek, waarin dat zo is. Je zou kunnen zeggen: In dit Bijbelboek wordt over God gezwegen. En – vraag je je af – is ook hier ‘spreken zilver en zwijgen goud’? Is spreken over God zilver en zwijgen over God goud?

Nou, dat is zeker het overwegen waard. Vaak wordt de naam van God misbruikt voor alle mogelijke kwade bedoelingen. In de loop van de geschiedenis tot op de dag van vandaag. Ook wij lopen het risico om Gods Naam te pas en te onpas te gebruiken en dus te misbruiken. De goede regel van de ‘Bond tegen vloeken’ moeten ook wij ter harte nemen: ‘Spreek vrijmoedig over God, maar misbruik nooit Zijn Naam’. Kijk goed uit wat je zegt, als je God erbij haalt.

Mordechai neemt het woordje ‘God’ niet in de mond, nu het moment daar is. Maar tussen de regels door spreekt hij wél zijn rotsvast vertrouwen uit. Voor een goede verstaander. Hoor maar wat hij zegt tegen Ester: ‘Als jij je mond niet opendoet, komt er van een andere kant wel uitkomst voor de Joden’. Hij heeft het over ‘hulp van een andere kant’. Hulp uit onverwachte hoek, zouden wij zeggen. Die hulp zal opdagen als Ester haar verantwoordelijkheid niet neemt. Opvallend! Mordechai gaat er in deze woorden dus niet van uit, dat alles hopeloos is, als Ester blijft zwijgen. Hij gaat er zélfs niet van uit, dat Ester de laatste strohalm is. Zij is niet het zijden draadje waaraan Gods volk hangt. Integendeel! Er is nog ‘een andere kant’. Dat wil zeggen: Gods kant! God zal redden. Als Ester niet naar de koning gaat en dus haar mond houdt, dan zal er van die andere kant redding komen voor Israël. ‘Vanuit een andere plaats’, zegt Mordechai letterlijk. En daarmee bedoelt hij GODS kant en GODS plaats mee. Latere Joodse traditie heeft dit spreken van Mordechai overgenomen. In plaats van de naam van God spreekt men over de Eeuwige, of de Almachtige, maar ook over ‘de Plaats’. Die ‘plaats’ komt ook bij Mozes voor, als hij voor de brandende braamstruik staat. Hij hoort daar Gods stem: De plaats, waarop je staat, is heilige grond. Later wordt de tempel Gods ‘plaats’ genoemd. Vanuit díe plaats, die heilige plaats, houdt de HERE God zijn volk in het oog. Vanuit die plaats waakt Hij over Israël. Hij redt en bewaart Zijn volk – tegen alle bedreiging in. De Plaats is ‘de plaats van God’, waarnaar wij onze ogen opheffen, van waar onze hulp komt.

Die Plaats werd vlees en bloed, werd Mens in Jezus Christus. Hij was Gods plekje op aarde, waar onze hulp vandaan komt. Toen het moment DAAR was, heeft God het zwijgen doorbroken. Hij heeft gesproken door Zijn Zoon. Te midden van Zijn eigen volk, het Joodse volk, in de synagoge van Nazareth begon Hij te spreken. Daar werd Zijn woord vervuld. ‘Vandaag hebben jullie de Schrift in vervulling horen gaan’, spreekt Hij. Door Zijn woord komt er leven, dat niet kapot te krijgen is. De bewoners van Nazareth kunnen Hem niet monddood maken. Het kruis kan Hem niet tot zwijgen brengen. Op Paasfeest ging de mond van het graf open. Op Pinksteren sprak Zijn Geest in alle talen. Het Woord van de HEER gaat de wereld over. Getuigen spreken vrijmoedig over God.

Het volk van Jezus Christus uit Joden en heidenen mag leven van Gods woorden. De HEER bewaart Zijn volk Israël. De HEER bewaart Zijn kerk ‘onder Zijn Woord’. Gods spreken, Gods woorden zijn kostbaarder dan goud.

Zalig zijn wij, als wij Gods Woord horen en eruit leven. Gods Woord horen en… onze verantwoordelijkheid nemen. Dan kunnen spreken en zwijgen zilver zijn. Handelen uit liefde is het échte goud.