Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 

RECHT!
Kerkdienst 22 oktober 2017
Lezingen: Exodus 22:20-26 en Lucas 18:1-8

Opname van deze kerkdienst

Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’” (Lucas 18:8)

Als er één beroep is dat ik nooit zou KUNNEN uitoefenen is het wel het beroep van rechter. Ik zou het niet kunnen en dus ook niet willen. Niet omdat het geen interessant, veelzijdig en uitdagend beroep is. Integendeel. Ik zou me geen moment vervelen. Niet omdat je er geen goede boterham mee kunt verdienen. Het salaris van een rechter is waarschijnlijk vele malen hoger dan het traktement van de dominee. Maar ik zou toch geen rechter willen zijn, omdat ik het echt niet zou kunnen. Ik zou van tevoren slapeloze nachten hebben, als mij het proces werd toegewezen van een verdachte. Ik zou er al moeite mee hebben om de jongen die betrokken was bij een vechtpartijtje een taakstraf te geven. Laat staan dat ík de rechter zou zijn in het proces tegen de vermeende moordenaars van die twee veertienjarige meisjes, die afgelopen zomer zijn vermoord. Of dat ík een oordeel zou moeten vellen over de man die Anne Faber heeft vermoord. Je zult maar de rechter zijn die deze man ooit veroordeeld heeft! Of degene die van mening was dat ‘Michael P.’ al in staat was om zich voor te bereiden op zijn terugkeer in de samenleving. Als ik het was geweest, zou ik mezelf nu voor de kop slaan. Ik zou geen oog meer dicht doen. Naar mijn mening is rechter één van de moeilijkste, misschien wel het allermoeilijkste beroep dat er bestaat. En het zou goed zijn, als wij juist ook rechters wijsheid zouden toebidden.

Een rechter moet ‘recht verschaffen’. ‘Recht DOEN’ – zo staat er letterlijk in het Grieks van onze Bijbeltekst. Ja, DOEN. Hij of zij moet HANDELEN. Een rechter moet wikken en wegen. Allerlei dingen tegen elkaar afwegen. Zijn er verzachtende of juist verzwarende omstandigheden? Is deze verdachte toerekenings- of ontoerekeningsvatbaar? Heeft hij een goede of slechte jeugd gehad? En vooral: heeft hij het wel echt gedaan, nu hij glashard blijft ontkennen of van zijn zwijgrecht gebruik maakt? Is hij wel echt schuldig? Want het zou toch verschrikkelijk zijn als iemand onschuldig in de gevangenis komt. Zoals de twee verdachten uit de Puttense moordzaak of Lucia de Berk. Ze zaten jarenlang in de cel en bleken uiteindelijk onschuldig. Zo moet je als rechter wikken en wegen. Maar uiteindelijk komt het moment, liefst zo snel mogelijk, dat je moet handelen. Een oordeel vellen. Recht verschaffen! Recht doen! Dat zou ik als rechter op mijn geweten hebben? Nee, mij niet gezien. Want – zo is het tegenwoordig ook nog eens een keer: de hele bevolking kijkt over je schouder mee, als je een oordeel velt. De pers staat op de stoep. Sterker nog: de pers zit in de rechtszaal en twittert de berichten naar het publiek… Achteraf beoordeelt Peter R. de Vries of het wel goed is gegaan. Voor het oog van heel Nederland slaat de rechter met de hamer: DIT is mijn uitspraak. Daar moet u het mee doen. Dit is mijn oordeel. Dit is: RECHT!

In het oude Oosten, in het Bijbelse Israël, was de rechtsspraak overigens niet minder openbaar dan bij ons. Er bestonden geen moderne media, maar een rechtbank zetelde in de poort van de stad. Waar handel werd gedreven. Waar markt werd gehouden. Waar iedereen in- en uitging. Elke stad van een redelijk grootte had een paar oude wijze mannen – soms ook vrouwen. Richters, rechters, richteressen. Als je iets hebt, als jou onrecht is aangedaan, ga je naar hen toe. Je weet waar je hen kan vinden: in de poort van de stad. Juist in de poort waar iedereen kan zien en horen wat er gebeurt. Niet in een hoekje ergens achteraf, maar letterlijk: OPENBARE gerechtigheid. Het recht is een publieke zaak.

Jezus laat ons in Zijn gelijkenis zien hoe belangrijk dat is. De rechter waar Hij het over heeft is een onrechtvaardige rechter. Iemand die geen ontzag heeft voor God. Daarmee wordt geen atheïst bedoelt. Deze rechter is niet iemand die niet in God gelooft. Hij is iemand die God niet VREEST – die geen ontzag heeft voor God en zich niets aan de mensen gelegen laat liggen. Een rechter dus die de twee hoofdgeboden van Gods Wet aan zijn laars lapt. God liefhebben boven alles? De naaste als jezelf? ‘Mij niet gezien’, denkt deze rechter. ‘Ik denk alleen aan mezelf. Het kan mij niet schelen wat God van mij denkt’. Geen slechtere rechter dan een onrechtvaardige rechter, zou je zeggen. Maar – aldus de gelijkenis – zelfs deze rechter verschaft uiteindelijk recht.

Hij doet recht in de zaak van ‘Weduwe X’. Weduwe X is degene die bij deze rechter aanklopt. ‘Aanklopt?’ Zelfs dát hoeft ze dus niet te doen. Ze hoeft slechts op bepaalde tijden naar de poort van de stad te lopen. Daar zetelt de rechter in het openbaar. Wat ‘Weduwe X’ precies wíl, vertelt Jezus niet. Belangrijk is alleen dat ze zeker weet dat ze in haar recht staat. En dat wil ze krijgen ook. Dat RECHT gaat ze halen bij deze rechter. De mensen mopperen over hem: ‘Deze rechter heeft geen ontzag voor God. Deze rechter laat zich aan de mensen niets gelegen liggen. Deze rechter minacht het recht’. Ze adviseren ‘Weduwe X’ dus om maar niet te gaan. ‘Je krijgt toch geen gelijk. Want je bent een weduwe. Je staat er alleen voor. Je hebt geen ‘sterke man’ aan je kant. En ook geen vette portemonnee om je recht te kópen. Met een beetje smeergeld is deze onrechtvaardige rechter misschien nog wel om te kopen. Doe jij geen moeite en bespaar je tijd. Leg je maar neer bij het onrecht!’.

Dat is een verzuchting die ons misschien uit het leven gegrepen is: leg je er maar bij neer. Berust maar in het onrecht. Omdat wij er ook soms moedeloos van kunnen worden. Van het onrecht hier op aarde. Van de leugen die triomfeert. Zoveel kromme gebeurtenissen. Zoveel oneerlijke zaken. Zoveel onschuldige slachtoffers van oorlog, geweld, vervolging. Of zelfs het gevoel dat mij en jou persoonlijk onrecht wordt aangedaan. Als jou iets verschrikkelijks overkomt. Dat jij je afvraagt: ‘Waar heb ik het aan verdiend? Waarom moet mij dit overkomen? Dit is toch oneerlijk?’.

Het advies, de opdracht die Jezus ons in de gelijkenis geeft is niet: leg je er maar bij neer. Integendeel. Hij zegt: Ga je recht halen. Ga vooral door, als je geen gehoor denkt te vinden. Neem een voorbeeld aan ‘Weduwe X.’. Zij laat zich niet afschepen door die onrechtvaardige rechter. Want al heeft ze dan geen smeergeld, tijd heeft ze wel. Tijd om elke dag weer naar de poort van de stad te lopen. Tijd om dag in dag uit deze rechter de oren van zijn hoofd te zeuren. Tijd om deze sterke invloedrijke man de stuipen op het lijf te jagen. Want dat gebeurt. De rechter wordt er bang van. Hij vreest God niet, maar hij vreest wel voor zijn eigen reputatie. Want een openbare – letterlijke of figuurlijke – oorveeg, wil hij zichzelf liever besparen. Om zich die openbare schande te ontlopen geeft hij de weduwe haar zin.

Zo blijkt hoe belangrijk het is dat rechtspraak openbaar is. Dat justitie geen achterkamertjespolitiek kan zijn. ‘Straks vliegt dat mens me nog aan voor de ogen van het winkelend publiek. Straks keert de publieke opinie zich nog tegen mij. Straks maakt deze weduwe met haar aanhoudend gezeur mij het leven onmogelijk’. En de rechter spreekt: RECHT!

Zo zal God recht verschaffen. Ja, we konden het verwachten, naast alle prachtige levenswijsheid gaat het Jezus in gelijkenissen over Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid. God is Rechter. Niet die onrechtvaardige Rechter. Niet de rechter die zich aan de mensen niets gelegen laat liggen. Niet de rechter die een zwakke vrouw als ‘Weduwe X’ eigenlijk niet de moeite waard vindt. Integendeel! De HEER onze God is juist degene voor wie zwakke mensen een streepje vóór hebben. Een voorkeursbehandeling krijgen. De wezen, de weduwen en de vreemdelingen zijn Zijn ‘uitverkorenen’. ‘Hun bloed is kostbaar in Zijn ogen. Hij draagt hen in zijn hart’. Hun zaken hebben voorrang in Zijn rechtspraak. In zijn ‘wetboek’ staan juist veel artikelen die op de kleintjes letten. Wetboek Exodus, artikel 20, lid 20 tot en met 26 – ‘Vreemdelingen mag je niet uitbuiten. Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten. Doe je dat toch en smeken ze om hulp, dan zal ik zeker naar hen luisteren. Dan zal de rechtvaardige Rechter recht doen’.

Dus als je tot God bidt als je vindt dat jou onrecht wordt aangedaan dan zal Hij recht verschaffen. Ja, dan zal Hij spoedig recht verschaffen.

Nou ja… dat is nog al wat. Natuurlijk we geloven dat de HEER eenmaal komt om recht te verschaffen. Hij heeft ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde belooft, waar gerechtigheid woont. We belijden dat Jezus komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Of, zoals we het straks zullen zingen, dat ‘Hij zit aan de rechterhand van God, vanwaar Hij met bazuingeschal eenmaal ten oordeel komen zal’. Jezus komt! Daar vertrouwen we op. Daar houden we aan vast. Daarom blijven we bidden: ‘Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede, Uw Naam worde geheiligd’. We leven van de hoop. We moeten er niet aan denken dat we zonder deze verwachting moeten leven. Dan had inderdaad de moordenaar het laatste woord. Dan trekt de onrechtvaardige rechter uiteindelijk aan het langste eind. Dan zegeviert de misdadiger over het slachtoffer. God zij dank! Eenmaal komt de dag van het oordeel. God Zelf zal alles recht zetten. Hij zal recht verschaffen. Maar met één klein dingetje blijven we dan nog zitten. We leggen het de Rechter voor: ‘Dat Koninkrijk van U - Komt er nog wat van?’. Dat éne woordje van Jezus verbaast, verbijstert ons. Het woordje ‘spoedig’. Jezus zegt: ‘God zal hun SPOEDIG recht verschaffen’. Dat klopt toch niet, HEER? Want we wachten nu al zo lang?

Maar hoor even, nu luistert het nauw… Het is Jezus die dit zegt ‘spoedig zal God recht verschaffen’. Het is Jezus die op dat moment op weg is naar Jeruzalem. Dus op weg naar het laatste Avondmaal, naar de hof van Gethsemane, de kerker in het huis van de Hogepriester, de trappen van het paleis van Pilatus. Het is Jezus die op weg is naar het kruis op Golgotha. Op Zijn lijdensweg spreekt Hij dat woordje ‘spoedig’. ‘Spoedig’ zal Hij sterven. Spoedig zal Hij opstaan. Zo zal God ons spoedig recht doen. Als het graf op Pasen opengaat, spreekt de hemelse Rechter in het licht verheven Zijn oordeel uit. Hij zegt tegen iedereen die bij Hem om hulp smeekt en om recht schreeuwt: ‘Kom maar bij Mij. Ik spreek jouw vrij. Voor Mij ben je rechtvaardig. Het graf is open. Je tegenstanders zijn verslagen. De dood is voor jou teniet gedaan. Jouw duivel ligt er verslagen bij. Je schuld is vergeven. Je tranen mag je drogen’.  

Jezus vraagt, aan het eind van Zijn gelijkenis: ‘zal de Mensenzoon geloof vinden, als Hij komt?’. Hij vraagt dat aan jou en mij: ‘Zeg, geloof jij het nog? Houd jij je eraan vast? Blijf jij erop vertrouwen dat niemand je kan aanklagen, omdat God je vrijspreekt? Dat niets je ooit kan scheiden van de liefde van God die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze HEER’.