Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Pastorale Zorg

Kerkdienst 26 april 2020 te Nijverdal

Uitgezonden via Kerkomroep en YouTube-kanaal  
(opnamedatum: 25 april 2020)


ORDE VAN DIENST 

Orgelspel voor de dienst (improvisatie Psalm 33)
Woord van welkom
Aanvangslied: Psalm 33:8 en Psalm 62: 1 en 4
Stilte, Onze Hulp en groet
Gebed van verootmoediging
Orgelspel en zang: Lied 641: 1 en 3 Jezus leeft en ik met hem
Gods leefregels: het grote gebod van de liefde
Gebed om verlichting met de Heilige Geest
Gesprek met de kinderen: wie kies jij?
Schriftlezing: 1 Samuël 16: 1-13 (kinderbijbelverhaal)
Zingen: Ben je groot of ben je klein (kinderlied)
Toelichting liturgische bloemschikking
Schriftlezing: Johannes 21:15-19
Lied: lied 791 : 1, 2, 4 en 6
Verkondiging: Pastorale Zorg
Meditatief orgelspel: Psalm 116, gevolgd door zingen: Psalm 116: 1, 3, 6 en 8
Afkondigingen
Voorbeden en dankgebed
Collecteaankondiging
Slotzang: Lied 655 Zing voor de Heer een nieuw gezang (gemeentezang uit Zuidhorn)
Zegen
Orgelspel


- VERKONDIGING -

Tekst: “Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen, weid mijn schapen”

 

Er is in deze bijzondere tijd veel te doen over zorg. Door de Coronacrisis zijn allerlei vormen van zorg in het middelpunt van onze belangstelling gekomen. Meest voor het voetlicht treedt de intensieve zorg. De medische zorg in het ziekenhuis. De ‘helden van de zorg’ – zoals ze genoemd worden – hebben een zware taak op hun bordje. Hoe houden we de zorg draaiend als er steeds meer zorg nodig is? Hoe houden we de zorgverleners zelf gezond en fit?

De druk op andere zorgverleners weegt ook zwaar. Hoe houden we de Corona buiten de deur van ons verpleeg- of verzorgingshuis? Hoe zorgen we voor ouderen, die geen familie en vrienden meer mogen ontmoeten? Hoe leggen we mensen met een verstandelijke beperking uit dat ze een tijdlang niet geknuffeld mogen worden? Dat ze niet naar hun werk of club mogen? Ook de thuiszorg vraagt om voorzichtigheid en aanpassing. Je wilt je cliënten niet aan hun lot overlaten maar dat kan nu eenmaal niet zonder nauw contact. Ook mantelzorgers moeten op een andere manier zorg verlenen dan ze gewend zijn. Alles voor ‘het goede doel’, maar ingewikkeld, lastig en verdrietig.

Als kerk kennen we ook zorgverleners. Dat zijn de pastorale zorgverleners. Pastorale zorg is de taak van predikanten, ouderlingen, contactpersonen, maar eigenlijk van de hele gemeente van Christus. Een levende gemeente is een pastorale gemeente. Iedereen let – in de positieve zin van het woord – op iedereen. Je probeert te voorkomen dat mensen tussen wal en schip raken. Je wilt alle schaapjes bij de kudde houden. Je wilt niet dat er schapen afdwalen. Kudde, schapen… Pastoraat – dat komt van het woord pastor. Het woord pastor betekent ‘herder’. De HEER is mijn herder – en wij zijn het ook. Zoals een herder zorgt voor zijn schapen, zorgen wij voor de kudde van de HEER. We zijn herders voor elkaar.

Herderlijke, pastorale zorg – daarover gaat het in het gesprek dat Jezus heeft met Petrus. Petrus krijgt de opdracht om de lammeren te weiden, de schapen te hoeden, de schapen te weiden. Drie keer klinkt die opdracht. Drie keer is scheepsrecht. Bij twee, maar zeker bij drie getuigen staat een zaak vast. Een driemaal herhaalde opdracht is een goddelijke roeping. Je kunt er niet meer omheen.

Driemaal… Dat getal klinkt bij Petrus natuurlijk niet als muziek in de oren. Het is nog maar een paar dagen geleden dat hij Jezus driemaal verloochende. Letterlijk en figuurlijk in de zwartste nacht van zijn leven. De nacht van Goede Vrijdag. De herder werd geslagen – de schapen werden verstrooid. Petrus ziet het nog als in een nachtmerrie. Hij voelt nog de kille nacht. Hij voelt nog de warmte van het kolenvuurtje op de binnenplaats van het hogepriesterlijk paleis. Hij hoort weer hoe het drie keer tegen hem gezegd wordt: ‘Jij hoort toch ook bij die man uit Nazareth?’. Hij hoort zichzelf nog drie keer zeggen: ‘Nee, nee, nee – ik niet’. Iets doen, iets zeggen, wat je niet had willen zeggen. Terwijl je er zo vast van overtuigd was: dit overkomt mij niet! Ik zal dapper zijn, standvastig, onwankelbaar. Al gaat iedereen de mist in – ik niet’.

Dus toch. Zo herkenbaar – voor ons, nu. Voor Petrus toen. Driedubbele ontkenning voordat de haan kraait. En dan nu in de vroege ochtend, na het hanengekraai, weer dat kolenvuurtje. Aan de oever van het meer van Galilea. Een ontmoeting met Jezus, de Opgestane HEER. Hij is er weer. Maar ook weer klinkt dat akelige getal drie. Drie keer die opdracht, voorafgegaan door drie keer een vraag en drie keer een antwoord…

Het begint bij de vraag. Dat is echt wat je noemt ‘pastoraal’. Pastoraat begint met vragen stellen: ‘Hoe gaat het met je? Hoe voel je je? Wat scheelt eraan?’. Zo kom je erachter, wat er in iemand leeft. Je kunt namelijk niet afgaan op wat je ziet. Op iemands uiterlijk. Zoals de profeet Samuel dat niet kon doen in Bethlehem bij de zonen van Isaï. De oudste, de grootste, de sterkste? ‘Kijk niet met je ogen, Samuël, kijk met je hart’. Zoals God met zijn hart kijkt. Ons diepste binnenste peilt – Hij die mij ziet, zoals ik ben. Dieper dan ik mijzelf ken.

Daar kom je achter door vragen te stellen. Dat doet Jezus ons voor. Drie keer vraagt Hij: ‘Petrus, zoon van Johannes, heb je mij lief?’. Drie keer wordt Petrus aangesproken als ‘zoon van zijn vader Johannes’. Met de naam van zijn vader erbij. Alsof Jezus zeggen wil: ‘Jij bent niet als ik, Petrus. Jij bent niet Gods eniggeboren zoon. Je hoeft het ook niet te zijn. Jij bent gewoon kind van je vader. Je mag zijn wie je bent. Mensenkind’. Zoon van Johannes. Die naam ‘Johannes’ betekent: de HEER is genadig. Dat weet ik zo goed, omdat ik zelf zo ook heet. Mijn doopnaam is Johannes. God is genadig. Alleen als ik dat onthoud, kom ik het leven door. Met mijn vallen en weer opstaan. God is mij genadig. Daar mag ik uit leven. Dat mag ik doorgeven. Pastoraat is: verkondiging van Gods genade. God is genadig – voor mij, voor jou. Wie je ook bent, wat je ook gedaan hebt, je mag er zijn. Zoals je bent, kan de HEER je gebruiken. Voor Zijn pastorale zorg, de zorg voor Zijn kudde. En als je faalt, zondigt, mag je opnieuw beginnen.

De vraag die Jezus aan Petrus stelt, is een genadige vraag. Driemaal herhaald: ‘Heb je mij lief?’. Een vraag die doet wat alleen genade kan doen: een nieuw begin mogelijk maken. Drie keer de vraag naar liefde. Drie keer het antwoord van de liefde. Daar begint alles mee. Met liefde. Liefde is de bron. Liefde eenmaal uitgesproken. Meestal wordt liefde niet uitgesproken. Het IS er gewoon. In de zorg die we hebben voor elkaar. Liefde moet blijken uit zorgzame daden. Maar soms, bij gelegenheid, moet je ook het tegen elkaar zeggen. ‘Ik hou van jou. Ik heb je lief’. Dat geldt voor een relatie; dat geldt ook voor de relatie met God. ‘Ik heb U lief’. Dat klinkt dan aarzelend… Petrus blaast niet meer hoog van de toren. ‘U weet dat ik U liefheb’. ‘U weet HOE ik u liefheb’ – U weet ook dat ik niet altijd standvastig, onwankelbaar, overvloedig in de liefde ben. U weet van mijn kleine kracht, mijn wankele geloof… Wat een geluk dat U, HERE Jezus, mijn ‘pastor’ bent. MIJN herder, de Goede herder, die mij schraagt als ik wankel en mij draagt als ik viel. Zó liefdevol als herder, dat U uw leven hebt ingezet voor uw schapen’. Petrus beantwoordt Jezus’ liefde met Zijn liefde. ‘Ik heb u lief. Ik houd van U. En ten derden male, onder tranen: ‘U weet dat ik U liefheb’.

Déze Petrus ontvangt de pastorale opdracht: ‘weid mijn schapen’. Een opdracht die ook wij ontvangen. Pastorale zorg voor een klein stukje van Gods kudde dat aan onze zorg wordt toevertrouwd. Ook wij kunnen Jezus dienen in de pastorale zorg voor een paar mensen om ons heen. Pastorale zorg is juist ook in deze tijd: Zoeken naar het zwakke, eenzame schaap. Die ene mens in nood. Bij ons in de buurt. Opgesloten in zijn of haar huis. We zien om naar elkaar in de naam van de Goede Herder. Namens Jezus Christus, die ons tot in de dood heeft liefgehad.      

Om pastorale zorg te verlenen hoef je geen held te zijn. Niet de zelfverzekerde, de grote, de sterke Petrus is geschikt. Juist de bescheiden, aarzelende, aan zichzelf twijfelende Petrus krijgt de opdracht.

Niet de dapperste is geschikt voor de pastorale taak. Juist de kleine David. Dat herdersjongetje, door iedereen over het hoofd gezien. Juist degene die zichzelf heeft leren kennen. Hij, zij die weet: Ik ben op Gods genade aangewezen. Daarom juist heb ik Jezus lief’.

‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer,
nam toen ik riep met toegenegen oren, mijn woorden aan.
Hij zal mij blijven horen.
En levenslang ben ik niet eenzaam meer’.