Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


 

Overmoed
Kerkdienst op dankdag 1 november 2017 te Kudelstaart

Geluidsopname beluisteren? Klik hier!

"In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen...” (Psalm 30:7)

 


Zelfvertrouwen is een belangrijke eigenschap. Weten wat je wilt. Weten wat je kunt. Weten wat je wilt bereiken. Een sportploeg mét presteert beter dan een ploeg zónder zelfvertrouwen. Met zelfvertrouwen durf je risico’s te nemen en bereik je meer. De hoogspringer met zelfvertrouwen legt de lat nét even wat hoger. De schaatser schaatst nét een paar tienden per rondje sneller. De voetballer schiet een penalty er beter in als hij meer zelfvertrouwen heeft. Als je je kwaliteiten kent en je grenzen beseft, kun je meer bereiken. Niet voor niets brengen we kinderen zelfvertrouwen bij in de opvoeding. Een kind zonder zelfvertrouwen zit niet goed in zijn vel. Het trekt zich terug in zichzelf. Het durft geen stappen te zetten. Het kan zich niet geven in relaties. Als je zelfvertrouwen wordt geschaad, gaat er iets grondig mis. Je wordt onzeker. Als het heel erg wordt, kun je er depressief van raken. Als je je zelfvertrouwen kwijt bent is het een hele klus om het weer terug te krijgen. Want met zelfvertrouwen is het zoals met elk vertrouwen: het gaat te paard en het komt te voet. Als het zelfvertrouwen verdwenen is, komt het hooguit schoorvoetend weer terug. 
Met zelfvertrouwen is ook vanuit het geloof bekeken niets mis. Vertrouwen op jezelf en vertrouwen op God zijn geen tegengestelden. Integendeel! Juist het geloof in God als onze Schepper maakt ons duidelijk dat we er mogen zijn. Dat God ons de moeite waard vindt. Ieder mens is een waardevol schepsel. Je mag er zijn. Je hoort erbij. Wie je ook bent en wat je ook doet. 
Juist het geloof in God als onze Vader maakt ons duidelijk dat we kinderen van God zijn. 
Juist het geloof in Jezus, onze Verlosser, maakt ons duidelijk dat God ons zó lief heeft gehad, dat Hij Zijn enig geboren Zoon voor ons heeft overgehad. Ik en jij zijn gekocht en betaald met het kostbaar bloed van onze Heiland. We zijn parels in Gods hand. Oneindig waardevol. 
Juist ook het geloof in de Heilige Geest geeft ons zelfvertrouwen. Want die Geest van God wil mij en jou gebruiken in Zijn dienst. We zijn – ieder met onze eigen talenten en gaven - Gods medewerkers. Door Gods Geest kunnen we iets betekenen voor een ander. We mogen zelfs meebouwen aan het koninkrijk van God. 
Kortom: het geloof zet ons stevig op onze voeten. We staan op de vaste Rots van ons behoud. Op de bergtop van het leven. Godsvertrouwen geeft een geweldige boost aan ons zelfvertrouwen.
Maar er is wel een gevaar bij zelfvertrouwen. Het kan makkelijk overgaan in zelfoverschatting. Je wordt van moedig tot óvermoedig. Je kunt met je zelfvertrouwen eenvoudig over het paard getild worden. En als je óver het paard wordt getild, beland je met een grote klap aan de andere kant op je neus. De dichter van Psalm 30 weet daarvan mee te praten. 
‘Van David’ staat er boven de Psalm. Zo’n opschrift betekent niet altijd dat de Psalm letterlijk door David geschreven is. Maar we kunnen ons dit lied wel goed voorstellen uit de mond van een man als David. David, die reus Goliath versloeg of afrekende met de Filistijnen. Zo’n man moet wel BLAKEN van zelfvertrouwen. Maar David is ook bijzonder vatbaar voor de overmoed. Als hij als koning op de troon zit gaat hij regelmatig zijn boekje te buiten. Dus belijdt David in de Psalm: ‘In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen’. Hij achtte zichzelf onaantastbaar. Hem kon niets gebeuren. 

Misschien herken je iets van David in jezelf. Als je een periode in het leven meemaakt, waarin het allemaal niet op kan. Je hebt een goede baan, een fijn huis. Een lieve man of vrouw. Schatjes van kinderen. Kleinkinderen. Je bent gezond, in de kracht van je leven. Noem het allemaal maar op. Je hebt alles wat je harte begeert. Het kán niet op met het gewas en met de arbeid. Het gewas, het gras groeit tot in de hemel. Met de arbeid, met je werk kun je bergen verzetten. Je bent jong, gezond, dus je wilt wat en je kunt wat. En wie doet je wat? Je bent geneigd het als vanzelfsprekend te gaan beschouwen, als het allemaal zo goed gaat. Je gaat ervan uit dat het allemaal zo blijft of zelfs nog mooier wordt. Je hebt eigenlijk niets meer te wensen, niets meer te verlangen, niets meer te bidden. Je hebt wel je geloof, maar God heb je eigenlijk niet meer nodig. Of: je denkt Hem niet nodig te hebben. Want het gaat toch goed? Je staat op de top van de berg en de wereld ligt aan je voeten. Het geloof, het Godsvertrouwen komt op een laag pitje.
Zo kan het gaan met een persoon, met een mens van vlees en bloed. Zo kan het ook gaan met een gemeenschap, een kerk, een volk. We weten er in onze westerse wereld van mee te praten. In onze recente geschiedenis waren tijden dat het niet op kón. De bomen van de welvaart groeiden tot in de hemel. Economische groei was vanzelfsprekend. Op de golven van die groei werd de levensstandaard van ons als burgers omhoog gestuwd. We werden met zijn allen steeds rijker. We kregen het steeds beter en luxer. Dus staan we op de top van de berg en kijken om ons heen. In overmoed dachten wij: Nooit zullen we wankelen’. Wie kan ons wat maken? We maken het zelf wel. Een maakbare samenleving. Problemen zijn uitdagingen. We hebben toch overal een oplossing voor? Tegenslagen zijn er om te boven te komen. Moeilijkheden lossen we wel op met onze wetenschap en techniek. Ondertussen gingen we door met onze graaicultuur. Met de uitbuiting van ons leefmilieu. Met de diepe kloof tussen arm en rijk. Totdat de crisis uitbrak. De bankencrisis, de economische crisis, de vluchtelingen- en milieucrisis. Toen vielen we naar beneden. In de diepe put van de economische malaise. Plotseling was ons zelfvertrouwen – of noem het ‘consumentenvertrouwen’ – verdwenen als sneeuw voor de zon. Boven ons pakten donkere wolken zich samen. Werkeloosheid, armoede, sociale onrust, terreuraanslagen. Evenzovele aanslagen op ons zelfvertrouwen. 

Psalm 30 is niet alleen een Psalm van David. Er staat ook nog boven ‘Een lied bij de inwijding van de tempel’. Dat herinnert een Israëliet, een Jood aan de heftigste periodes van de geschiedenis van Israël. In de zesde eeuw voor Christus was de tempel verwoest door de Babyloniërs. De tempel, die zo lang was gezien als symbool van zelfvertrouwen, ja van overmoed. Hoe zou de tempel kunnen wankelen? Het is toch ‘huis van God’ op de berg van God? Met God aan onze kant kan ons toch niets gebeuren? Maar het is wel gebeurd. De tempel was verwoest. De Babylonische ballingschap begon. Israël zat diep in de put. Het volk ging langs het randje van de ondergang. Het leek op sterven na dood. Het voortbestaan hing aan een zijden draadje. Zeventig jaar na het begin van deze crisis kwam de wederopbouw. Uiteindelijk kon de tempel weer in gebruik genomen worden. Bij de inwijding van de tempel werd Psalm 30 gezongen. Met deze woorden: ‘In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen!’. Want zo dachten ‘wij’ als ‘volk’. Zo was onze mentaliteit, de arrogantie van ‘ons kan niets gebeuren’. En al zingend hoor je ons denken: dit zal ons niet meer gebeuren. We zullen nu beter oppassen. Ons zelfvertrouwen zal niet meer omslaan in overmoed. Wij hebben ons lesje wel geleerd. Maar helaas – dat was niet het geval. Een paar honderd jaar later, rond het jaar 165 voor Christus, waren de tempel van Jeruzalem en het volk van Israël weer in grote crisis. De tempel was in beslag genomen door heidense Syrische soldaten. Ze ontheiligden de tempel met afgodsbeelden en varkensoffers. Het verzet daartegen kwam van de Makkabeeën. Onder leiding van Judas de Makkabeeër werd de vijand verslagen. De tempel kon opnieuw worden ingewijd. Ter gelegenheid daarvan vieren de Joden nog elk jaar het Channoekafeest, het inwijdingsfeest. En ook daarbij wordt Psalm 30 gezongen. Dan klinken weer die woorden: ‘In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen…’. 
Telkens weer moet dat zelfde liedje gezongen worden. Want we leren ons lesje nooit en vergeten zo snel. Het volk Israël, wij als volk, wij als westerse welvaartsmaatschappij. Nu zijn we de zware economische crisis van de afgelopen jaren te boven. Het gaat weer goed met Nederland, al merkt nog niet iedereen dat. We kunnen weer vertrouwen hebben in de toekomst. Dus zal het helaas ook wel niet lang duren of we vervallen weer in dezelfde fouten, hardleers als we zijn. Vooral die fout van zelfoverschatting. De welvaart drijft ons steeds verder bij God vandaan. We hebben Hem niet nodig, als we op de top van ons kunnen staan? Als we de put weer uit zijn geklommen? 
Als we niet uitkijken gaat het ook zo in ons persoonlijk leven. Als het ons goed gaat. Of als het WEER goed met ons gaat. Als we onze persoonlijke crisis te boven zijn. In Psalm 30 zingt de dichter – laten we hem maar David blijven noemen – over een ziekte, die hem trof. Een dodelijke ziekte, die hem aan het randje van het graf bracht. Dat heeft zijn overmoed gebroken. Want ja, dat weten we zelf. Ziekte breekt ons. Als we met onze gezondheid gaan kwakkelen, raken we de overmoed snel kwijt. Zelfs een onschuldig griepje brengt ons aan het wankelen. We vallen van onze berg in de afgrond. We raken diep in de put. In Bijbelse taal: we dalen af in het graf en komen in het dodenrijk terecht. En uit dat zwarte gat kunnen we onszelf niet redden met al onze overmoed. Dus roepen we tot de HEER om hulp. We beseffen plotseling dat we Hem nodig hebben en niet zonder Hem kunnen. David is erachter gekomen dat een crisis heilzaam kan zijn. Het leert ons dat we afhankelijk zijn van Gods hulp en bijstand. Zoals Paulus leerde om afhankelijk te zijn van Gods genade. Hij leerde dat door een doorn in zijn lichaam, een chronische kwaal, die hem kwelde. Die doorn schudt hem wakker uit zijn zelfoverschatting. Het leert hem dat Gods genade genoeg is. De HEER is bij ons – dat moet voldoende zijn. 

Als we die genadige bijstand van God ervaren, kunnen we niets anders doen dan: danken. Dankbaarheid is beseffen dat je het niet alleen kunt in het leven. Dat je afhankelijk bent van Gods grote goedheid. Dat alles wat groeit en bloeit, al onze kracht en gezondheid, al onze arbeid voor kerk en maatschappij aan de HEER te danken is. Dat we dus op onszelf kunnen vertrouwen omdat wij op God kunnen vertrouwen. Dankbaarheid houdt ons bij die les. Dus zijn we hier bij elkaar om te danken. Wij danken de HEER. Als we de HEER oprécht danken, krijgt overmoed geen kans meer.