Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Over engelen en draken

Kerkdienst op 26 mei 2019 (Avonddienst te Nijverdal)
Schriftlezing: Openbaring 12:1-12 

Tekst: “De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid” (Openbaring 12:9)

Op deze zondag vóór Hemelvaartsdag maken we de balans op. We hebben in de afgelopen tijd weer het hele leven van Jezus de kerkelijke revue laten passeren. We begonnen met Advent: de aankondiging van Zijn geboorte. Daarna kerst en via Goede Vrijdag en Pasen zijn we donderdag weer bij de hemelvaart aangekomen. De HEER neemt afscheid van ons op aarde. Hij wordt opgenomen in de hemel. Van dit leven van Jezus, tussen geboorte en hemelvaart, geloven wij dat het de wereld radicaal heeft veranderd. Jezus’ leven, Zijn dood en opstanding zijn alles bepalend geweest. Maar hoe zit dat dan? Wat is er nu eigenlijk veranderd in de wereld? Waar is het goed voor geweest? Is de werkelijkheid er wezenlijk anders door geworden? Is de wereldgeschiedenis er echt anders door verlopen? En kan ik, mens van hier en nu, er in MIJN leven iets van merken?

Antwoorden op die vragen komen vanavond uit het twaalfde hoofdstuk van het laatste Bijbelboek. Eén van de visioenen van Johannes op het eiland Patmos. Hij zag daar de hemel opengaan. Wat hij ziet, is misschien voor ons moeilijk voor te stellen. Laat ik daarom proberen om Openbaring 12 in eigen woorden weer te geven als een verhaal.

Er was eens een machtige Koning. Hij kan gerust de machtigste koning genoemd worden. De Koning der koningen. Hij woont in een hoog en verheven paleis. Een hemels paleis. Deze Koning houdt zielsveel van Zijn onderdanen. Hij wil graag goed voor hen zorgen. Hij wil hun het beste van alles geven. Hij zet zich dagelijks op Zijn troon om als een rechtvaardig Heerser alle problemen van Zijn volk te behandelen. Streng en rechtvaardig, maar ook mild en barmhartig. Zoals een vader voor zijn kinderen zorgt.

Maar helaas: Dagelijks, ja werkelijk dag en nacht verschijnt er aan Zijn hof een grote rode draak met zeven koppen en tien hoorns. Met zijn kolossale staart slaat hij de sterren van de hemel en werpt die op de aarde. Zo zaait hij dood en verderf. Ook brengt die grote rode draak de onderdanen van de Koning dagelijks op het verkeerde pad. Hij roept kinderen op tot ongehoorzaamheid tegen hun ouders. Hij stookt mensen op tegen mensen, die anders zijn dan zijzelf. Hij ontketent oorlogen, brengt een vluchtelingenstroom op gang. Hij strooit het gif van vooroordeel en discriminatie. Hij leert de mensen liegen en elkaar bedriegen. Om alleen voor zichzelf op te komen. Hij stookt mensen op om geen rekening te houden met Gods prachtige Schepping. Deze grote rode draak probeert de onderdanen van de koning te verleiden. En - dat moet helaas gezegd - hij heeft daar daverend veel succes bij. Tot overmaat van ramp verschijnt hij dus dagelijks aan de poorten van dat hemelse paleis. Hij dringt door tot voor de troon van de grote Koning. Daar brengt hij zijn aanklachten in tegen de mensen, die hij eerst zelf verleid heeft. Hij wrijft het hun Schepper onder de neus. ‘Ziet U wel hoe slecht Uw schepselen zich gedragen?’. Zo wil deze grote rode zevenkoppige draak de Koning en zijn volk uit elkaar drijven. Zijn grote doel is, dat de Koning zich zal afkeren van zijn volk. Zijn diepste wens is, dat de Koning der koningen Zijn volk zal vernietigen.

Maar op zekere dag arriveert er aan de poort van het paleis een jonge man. Het is de Prins, de Zoon van de Koning. Hij was door de Koning naar het volk gestuurd. Nu keert Hij terug. Hij heeft bloed aan Zijn handen en aan Zijn voeten. Wonden van spijkers. Littekens van grof geweld. Zijn reis is zwaar en gevaarlijk geweest. De grote rode draak heeft met alle mogelijke middelen geprobeerd ook Hem van het rechte pad af te krijgen. De draak heeft geprobeerd Hem uit de weg te ruimen. Maar het is niet gelukt! Hij leeft! Levend en wel keert Hij terug voor de troon van Zijn Vader. Hij neemt plaats op de troon - aan ‘s konings rechterhand.

Maar wat is dat? Wordt er nu toch weer tegen de poort gebonsd? Is het weer zover? Is hij daar weer, die grote rode draak? Ja zeker, hij komt warempel weer met zijn laster en zijn leugen. Hij wil weer binnenkomen met zijn waslijst vol aanklachten tegen de mensheid. Maar nu de Prins in glorie is teruggekeerd, heeft die grote rode draak geen poot meer om op te staan. De Koning roept Zijn sterkste generaal Michael. De opperbevelhebber van Zijn engelenleger. Die grijpen de draak en zijn trawanten. Ze smijten hen de poort uit. Nooit, nooit mag hij meer één poot binnen de muren van het paleis zetten. Nooit kan hij nog maar één van ‘s Konings onderdanen aanklagen. Het is over en uit met zijn macht. Het is voorbij. Het is volbracht.

Zo vertelt de apostel Johannes zijn verhaal. Een visioen van leven op dood. Een verhaal, dat een kind kan begrijpen. Het lijkt wel een sprookje. Het is geen sprookje. Johannes krijgt het te zien en te horen als blijde boodschap van Godswege. Als antwoord op die vraag: Wat is er veranderd na de gebeurtenissen uit het Evangelie? Wat heeft Jezus’ leven, lijden en sterven teweeg gebracht? Heel eenvoudig gezegd dus dit: De grote rode draak, de aanklager van Gods volk, kan niet meer binnen komen bij de hemelse Rechter. Zijn plaats in de hemel blijft eeuwig leeg. Daardoor is er voortaan alle ruimte voor Jezus Christus en Zijn volgelingen. Alle ruimte voor Gods genade en Gods liefde. Alle tijd en alle ruimte voor Gods kinderen op aarde om vrijmoedig bij God aan te kloppen om hulp en bijstand. Vergeving van zonden en eeuwige vreugde in het hemels paleis van de grote Koning.

Wat betekent dat nu voor mij, als christen, als gelovige-na-Christus? Voor mijn leven en bestaan? Heel eenvoudig dus dit: ik hoef niet bang te zijn om ooit zonder Gods hulp in de wereld te moeten vertoeven. Ik hoef geen angst te hebben, dat God mij ooit in de kou zal laten staan. Ik hoef niet bevreesd te zijn, dat de HEER mij niet in genade zal aannemen. Nooit kan iemand mij meer aanklagen bij de hemelse Rechtbank. Want de aanklager is weggejaagd. Hij is uit Gods paleis gesmeten. Als ík nu aanklop bij de HEER, als ik mijn ogen sluit, als ik tot Hem bidt zal ik door Hem niet afgewezen worden. En eenmaal mag ik opgaan naar het hemelse Paleis. Om daar te zijn - verlost van pijn en leed. Niemand zal mij tegenhouden. Niets kan mij meer scheiden van Gods liefde.

Waarom zouden we dat blijde nieuws niet geloven? Nou ja, nogal duidelijk: omdat wij er met ons verstand niet bij kunnen! Juist omdat het zo ‘sprookjesachtig’ klinkt! Omdat wij na tweeduizend jaar DIT niet meer kunnen geloven. Omdat het zo ver afstaat van ons moderne wereldbeeld.

Inderdaad: In de tijd dat Johannes zijn openbaring ontving, geloofden vrijwel alle mensen in het bestaan van zo’n hemels paleis. De Grieken dachten, dat het op de berg Olympus gebouwd was. Daar wonen de goden! En overal wemelt het van tempels en tempeltjes, waarin de goden hun plekje hebben. Zelfs de Joden hadden hun tempel - al was die nu verwoest. Het was toen toch zoveel makkelijker dan voor ons om te geloven in een onzichtbaar hemels paleis?

En het geloof in kwade machten, duivels en draken, slangen en demonen – ook dat werd je toen met de paplepel ingegoten. Wij groeien tegenwoordig op in een wereld van wetenschap en techniek. Waar alleen feiten en bewijzen gelden. Wij zijn gewend ons verstand te gebruiken. Alles, wat we daar niet mee kunnen rijmen, is moeilijk te aanvaarden. Dat leggen we liever naast ons neer.

Alhoewel... Het geloof in die grote rode zevenkoppige draak is niet van gisteren. Je moet maar eens op Internet het woord ‘satan’ opzoeken. Bij google kreeg ik afgelopen week 147 miljoen hits in 0,3 seconden. Binnen de rock- en heavy metal muziek bestaan stromingen, die alle aandacht aan de satan besteden. Die de draak bezingen en bejubelen met krakende guitaren. In computerspelletjes treden ook heel vaak ‘monsters en draken’, ‘geesten en duivels’ op. En als je verder kijkt dan je westerse neus lang is: Bij vele andere culturen is het geloof in bovenaardse machten de gewoonste zaak van de wereld. Het geloof dat er meer is tussen hemel en aarde, is niet van gisteren.

Maar wij willen ‘eerst zien, dan geloven’. Hoe weet je nu, dat het waar is, dat verhaal, die openbaring van Johannes? De satan verslagen? De werkelijkheid lijkt er toch niet op? De wereld lijkt zo vaak een hel te zijn, waar duistere machten de baas spelen. Nog steeds oorlog, honger, haat, geweld - ook na de hemelvaart van Jezus. Je hebt soms zelfs de indruk: Het wordt niet minder. Het wordt alleen maar erger in de loop der eeuwen. Hoe kun je dan zo mooi vertellen, dat die grote rode draak de nederlaag geleden heeft?

Nou, het verhaal is nog niet helemaal uit. Het slot moet nog komen. Er klinkt nog niet: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Johannes vertelt ons: Toen die grote rode draak uit de hemel gesmeten was, is hij op de aarde terecht gekomen. Extra kwaad natuurlijk! Extra geprikkeld. Juist nu. Als een kat in het nauw maakt hij vreemde sprongen. Als een briesende leeuw gaat hij tekeer. Door blinde wanhoop gedreven probeert hij nog te pakken, wat er te pakken valt. Te vernielen, wat hij nog vernielen kan. Te verleiden, wie hij nog verleiden kan. Het wordt dus zeker niet minder. Het wordt alleen maar erger op de aarde. Want de tijd wordt steeds korter. De tijd gaat dringen.

We krijgen het hier ‘beneden’ nog zwaar te verduren. Maar vergeet dan niet waarom dat is. Het zijn de wanhoopsdaden van een verslagen vijand. Het is als in de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog. Toen de vijand nog weinig tijd had, maakte hij nog het meeste kapot. 

Daarom klinkt de boodschap: Houd moed, al wie Jezus volgt! Het is allemaal niet hopeloos. We zijn niet overgeleverd aan de grote vijand. De draak is bezig met zijn laatste stuiptrekkingen. De prins, Gods Zoon heeft hem uit het paleis verjaagd. Wij leven onder een open hemel. Voor ons staat de poort van het hemels paleis wagenwijd open. De HEER is ons een Toevlucht te allen tijde. Bij Hem kunnen we schuilen. Naar Hem mogen wij gaan. Hij zal ons niet laten staan. ‘Al heeft zich ook verheven de macht van hel en dood, ik heb voor heel mijn leven in God mijn bondgenoot’.