Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 

OPENBLOEIEN

 Kerkdienst voor 25 november 2018

Laatste zondag kerkelijk jaar

 Lezing: Psalm 42:1-6 en openbaring 21: 1-5

Klik hier voor de geluidsopname

 

 “Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt” (Psalm 42:6)

Jaren geleden kreeg ik van een vriend een schilderij. Om precies te zijn: het is een ets. Gemaakt door die vriend zelf. Een prachtig stukje techniek, maar dat niet alleen. Een prachtig stukje kunst dat mij direct aansprak. En nog steeds: aanspreekt! Het hangt tegenwoordig bij ons aan de muur in het trapgat. Niet zo’n opvallend plekje dus. Mijn vrouw, Joke, wilde het niet meer in de woonkamer hangen. ‘Het is zo somber’, vindt ze. Ik moet haar gelijk geven. De vriend die het maakte heeft het genoemd ‘de moderne mens’. Het beeldt een mens uit die in zichzelf gekeerd is. De omlijsting is niet voor niets asymmetrisch. Het is geen rechthoek, de lijnen lopen zelfs niet evenwijdig.

De afgebeelde man of vrouw zit in een wereld die niet recht staat. De wereld ligt uit het lood. Daar lijdt deze mens onder. Hij zit verstrikt in netten. Lijkt er steeds vaster in verstrikt te raken. Daarom keert hij zich naar binnen. Hoofd, armen, benen buigen zich naar elkaar toe. Hij wordt één zielig hoopje mens. Eén bol van wanhoop, van moedeloosheid.

Bij het lezen van Psalm 42 moet ik aan deze afbeelding denken. Een mens die bedroefd en onrustig zichzelf afkeert van de mensen om zich heen. Die zich op zichzelf richt. Op zijn eigen geest, zijn eigen ziel. Naar binnen gekeerd.

Wat de reden daarvan is, kun je je misschien wel indenken. Misschien heb je zelf ook wel eens die neiging. Misschien ben je er zelf ook wel eens zo aan toe geweest. Als een zwaar verlies je treft. Als het je in je leven zwaar tegen zit. Als je verder moet zonder die ene, die je zo vreselijk mist. Dan kun je ertoe komen je af te sluiten van alles en iedereen. Letterlijk en figuurlijk: de gordijnen dicht, de luiken naar beneden, de lichten uit. Misschien kruip je in je bed, diep onder de wol. Om er liefst heel lang niet meer uit te komen. Als een mol onder de grond in een diepe winterslaap. ‘Laat me maar! Laat me met rust! Laat de boel de boel. Alles kan me gestolen worden. Voor even of altijd heb ik genoeg aan mezelf’.

De bedroefde en onrustige dichter van Psalm 42 is zo’n mens die genoeg heeft van alles. Hij heeft genoeg aan zichzelf. In zijn woorden is hij met zichzelf alleen. Hij heeft het over zijn ziel, zijn diepste wezen, zijn levenskracht die wegvloeit en opraakt. Hij spreekt zichzelf toe: ‘Mijn ziel, wat ben je bedroefd, wat ben je onrustig’. De reden hiervan noemt hij ook. Hij lijdt onder het feit dat hij niet meer kan, wat hij vroeger nog kon. Vroeger kon hij optrekken naar Jeruzalem. Vooral op de grote pelgrimsfeesten, Paasfeest, Pinksterfeest, Loofhuttenfeest. Hij liep mee met een feestvierende menigte – op naar de tempel. Maar dat is verleden tijd. Het zijn nostalgische herinneringen aan een goeie ouwe tijd.

Uit het vervolg van Psalm 42 blijkt dat hij daar nu ver vandaan leeft. Hij verblijft in het uiterste noorden van Israël, bij de berg Hermon, bij de bronnen van de Jordaan. Honderden kilometers verwijderd van de tempel in Jeruzalem. Hij kan er niet meer komen. Misschien is hij te oud en gebrekkig om op reis te gaan. Misschien is hij ernstig ziek of gehandicapt. Misschien ook is hij gevlucht voor vijanden en kan hij niet meer veilig over straat. Hoe dan ook: hij mist het. Zoals iemand het naar de kerk gaan kan missen. Als je altijd gewend bent geweest om zondags naar de kerk te gaan en je kunt het ineens niet meer. En dat zou nog tot daaraan toe zijn – de kerk, de tempel is ook maar een gebouw van hout en steen – veel erger is: hij mist zijn God. Honend roepen tegenstanders hem toe: ‘Waar is dan je God?’. Dat doen ze bij dag en bij nacht. Wat ze overdag roepen, kan hij ‘s nachts niet meer van zich afzetten. ‘Waar is God?’, dreunt het door zijn hoofd. ‘God, waar bent U?’

Zo krimpt hij ineen, zo smelt hij weg, zo loopt hij leeg. Zo keert hij zich in zichzelf. Tot hij tenslotte ook alleen zichzelf nog maar over heeft.

Maar dan spreekt hij zichzelf toe. Soms is dat uitermate heilzaam. Om jezelf eens even goed toe te spreken. Om jezelf desnoods een draai om de oren te geven. Om jezelf bij je haren uit het moeras te trekken waarin je dreigt weg te zinken.

Maar wat moet je dan zeggen? Mijn vriend noemde zijn ets ‘de moderne mens’. Hij vertelde dat hij bij het maken heeft gedacht aan mensen van tegenwoordig die genoeg hebben aan zichzelf. Ze kunnen zichzelf redden. Hebben een ander niet nodig. Hebben God niet nodig. En als ze Hem ooit nodig hebben, kunnen ze Hem niet meer vinden. ‘Waar is God?’. Dus moet er iets gebeuren. Iemand moet je wakker schudden uit je ingekeerdheid. En misschien moet je dat zelf maar zijn! Jij die jezelf toespreekt. Omdat de woorden je weer te binnen schieten. Woorden, die je vroeger gehoord hebt. Meegekregen van je ouders of van school of zondagsschool. Woorden die ver weg zijn gezakt, maar toch zijn blijven hangen. Die juist weer boven komen, als je diep gezonken bent. Over God die mij ziet. God die ons ziet zoals we zijn. God die ons ziet zitten. God die ons redt. Die de reddingsboei heeft uitgeworpen door Zijn Zoon, die ‘Jezus’, ‘Redder’ heet. Die Zijn vlees en bloed uitdeelt als brood en wijn. Die God, zo mag je tegen jezelf zeggen, is ook MIJN God. Want Hij is de God van ieder mens. Ieder mens is Zijn schepsel. Ieder mens is door hem geliefd. Ieder mens kan door Hem gered worden.

Zo ontwaakt ‘de moderne mens’ uit zijn winterslaap. Zo slaat hij zijn ogen omhoog. Zo krijgt hij weer oog voor de toekomst. Hij ziet het weer zitten. ‘Vestig je hoop op God’, luidt het advies van zelf tot zelf, van ‘mij’ tot ‘mijn ziel’. Verwacht het van God. Strek je handen uit naar Hem. Wacht op Hem. Wacht geduldig. Wacht op de dag, die dag, die ene dag. De dag dat jij niet hoeft te gaan, maar waarop Hij tot ons komt. Als het nieuwe Jeruzalem neerdaalt op aarde. De dag dat  alles nieuw wordt. Geen rouw, geen tranen meer. De dag dat we Hem zullen zien. Daarvoor mag je opstaan. Daarvoor mag je openstaan. Openbloeien als een bloem in de woestijn.