Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

OP ZOEK

 Kerkdienst voor 15 september 2019

Kerkomroep: Het Centrum Nijverdal

15 september 2019, 9.30 uur 

Lezingen: Genesis 3:1-9 en Lucas 15:1-10


“En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft? En als ze het gevonden heeft, roept ze haar vriendinnen en buren bijeen en zegt: “Deel in mijn vreugde, want ik heb de drachme gevonden die ik kwijt was.” Zo, zeg ik u, heerst er ook vreugde onder de engelen van God over één zondaar die tot inkeer komt” 
(Lucas 15:8-10)

‘Zeg, schat, heb jij mijn sleutels gezien? Ik ben ze kwijt. Ik kan ze nergens vinden’. “Heb je al gekeken in de zak van de broek die je gisteren aan had? Zou best kunnen dat je ze daar in hebt laten zitten’. Ik zal de enige niet zijn die regelmatig dergelijke gesprekjes voer met mijn vrouw. Ik ben de enige niet die wel eens wat kwijt is. Dat maken we allemaal wel eens mee. Er zijn wel gradaties natuurlijk. Er zijn sloddervossen zoals ik. Ze zijn heel vaak wat kwijt zijn. Er zijn ‘pietjes precies’. Het overkomt hen zelden.

Als je iets kwijt bent, moet je gaan zoeken. En dat is eigenlijk zonde. Zonde van de tijd die je veel beter kan gebruiken. Want je schiet er niets mee op. Als je zoekt en je vindt, krijg je terug, wat je al had. Terug bij áf. En toch heb je een goed gevoel, als je iets terugvindt. Al naar gelang de waarde van het verlorene ben je een beetje blij of superblij. Zo was ik eens bij een verhuizing mijn trouwring kwijt. Ga die maar eens zoeken in en tussen alle ingepakte verhuisdozen. Wat was ik blij, dat het me lukte: ik vond mijn trouwring terug. Ik deed spontaan een klein dansje in de kamer.

De gelijkenis die we vanmorgen wat nader bekijken is dus uit ons aller leven gegrepen. Iedereen kan meevoelen met een vrouw, die haar munt, haar drachme, één van de tien die zij bezit, verloren heeft. Iedereen kan de opluchting meevoelen, als ze na lang zoeken haar muntje terugvindt. Heel herkenbaar, zoals je dat van Jezus’ gelijkenissen kunt verwachten. Hij gebruikt beelden uit het dagelijks leven om aan zijn hoorders iets duidelijk te maken.

In Lucas 15 staan drie van deze gelijkenissen na elkaar. Drie gelijkenissen die Jezus uitspreekt bij één en dezelfde gelegenheid. Jezus heeft op dat moment onder zijn toehoorders opmerkelijk veel ‘tollenaars en zondaars’. Tollenaars kennen we. Ze halen belasting op voor de Romeinse bezetters. Spreekwoordelijke landverraders en geldwolven dus. Wie de ‘zondaars’ precies zijn, weten we niet. Het zullen mensen zijn die zich niet of niet genoeg houden aan de Joodse wetten. Ze lappen één of meerdere regels aan hun laars. Gevolg is dat ze losraken van het volk, los van Israël. Ze worden door het vrome volk (Farizeeën en Schriftgeleerden) afgeschreven. Zo zijn ze ‘verloren’.

Over dat ‘verlorene’ gaan de drie gelijkenissen van Lucas 15. Twee van de drie zijn uitermate bekend en geliefd. De eerste gaat over de Goede Herder. Hij zoekt het ene afgedwaalde schaap, vindt het en brengt het terug bij de kudde. Verloren, gevonden. De herder en zijn schapen zijn ons tegenwoordig hooguit nog een beetje bekend van onze Sallandse heuvelrug of het Wierdense Veld. Wij kunnen amper voorstellen hoe het is om herder te zijn in het woestijnachtige gebied van het heilige Land. Toch is bijna geen Bijbels beeld nog zo geliefd als dat van de Goede Herder. In plaatjes, liederen, preken en verhalen: altijd weer kom je die Herder tegen. ‘De HEER is mijn Herder’ is nog steeds één van de meest geliefde liederen uit ons Liedboek.

Ook de derde gelijkenis uit Lucas 15 is een topper uit de wereldliteratuur. Ook uitermate geliefd bij ons als gelovige mensen. Denk maar aan dat beroemde schilderij van Rembrandt, waarop de oude vader zijn verloren Zoon in de armen sluit. Wat een kracht gaat er uit van deze beelden. Wat een troost geven ons deze verhalen: een verloren schaap en een verloren zoon worden teruggevonden. Wat een prachtige beelden voor God en voor mij. De Goede herder is God. Ik ben dat schaap in zijn armen. De barmhartige Vader is God en ik ben die teruggekeerde zoon of dochter.

Maar die tweede gelijkenis uit Lucas 15 valt toch een beetje uit de toon. Ingeklemd tussen de Goede Herder en de Verloren Zoon, ligt deze gelijkenis er verloren bij. Er is mij nog nooit gevraagd of ik over deze gelijkenis zou willen preken bij een uitvaart, laat staan bij een bruiloft. Toch tekent ook dit verhaal ons een plaatje van God en van mij.

Dat Jezus hier een vrouw als voorbeeld neemt voor de HERE God, zal óns waarschijnlijk niet verbazen. In onze ‘gender neutrale’ maatschappij van gelijke rechten voor beide geslachten valt het ons niet op. Maar in Jezus’ tijd was het opzienbarend. God vergelijken met een vrouw! Niet een vooraanstaande vrouw, een koningin of een prinses. Een gewone, ik zou bijna zeggen ‘huis, tuin en keuken’- vrouw, die Jezus als voorbeeld stelt voor de Allerhoogste HEER. Een huisvrouw met een lampje in de ene en een bezem in de andere hand. Druk bezig met het meest onderschatte stuk werk wat er in de wereld bestaat: het huishouden. Ze woont in een huisje van de ‘gewone’ arbeider: een huisje met alleen een kleine deur en zonder ramen. Daarom moet ze als ze iets kwijt is, een olielampje aansteken. Wat is ze kwijt? Een drachme. Altijd moeilijk om precies te zeggen hoeveel zo’n oud muntstukje precies waard is. Heel veel is het niet. De mensen die het kunnen weten gaan ervan uit, dat het ongeveer evenveel waard is als een ‘denarie’ of een ‘schelling’. En een schelling is het redelijk loon voor een dagloner. Je werkt één dag op het veld voor een drachme. Dan heb je genoeg om van te leven. Een drachme – zou je het een tientje kunnen noemen? Deze vrouw heeft dan – zeg maar - 100 euro en is er 10 van kwijt. Geen fortuin. Geen rijke patser dus. Een gewone huisvrouw, die op de kleintjes moet letten. Ze heeft genoeg om de komende dagen van te leven. Veel meer is het niet. Dus als ze één drachme verliest, zien we haar druk bezig met haar zoekactie. Tussen de potten en pannen, in de voorraadkast, misschien onder de tafel of onder het bed. Goed vegen met de bezem, kijken én luisteren…

Uitgerekend deze vrouw is beeld van de HERE God. God als de zoekende God. Gek eigenlijk. Moet God ‘zoeken’? God weet, ziet, hoort toch alles? Hij weet toch precies waar alles zich bevindt? God is toch geen sloddervos, die iets kwijt raakt?

Net zo vreemd als dat verhaal uit Genesis 3 over de zondeval. Adam en Eva gaan de fout in. Ze zijn Gods geboden ongehoorzaam. Ze denken als God te worden, kennende goed en kwaad. Maar als de zonde is begaan, komt de schaamte. Dus wat doen ze? Ze verstoppen zich voor God. Alsof dat kan! Je verstoppen voor God. Hij weet toch écht wel, dat je achter die bosjes bent weggekropen!? Nou, Hij weet het misschien, maar Hij WIL het niet weten. Hij wil namelijk dat je zelf tevoorschijn komt, je bloot geeft. Daarom zoekt Hij. Daarom roept Hij: ‘Adam, Eva, waar ben je?’. ‘Mens, kom tevoorschijn’.

God zoekt mens. Als de herder een verloren schaap. Ja, soms voelen wij ons een verloren schaap. Afgedwaald van de kudde door eigen schuld of door omstandigheden. Verstrikt in stekelige struiken of naar beneden gestort in een diep ravijn. Je voelt je ellendig. We voelen ons soms, zoals we straks zullen zingen, ‘moe van onszelf en zonder kracht, dorstend naar liefde en zegen’. Je voelt je ‘verloren’. Dan wil je maar wát graag gevonden worden. We vinden het maar al te fijn als God ons vindt en draagt. Prachtig beeld voor als je als mens verdwaald bent, als je je alleen voelt, als je verdriet hebt, als je in de put zit. De Goede Herder zal je opzoeken. Hij zal je terugbrengen naar de veilige stal.

Of gaat het met ons als met de verloren Zoon? We komen er tot onze grote schrik achter dat we God de rug toe hebben gekeerd. We komen tot inkeer. Wat fijn om dan te weten dat je bij God altijd terug mag keren. Hij staat je met open armen op te wachten. Hij wil je weer in Zijn armen sluiten.

Maar een verloren muntje is geen zielig schaap of berouwvol kind. Een muntje is een dood ding. Een stukje metaal. Het heeft er helemaal geen last van, als het ‘verloren’ gaat. Het voelt er zelf niets van als het op de vloer valt in een donker hoekje.

Toch kan een mens ook zó verloren zijn. Onwetend. Onbewust. Je leeft gelukkig? Je hebt er geen last van dat je ‘verloren’ bent. Je bent er onverschillig onder. Dat overkomt elk mens bij tijd en wijle. Het gebeurt in menselijke relaties: Dat je ongemerkt en geleidelijk los komt te staan van mensen om je heen. Vriendschap bekoelt. Liefde verkilt. Je gaat langs elkaar heen leven. Het kan ook gebeuren in de relatie met God: Je raakt heel sluipend afgestompt van het geloof. Je geloof komt op een steeds lager pitje. Misschien doe je voor goed fatsoen nog mee. Je blijft naar de kerk gaan. Je bidt en dankt voor het eten. Maar het doet je eigenlijk niet veel meer. Het is een sleur geworden. Je wordt er niet meer warm of koud van. Het raakt je niet meer. Je mist het eerlijk gezegd ook niet eens.

Maar dan komt de vrouw met haar lampje en haar bezem. Dan komt daar de HEER, onze God. Want al mist het muntje de vrouw niet, de vrouw mist het muntje wel. Al missen wij de HERE God niet, Hij mist ons wel. De vrouw zoekt. Ze veegt met haar bezem in alle gaten en hoeken. ‘Ja, warempel! Ik hoor iets rinkelen. Daar is het! Mijn drachme’. Triomfantelijk houdt ze het muntje in haar hand. ‘Eureka! Ik heb gevonden. Als ze het muntje terugvindt, is ze als een kind zo blij. Tijd voor een feestje met buurvrouwen en vriendinnen’. Nou ja… beetje overdreven, toch?

Als de HEER ons terugvindt, is Hij hemels blij. Want het ‘tiental’ is weer compleet. Gods volk is weer aangevuld. De vrouw pakt het muntje van de grond, schut het stof eraf en houdt het tegen het daglicht. Ze straalt van geluk. Je kunt die blijdschap pas goed begrijpen, als je plotseling beseft: dat muntje – dat ben ik. Ook al voel ik me niet verloren, er is er altijd Eén die naar mij op zoek blijft. Hij raapt mij op van de grond. Vroeg of laat. Hij raapt me zelfs op als ik aan het einde van mijn leven als een dood ding neergevallen ben. Dan zoekt de HEER mij in het stof. Hij zoekt Hij me op in het graf. Hij maakt mij levend in Zijn warme handen. Met Christus opgestaan ga ik door de dood naar het leven. Met alle engelen voor Zijn troon mag ik me dan eeuwig verblijden. De HEER was naar mij op zoek. Hij heeft mij gevonden. Ik zal voor altijd bij Hem behoren.