Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 Op de kleintjes letten

Kerkdienst op Palmzondag 25 maart 2018

Lezingen: Psalm 8 en Matteüs 21:1-17


“De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen hij verrichtte en hoorden de kinderen in de tempel “Hosanna voor de Zoon van David!” roepen, en ze waren hoogst verontwaardigd. Ze gingen hem vragen: “Hoort u wat ze zeggen?”. En Jezus antwoordde hun: “Jazeker! Hebt u dan nooit gelezen: “Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen”?” (Matteüs 21:15-16)

‘Op de kleintjes letten’ is een oude reclamekreet van een bekende supermarkt. De bedenkers proberen klanten ervan te overtuigen dat boodschappen in die winkel zó goedkoop zijn, dat je al winkelend op de kleintjes let. Van oorsprong is deze kreet een Nederlands gezegde. Als je op de kleintjes let, ga je zuinig met je geld om. Je draait elk dubbeltje twee keer om.

Wij denken bij het woord ‘kleintjes’ vanmorgen aan die onbetaalbare kleintjes: de kinderen. ONZE kinderen en kleinkinderen. Maar toch zeker ook: de kinderen van de kerk, de kinderen van onze gemeente. Op die kleintjes moet je letten. Op hen moet je zuinig zijn. Dat is oneindig veel belangrijker dan op je centen letten. Het is één van de belangrijkste dingen die de HEER van ons vraagt. Misschien wel het allerbelangrijkste. Het grote gebod is dat wij onze naasten moeten liefhebben als onszelf. Van die naasten zijn onze kinderen het meest ‘naast’. De meest nabije. Ze zijn ons toevertrouwd. Nogmaals: ik heb het niet alleen over onze eigen kinderen. Ook als je zelf geen kinderen hebt, heb je iets te maken met de kinderen om je heen. Dus hier in de kerk: de kinderen van de gemeente. De kinderen die nu naar de kindernevendienst zijn. Die straks vrolijk weer in ons midden verschijnen. De jongeren, vandaag bij elkaar in hun eigen ‘Jeugdkerk XL’. Maar ook de allerkleinsten, die straks uit de oppas gehaald worden. Zij mogen er bijgehaald worden om Gods zegen te ontvangen. Zij komen in ons midden. Omdat we op de kleintjes moeten letten.

Op de kleintjes letten: het is iets dat duidelijk opvalt in het aardse optreden van Jezus. Hij is niet een rabbi voor volwassenen alleen. Hij is het ook voor de kinderen. Hij laat de kinderen tot zich komen. Hij zet een kind in het midden van de discipelenkring en stelt het ten voorbeeld aan de grote mensen. Hij veroordeelt in scherpe bewoordingen alle kindermisbruik, kindermishandeling of verwaarlozing. Hij let op de kleintjes.

Ook in de lezing van vanmorgen komen we kinderen tegen rondom Jezus. Op een plaats waar we ze misschien niet direct zouden verwachten. We zijn in de tempel. Om precies te zijn: we zijn op het grote plein dat rondom het eigenlijke tempelgebouw ligt. Dat heet: de ‘voorhof der heidenen’. Op dat plein kunnen vaders en moeders samen met hun kinderen rondlopen. Als ze dichter bij het Heilige der heiligen komen en daar een poort doorgaan, worden de vrouwen en de mannen gesplitst. Ze hebben dan elk hun eigen gedeelte. Eén voorhof voor mannen en één voor vrouwen. Daar kun je bidden of een offer brengen. De kinderen mogen daar ook best bij zijn. Het is zelfs de eerste stap in de geloofsopvoeding. Dat is het nog steeds. Les 1: ‘Laat je kinderen er niet buiten, maar neem hen mee’. Bij het bidden en danken aan tafel. Bij het gebed voor het slapen gaan. Neem hen mee naar de Bijbelverhalen thuis of op school. Neem ze dus ook aan het handje mee naar de kerk. Want het is jong geleerd, oud gedaan.

Ik zie vaders en moeders met hun kinderen over het tempelplein wandelen. Ze gaan de poort door. Papa en mama gaan daar elk hun eigen kant op. Als meisjes nog geen 12 en jongens nog geen dertien jaar zijn, mogen ze zelf kiezen. Ga je met papa mee naar het ‘mannengedeelte’? Of blijf je bij mama in de voorhof der vrouwen? Nadat kinderen ‘bar mitswa’ of ‘bat mitswa’ hebben afgelegd, worden ze bij de volwassenen gerekend. Zo iets als bij ons belijdenis, maar dan wat jonger.

Op deze manier leren kinderen hoe het toegaat in de tempel. Spelenderwijs. Als ze eenmaal dichtbij het heiligdom staan, moeten ze leren om stil en eerbiedig te zijn. Dat hoeft op de voorhof der heidenen nog niet. Daar is het altijd een drukte van belang. Op dat grote plein rondom de tempel heeft Jezus zo juist de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver gegooid. Het zal dus rep en roer zijn geweest. Maar dat schrikt kinderen niet af. Integendeel. Kinderen houden wel van leven in de brouwerij. Dat moeten we altijd weer bedenken, als kinderen een beetje lawaai maken in een stille kerk. Het kán niet anders. Het mág niet anders. Het mag eigenlijk niet ‘vet saai’ zijn in de kerk. Ze moeten er vooral plezier in houden. Geloven is toch een vreugdevolle zaak.

Ze zijn dus vast nieuwsgierig toegesneld bij dat opstootje in de tempel. Vol verbazing kijken ze hun oogjes uit hoe Jezus bezig is met Zijn protestactie. Duiven fladderen de vrijheid tegemoet. Geiten zijn losgebroken. Offerlammetjes mekkeren erop los. Geldstukken vliegen in het rond. Wanhopige kooplui proberen alles weer op een rijtje of in het hokje te krijgen. Daarna wordt het rustiger. Hoewel, kijk, daar komen mensen met een beperking naar Jezus toe. Blinden en lammen. Jezus geneest hen. ‘Laat de blinden tot Mij komen’. ‘Laat de lammen tot Mij komen’. En dan nu: ‘Laat de kinderen tot Mij komen’. Want als het dus weer een beetje rustig is, hoor ik kinderstemmen. Ze maken lawaai, ze roepen, ze zingen. Een vrolijk deuntje – kort maar krachtig: ‘Hosanna voor de Zoon van David’. Hoe ze aan dit liedje komen, is wel duidelijk. Even tevoren is Jezus op een ezel gezeten naar de stad Jeruzalem gekomen. Hij werd toegejuicht door een grote mensenmassa. DIE riepen in koor: ‘Hosanna voor de Zoon van David’. Zoals de ouden zongen piepen de jongen – de kinderen hebben dat overgenomen. Het is zo’n versje dat in je hoofd blijft rondzingen. Zeker in een kinderhoofdje. Kort maar krachtig: ‘Hosanna voor de zoon van David. Hosanna! Hosanna!’.

Maar wat betekent het eigenlijk? Die vraag is nog niet zo simpel te beantwoorden. Hosanna – dat klinkt als ‘Halleluja’. Of – zo je wilt – ‘Hieperdepiep Hoera’. ‘Hosanna voor de zoon van David’ zal dus wel een vrolijk feestlied zijn. Een welkomstlied voor de Messias, de afstammeling, de verre zoon van David.

Als je het goed gaat uitpluizen kom je voor het woord ‘Hosanna’ uit in Psalm 118. Die Psalm is één van de liederen uit het zogenaamde Hallel – de psalmen 113 tot en met 118. Joden zingen juist die Psalmen rondom het Paasfeest. Die psalmen zijn dus ook heel snel bekend bij kinderen. Ze worden hun met de paplepel ingegoten. Uitgerekend in één van die Psalmen staat het woord ‘Hosianna’. Het betekent letterlijk: ‘Heer, red ons, help ons, bevrijd ons’. Het is dus oorspronkelijk geen vrolijke feestspreuk. Het is een roep om hulp. Het is 'SOS’, ‘Save our souls’. Een noodkreet. ‘Help!’. DAT roepen de mensen, als Jezus naar Jeruzalem komt. ‘Help ons, Zoon van David’. Of: HEER, laat de Zoon van David ons bevrijden’. Het is een gebed om de komst van de Messias. Dus om de komst van Gods Koninkrijk. Uw koninkrijk kome…

‘Hosanna voor de Zoon van David’. Zouden al die mensen die dat roepen wel begrijpen wat ze roepen? Nou, geleerde mensen in elk geval wel. De Schriftgeleerden en priesters snappen het maar al te goed.  Daarom is deze kreet hun een doorn in het oog. De man op de ezel wordt toegejuicht als de Messias Zelf. Kom nou!? Moet Hij het volk te hulp komen? Moet Hij ons redden in Gods Naam? Is het hosanna aan Zijn adres gericht? Laat Jezus zich dat aanleunen?

Gelukkig zijn de juichende volwassenen weer stil geworden. Zo gaat dat met de stem van het volk. Het is de waan van de dag die regeert bij Henk en Ingrid. De ene keer roepen ze dit, de andere keer dat. ‘Heden Hosanna, morgen kruisig hem’. Kruisigen zullen ze Hem.

Het is weer stil geworden op het grote plein. Totdat… Ja, hoor je dat? Het zit nog in de kinderkoppies. Het komt uit die kinderbekkies. Ze zitten nog steeds met dat wijsje in hun hoofd. ‘Hosanna voor de Zoon van David’. Jezus, ze moeten hun mond houden! Hoor je wel wat ze zingen? Ze zingen dat U de Zoon van David, de Messias bent. Ze zoeken bij U goddelijke hulp en redding: ‘Hosanna, help!’ ‘Maar het zijn kleintjes, Jezus. Ze snappen niets van wat ze zeggen. Ze begrijpen het niet. Daar zijn ze te klein voor’.

Opmerkingen die misschien ook bij ons opkomen, als we kinderen over het geloof horen praten of zingen. Van die ‘praatjesmakerspraatjes’. Als ze net kunnen praten, leren ze ‘amen’ zeggen of ‘halleluja’. Brabbelend leren ze bidden ‘Here, dank U voor het lekkere eten en dat de poes weer beter is’. Nog weer later gaan ze lastige vragen stellen: ‘waar woont God?’. Soms zijn ze dan met een simpel antwoord tevreden: ‘God woont boven, in de hemel’. Als je dat meemaakt, als ouder, als opvoeder, juist dán, moet je op de kleintjes letten. Dan moet je dat uiterst serieus nemen. Want – gek genoeg, wonderlijk genoeg, gebruikt God juist kindermonden voor een loflied. Dat is de wet van Psalm 8. In die Psalm wordt gezegd dat de HEER als Schepper van hemel en aarde op 2 manieren van zich laat horen. In de eerste plaats door de immense sterrenhemel als kunstwerk van Zijn handen. In de tweede plaats door de kindermonden. Door het gebrabbel van zuigelingen. Met andere woorden, als je iets van God wilt zien, kijk dan in een heldere nacht omhoog naar de sterrenhemel. Of kijk op een mooie dag naar beneden. Naar de kleintjes. Sla een blik in de wieg. Leg je oor te luisteren op de peuterspeelzaal of in de schoolklas. Daar blijkt Gods Scheppersmacht. Zó leer je zelf de lofzang zingen. Zo leer je ‘Hosanna’ zingen.

Dat mag jij dan weer leren aan je kinderen. Je kunt niet klein genoeg beginnen. Als ze er nog niets van snappen. Leer liedjes aan. Ga met hen bidden. Vertel verhaaltjes uit de Bijbel.

Mag dat dan baten? Is er de zekerheid dat ze later ook in geloof hun weg gaan? Willen ze als ze groot zijn ook nog mee naar de kerk? Helaas weten we dat succes op dat gebied niet gegarandeerd is. Als onze kleintjes groot worden maken ze keuzes, die niet altijd de onze zijn. Maar iemand zei me eens: ‘Wat het eerst in het schip komt, komt er het laatst weer uit’. Wat je ze heel vroeg meegeeft, daar blijft altijd iets van hangen. Als ze dan niet meer aan je hand meegaan naar de HEER, mag je ze toch altijd weer bij Hem brengen. In je gebed. ‘Hosanna’ roepen. Help, HEER. Red ons. Zorg voor ons én onze kinderen. Neem hen in uw hoede. Laat ook onze grote kleintjes nooit vallen uit Uw trouwe Vaderhand.