Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

"Ook jij bent een ster"

Kerstpreek voor kinderen en allen die zich jong genoeg voelen

25 december 2019 (Morgendienst te Nijverdal)
Schriftlezingen: Lucas 2:1-20 

 

Julius is één van de herders uit Bethlehem. Een bijzondere herder. Dat hoor je aan zijn naam: Julius. Eigenlijk: ‘Joelioes’. Zo zeiden ze dat toen. Julius is een Latijnse naam. Latijn is de taal van de Romeinen. In de stad Rome en op veel plaatsen werd Latijn gesproken. Romeinen hadden een groot deel van de wereld bezet. Net als de Duitsers in de tweede wereldoorlog. Ook in Bethlehem waren Romeinen de baas. Je moet doen wat ze zeggen. Als je dat niet doet, word je in de gevangenis gezet. Of erger nog. Het is toch een beetje vreemd dat je bij Bethlehem woont en Julius heet! Zo heette de allereerste Romeinse keizer: Julius Caesar. Wie noemt zijn kind dan Julius?

Julius komt niet uit Israël. Hij is geen Jood. Julius is geboren in Rome. Hij is de zoon van een generaal. Als alles goed was gegaan, zou Julius ook soldaat zijn geworden in het Romeinse leger. Dat was de grote wens van zijn vader.

Als alles goed was gegaan. Als Julius is geboren, gaat er iets mis. Dat blijkt als hij groter wordt. Als baby’s zo’n anderhalf jaar oud zijn, leren ze lopen. ‘Toe maar, Julius!’, zegt mama, ‘Loop maar naar me toe’. Julius loopt anders dan andere kinderen. Julius loopt scheef. De dokter ziet snel waarom: ‘Zijn linkerbeen is een stukje langer dan zijn rechterbeen’, zegt de dokter. Julius zal wel kunnen lopen, maar langzaam. Julius zal nooit kunnen rennen. ‘Wat maakt het uit?’, denkt moeder. ‘Ik hou evenveel van hem’. Maar zo denkt vader er niet over. Als Julius soldaat moet worden, dan moet hij aan sport doen. Hardlopen! Worstelen! Zwaard vechten! Julius probeert het, maar het lukt voor geen meter. Hij verliest elk wedstrijdje hardlopen, worstelen, zwaardvechten. Heel vaak komt hij thuis met bloed aan zijn hoofd of aan zijn been. Dan hebben ze hem weer eens geraakt. Vader begint dan te schreeuwen: ‘Joelioes, wat ben je voor een watje! Heb je nu al weer verloren? Hoe moet jij ooit soldaat worden? Je kunt helemaal niks! Je bent niks waard! Ik noem je geen ‘Julius’ meer. Ik noem je voortaan BALLIO!’. Ballio – dat betekent: nietsnut, ‘loser’….

Op een dag, als Julius thuis komt, is iedereen in rep en roer. Ze roepen. Ze huilen. Julius vraagt: ‘Wat is er aan de hand?’. Eén van de slavinnen neemt Julius mee. ‘Ik moet je iets heel ergs vertellen, Julius. Je moeder…. Ze is ziek geworden. Ze is…’. ‘Dood?’, vraagt Julius. ‘Ja, ze is overleden’.

Je zult begrijpen dat Julius heel erg verdrietig is. Hij mist zijn moeder verschrikkelijk. Hij kan elke dag wel huilen. Maar zijn vader wil dat niet. Julius moet niet huilen. Julius moet soldaat worden. Romeinse soldaten huilen niet. Als Julius op een dag in een hoekje zit te huilen, komt zijn vader thuis. Hij ziet Julius zitten. Hij grijpt hem stevig beet, sleept hem naar de deur en gooit hem naar buiten. ‘Weg jij’, roept hij, ‘Ik wil je nooit meer zien. Je bent mijn zoon niet meer, Ballio!’.

Jaren gaan voorbij. Julius wordt groot. Hoe hij het redt? Dat weet hij zelf niet meer. Meestal slaapt hij in de buitenlucht. Soms vindt hij een verlaten plekje in een schuur of een hooiberg. Vaak wordt hij weggejaagd. Dan vlucht hij zo snel als zijn ongelijke benen hem kunnen dragen. Hij drinkt water uit een beekje. Door te bedelen krijgt hij genoeg brood bij elkaar. Soms krijgt hij ergens een baantje. Als de mensen genoeg van hem hebben, schoppen ze hem eruit. Eerlijk gezegd steelt Julius ook wel eens iets. Een stuk kaas of vlees. Een paar appels uit een boom. Op een dag steelt hij ergens op een markt een gerookt visje. Hij wordt op heterdaad betrapt. ‘Zo, mannetje, ik zal je leren om mijn vis te stelen!’, schreeuwt de marktkoopman. Hij sleept Julius mee naar de haven. Daar ligt een schip. Zo’n Romeinse boot, waar een heleboel slaven onderin zitten om te roeien. De koopman vraagt aan de kapitein: ‘Mag deze Ballio meevaren? Hij kan niet veel, maar roeien kan hij’. Zo roeit Julius, maandenlang. Dag aan dag. Week aan week. Zijn rug doet pijn, zijn handen doen pijn. Julius ziet er slecht uit.

Op een mooie dag komen ze aan in Jaffa, een stadje in Israël. Aan de kust. De kapitein maakt hem los. ‘Ik heb genoeg van jou’, zegt hij. ‘Ik kan jou niet meer gebruiken. Als je verder vaart op mijn schip, ga je dood. Dus: hoepel op! Van mijn schip af’. Weer wordt Julius weggestuurd. Weer hoort hij in zijn gedachten zijn vader schreeuwen: ‘Ballio. Jij deugt nergens voor!’. Julius trekt het binnenland in. Naar de bergen van Judea. Daar zwerft hij door de woestijn. Hij slaapt er buiten. ’s Zomers kan dat best. Maar ’s winters wordt het koud. Dan zoekt hij een grot op. Op een dag komt hij in een grot een groep herders tegen. Ze leven in Efrata’s velden, niet ver van Bethlehem. Hij mag met hen mee. Hij kan niet hard lopen. De schapen en geiten zijn vaak sneller dan Julius. Maar hij kan andere dingen die hij in al die jaren wel geleerd heeft. Hij kan heel goed een vuurtje maken. Hij weet heel goed waar je in een warme hete zomer water kunt vinden….

Zo zit Julius deze nacht bij de herders van Bethlehem. Het is een donkere nacht. Het is koud, maar het vuur brandt. Dan plotseling, grote schrik: een lichtflits, feller dan het vuur, feller dan de zon. Het is of alles in brand staat. Verblindend Licht! Alle herders vallen doodsbang op de grond. Ook Julius. Maar dan een stem. Niet hard, geen geschreeuw, maar wonderlijk mooi. ‘Wees niet bang, zegt de stem. ‘Ik heb blij nieuws – vannacht is voor jullie een redder geboren’. Meer hoort Julius niet… Maar deze woorden blijven hangen: ‘Voor jullie een redder’. Dat bonst door zijn hoofd. Een redder! Iemand die je helpt, als je het moeilijk hebt. Iemand die er voor je is. Iemand die jou ziet, die jou waardevol vindt. Voor wie je een ster bent. Ook JIJ, Julius. ‘Voor MIJ?, denkt Julius, voor MIJ? Zou het echt waar zijn!?

Julius ligt op de grond. Met zijn ogen dicht. Eén van de herders tikt hem aan: ‘Julius, kom op! Sta op! We gaan’. ‘We gaan? Waarheen?’. ‘Heb je het niet gehoord? De redder is geboren in Bethlehem. Een kind in een kribbe, een voederbak… Kom op, we gaan Hem zoeken’.

Zo lopen ze door de nacht… Ze vinden de stal. Het kind in de kribbe. Met zijn moeder Maria en Jozef. ‘Kom maar binnen’, zegt Jozef. Julius durft niet… ‘Jij ook! Iedereen is welkom. Hoe heet je?’. ‘Julius, meneer’. Nou, ik ben Jozef. Dat is Maria. ‘En hoe heet het kindje dan?’, vraagt Julius. ‘We gaan Hem Jezus noemen’, zegt Jozef. ‘God zal ons redden’, betekent dat. ‘Dat wist ik al’ zegt Julius. ‘De engel heeft verteld, dat er een Redder geboren is. Jezus – wat een mooie naam’. ‘Hij heeft ook een bijnaam’, zegt Jozef. ‘Immanuel’ kun je Hem ook noemen. ‘God met ons’ betekent dat. Door dit Kindje is God altijd bij ons. Nooit zijn we meer alleen. Nooit meer.

‘Ik had ook een bijnaam, Jozef’, zegt Julius, ‘maar die heb ik vanaf vandaag niet meer…’