Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Ook als niet...

Kerkdienst op zondag 2 september 2018

Lezingen: Daniël 3:1-30 en Matteüs 10:28-33

geluidsopname beschikbaar!

“Maar ook al redt hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht” 
(Daniël 3:18)

 

Wij mensen zijn doordrenkt van marktdenken. Ik bedoel: het idee van ‘voor wat hoort wat’. Als ik jou iets geef, wil ik van jou ook iets terug ontvangen. Als ik wat voor jou doe, verwacht ik wel dat jij iets voor mij terug doet. Zeker als ik iets moeilijks doe, moet er wel wat tegenover staan. Bewust of onbewust vragen we af bij alles wat we doen: wat levert het me op? Wat schiet ik ermee op? Wat schuift het?

Zo is het ook met geloof. Geloven is best moeilijk. Dus als je gelooft wil je er wel iets aan hebben. Gelukkig is dat ook zo. Het geloof geeft ons vreugde: de HEER gaf ons het leven. Daar zijn we Hem dankbaar voor. Het geloof geeft ons steun als we het moeilijk hebben. God wil ons helpen en geeft ons kracht. Het geloof geeft ons hoop. Hoop op een goede toekomst voor anderen en onszelf. Stuk voor stuk dingen die geloven de moeite waard maken.

Maar wat als niet? Wat als we er niets voor terugkrijgen? Wat als het geloof ons teveel gaat kosten? Als de lusten niet meer opwegen tegen de lasten? Als het beetje geluk dat we door het geloof krijgen niet meer zwaar genoeg weegt? Als tegenslagen in het leven ons aan het wankelen brengen? Zullen we het geloof ook vasthouden als het NIET goed met ons gaat?

In Daniël 3 staan drie mannen voor die keuze. Ze STAAN. Ze weigeren te knielen. Ze weigeren te ‘vallen’, staat er letterlijk in de Bijbeltekst. Honderden mensen om hen heen zijn wél ‘gevallen’. Ze zijn door de knieën gegaan. Voor het beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht. Een kolossaal beeld van 60 bij 6 el. Pakweg 30 meter hoog en 3 meter breed.

Wat voor beeld is het? Onze eerste gedachte zal zijn: het is een standbeeld. In het vorige Bijbelhoofdstuk, Daniël 2, gaat het over een standbeeld. Dezelfde koning Nebukadnessar ziet het in een droom. Een beeld met een lijf, met benen, voeten, armen én – lest best: Een gouden hoofd. Dat gouden hoofd – zo legt de profeet Daniël uit: ‘Dat gouden hoofd bent U’. Nebukadnessar, koning van het wereldrijk der Babyloniërs. Zijn naam hoort met stip thuis in het lijstje ‘groten der aarde’. Alexander de Grote, Augustus, Constantijn, Karel de Grote, Lodewijk de 14 e, Napoleon tot en met Trump en Putin. Om maar te zwijgen over Hitler en Stalin. De ‘groten’, de allergrootsten der aarde. Die hun stempel op de geschiedenis hebben gedrukt. Daar hoort Nebukadnessar bij. Hij is het gouden hoofd van het standbeeld uit zijn droom.

Dat is hem blijkbaar goed in de bol geslagen. Als Nebukadnessar wakker is, is hij dronken van het idee: ik ben dat gouden hoofd! Ik sta aan de top. Best mogelijk dat hij toen bij zichzelf gedacht heeft: ik maak er een beeld van. Een beeld van goud. Is het een beeld van zichzelf? Nou, 30 bij 3 meter… dan beeldt Nebukadnessar zichzelf af als een lange slungel… Hij maakt zichzelf nog langer en slanker dan deze lange, slanke dominee… Of verbeeldt het beeld van Nebukadnessar één van zijn goden? Misschien is het ook symbolisch bedoeld. Als een soort hele lange spitse toren die tot in de hemel rijkt. Een toren van Babel. Zo iets als de obelisken uit Egypte. Een vinger naar de hemel. Hoe dan ook: het is wel duidelijk wat Nebukadnessar met dit beeld wil zeggen. Dat zijn macht tot in de hemel reikt. Dat zijn rijk de hemel op aarde heeft gehaald. Dus dat hijzelf, koning Nebukadnessar, de goden gelijk is geworden.

Ach, als je het allemaal goed tot je door laat dringen… Wat Nebukadnessar aan het doen is, is toch eigenlijk een lachertje. Je zou het een goede grap vinden, als het niet zo serieus bedoeld is. Als het niet telkens weer in de geschiedenis zo gebeurt. Tot op de dag van vandaag. Als je de top bereikt, ga je rijden in een limousine, ga je wonen in een groot paleis en verzamel je veel ‘bling bling’ om je heen. Je laat je toejuichen door een miljoenenpubliek. Je organiseert de olympische spelen met pracht en praal. Je laat wolkenkrabbers bouwen. Menig dictator laat zich vereeuwigen in een kolossaal standbeeld. En voor na je dood zorg je dat je lichaam in een mausoleum wordt bijgezet. Om aan iedereen altijd te laten zien hoe groot, hoe belangrijk, hoe onvergelijkelijk jij was.

Het gekke is: mensen trappen erin. Ze juichen je toe bij duizenden. Ze staan langs de straten als jij voorbij komt. Ze hebben er desnoods hun goud voor over. Mensen vallen op hun knieën voor de groten der aarde.

Ook wij raken zo makkelijk onder de indruk van alles wat groot, groter, grootst is. Ook wij vallen voor de ‘big macs’ van deze wereld. We bewonderen het televisieprogramma met de hoogste kijkcijfers. We bejubelen de artiest met de meeste views op Youtube of met de meeste likes op facebook. We kijken op tegen wat veel, groot en opvallend is. Zeker als het dan gekoppeld wordt aan iets waar we allemaal vatbaar voor zijn: de angst. Als een machthebber een dictator of tiran wordt, brengt hij de angst onder het volk. Een bang volk is een volgzaam volk. Daarom staat naast dat beeld van Nebukadnessar een grote oven, waarin het vuur brandt. Als afschrikwekkend teken: pas maar op. Doe maar wat de koning wil, anders loopt het slecht met je af. Dan word je verbrand. Je wordt uitgewist tot er letterlijk niets meer van je overblijft. Want als je niet in het gelid wilt lopen, tel je niet meer mee. Dus vallen er voor dat beeld, dat Nebukadnessar heeft opgericht, honderden bange dus brave burgers. Ze buigen als knipmessen. Het is angst, dat hen drijft.

Angst: ook in onze tijd weten we er van mee te praten. De grote problemen waar onze wereld mee te kampen heeft brengen maken ook ons bang.

De afgelopen droogteperiode laat volgens weerkundigen zien dat er iets grondig mis is met ons klimaat. Dus is er angst voor overstromingen, vloedgolven, langdurige droogte.
De ‘Nebukadnessars’ van onze wereld zijn onberekenbaar: wat voor slechte dingen zullen de wereldleiders nog over ons uitstorten? Gaan we af op een handelsoorlog, een cyberoorlog of zelfs een derde wereldoorlog?
Dan is er nog dat akelig ongrijpbare monster van het terrorisme. De woedende menigte in Pakistan van afgelopen week was nog ver van ons bed. Die storm lijkt wat geluwd. Maar er hoeft maar één gek te zijn…

Zo regeert de angst. We voelen ons klein en onmachtig. Als de kleine mensjes voor dat kolossale beeld van 30 bij 3 dat Nebukadnessar heeft opgericht. Met daarnaast die angstaanjagende brandende oven.

Vorig jaar schreef terrorismedeskundige Beatrice de Graaf een boek met de titel ‘Heilige Strijd’. Zij deed dat op verzoek van de Protestantse Kerk. Vanuit haar kennis, maar ook vanuit haar geloof schrijft ze over de strijd voor onze veiligheid. De strijd tegen de angst, die heerst in onze samenleving. Hoe kunnen we strijden tegen al wat ons bedreigt? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat die strijd ‘heilig’ blijft? Verantwoord en beheersbaar. Beatrice De Graaf geeft vanuit haar geloof een antwoord: als christenen mogen we geloven dat dé strijd al gestreden is. Dat dé overwinning al behaald is. Op Golgotha overwon de HEER onze zonde. Daar versloeg Hij onze grootste vijand. Aan het kruis werd de dood verslagen. Sindsdien, sinds Pasen mogen we leven uit Zijn overwinning. Dat klinkt misschien simpel. Maar het betekent niet dat we gelaten alles over ons heen moeten laten komen. Heel concreet, letterlijk zullen we moeten vechten tegen wat ons bedreigt. Desnoods met bommen en raketten de vijand te lijf gaan. Dat is helaas niet te vermijden. Maar als we de strijd ‘heilig’ willen houden is dat wapengekletter nooit bandeloos en grenzeloos. Het is niet bedoeld om haat te zaaien of wraak te nemen. Altijd middel om vrede en recht te bevorderen. Het mag ons uiteindelijk niet gaan om onze koninkrijkjes. Het gaat om Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid. Maar die strijd is niet hopeloos. We vechten niet voor een verloren zaak. We strijden een gewonnen strijd.

Bovendien mogen we als mensen nooit vergeten, dat de grootste strijd niet buiten maar IN onszelf wordt gevoerd. Dat is de strijd tegen ons eigen ‘ik’. Tegen onze eigen zonde, onze zelfgerichtheid. Als we die strijd in onszelf voeren, voeren we echt een ‘heilige strijd’.

Bij het beeld dat koning Nebukadnessar heeft opgericht staan drie dappere strijders voor Gods Koninkrijk. Ze belijden hun God. Ze weigeren hun HEER te verloochenen. Ze voeren geen strijd voor zichzelf. Ze achten hun eigen belang, ja hun eigen leven, ondergeschikt aan Gods belang. Daarom willen ze niet buigen. En ze zullen niet buigen. Ze houden hun rug recht. Wat dat voor henzelf betekenen zal weten ze niet. Het kan zijn dat de HEER hen zal behoeden. Het kan zijn, dat ze hun leven moeten geven. Maar ook als niet… Bang zijn ze niet voor een koning die alleen hun lichaam kan doden. Ze laten zich niet imponeren door de grote menigte knielende mensen. Ze laten zich geen angst aanjagen door het kolossale gouden beeld. Ze schrikken niet terug voor de hitte van de brandende oven. Ze strijden namelijk niet voor zichzelf. Ze doen geen moeite om er zelf beter van te worden. Ze willen desnoods alles wel verliezen, als ze God maar niet kwijt raken. Alleen de God die het leven geeft en in Zijn hand bewaart, die zelfs alle haren op je hoofd heeft geteld, is het waard om vereerd te worden. Dus kunnen ze ons alles afpakken, maar onze ziel krijgen ze niet. Onze ziel, onze geest, is van Hem. Hoort bij Hem. In leven en in sterven met Hem verbonden. Al zou je alles kwijt raken, Hij blijft bij je. Zelfs in het vuur. Zelfs in het graf. Zelfs in de dood. Hij is bij ons, als de vierde man. Nebukadnessar ziet tot zijn verbazing een vierde man in de oven lopen. ‘Een Godenzoon’, roept hij uit. Een zoon van God.

Wij belijden ons geloof in dé Zoon van God, Jezus Christus. Wij horen Hem zeggen: ‘Ik ben met je alle dagen. Niets kan jou scheiden van Mijn liefde. Al valt alles en iedereen - Ik zal er zijn voor jou’.