Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Onze hulp

Lezingen: Jesaja 58:6-8 en Lucas 16:19-31
Viering van het Heilig Avondmaal

“Ze hebben Mozes en de Profeten. Laten ze naar hen luisteren” (Lucas 16:29)

Als ik eerlijk ben, valt deze gelijkenis van Jezus me zwaar. Ik voel me ongemakkelijk bij Zijn woorden van vanmorgen. Als ik eerlijk ben, raken die woorden mij onaangenaam hard.

Het is niet zo moeilijk om me makkelijk van deze gelijkenis af te maken. Het is een koud kunstje om afleidingsmaneuvers te bedenken. Ik kan de gelijkenis bijvoorbeeld lezen als een interessante verhandeling over hoe men in die tijd over het hiernamaals dacht. Jezus vertelt met zoveel woorden, ja met méér woorden dan waar ook in de Bijbel, over het leven na dit leven. In het dodenrijk zijn twee afdelingen. Een afdeling voor de rechtvaardige mensen en één voor de onrechtvaardige mensen. Schapen en bokken worden van elkaar gescheiden. De goeden komen goed terecht – de kwaden moeten boeten voor hun zonden. Heel eenvoudig. De wet van vergelding, zoals we die allemaal wel kennen. ‘Boontje komt om zijn loontje’. Op het eerste gezicht is dat een mooie fijne gedachte. Een variant op ‘alles komt goed’. ‘Alles komt uiteindelijk op zijn pootjes terecht’. Dus ‘al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel’.

Dat zien we gebeuren in de gelijkenis: de rollen op aarde worden in de hemel omgedraaid. De arme komt uiteindelijk goed terecht. De rijke krijgt zijn verdiende loon. Als ik dat lees, denk ik bij mezelf: ‘Net goed!’. Als ik om me heen kijk in de wereld, in de geschiedenis en in de actualiteit, dan denk ik: gelukkig maar. Uiteindelijk zal er recht geschieden. Hitler, Stalin, Putin en andere beruchte of onbekende schurken ontlopen hun straf niet. Ze zullen zich moeten verantwoorden voor het hemels tribunaal. Ze zullen de dans niet ontspringen. Ik hoor iets in de gelijkenis van wat wij belijden in het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof. ‘Ik geloof in Jezus Christus, die wederkomen zal om te oordelen de levenden en de doden’. Dat geeft mij rust. Dat geeft mij hoop. Dat geeft mij vertrouwen: alles komt goed.

Als ik dan nog een draadje uit de gelijkenis mag halen, dat mij aanspreekt, is het dat wat gebeurt met Lazarus. Hij die door Jezus getekend wordt als een hopeloos geval op aarde. Als een paria, een uitgestotene. Dieper kan een mens niet zakken op de maatschappelijke ladder dan deze arme man. De vergelijking met de rijke is diep zwart tegenover helder wit. De rijke kleedt zich in purperen gewaden en fijn linnen. Een purperen bovenkleed en een linnen onderkleed bedekken zijn lichaam. De arme heeft letterlijk niets om het lijf dan zweren die hem bedekken. Zijn lijf jeukt, schrijnt, ettert.

Wat eten en drinken betreft is het al even zwart – wit in de gelijkenis: de rijke doet zich dagelijks tegoed aan een feestmaal; de arme krijgt niets. Zelfs de weggegooide restjes vallen niet hem, maar de honden toe. Die komen vervolgens zijn wonden likken. En dat is dan geen weldadig gebaar, maar teken van opperste onreinheid. Voor een oosterling is een hond geen trouwe viervoeter, maar een misbaksel dat op straat rondzwerft.

Het contrast tussen rijk en arm is tot op het laatst van het leven te zien. Zelfs op de dag van de dood. Als de rijke sterft – zo lezen we – wordt hij begraven. Hem wordt de laatste eer bewezen. Familie en vrienden geven hem een waardig afscheid – al dan niet bedacht op de erfenis.

Van de arme wordt niet verteld dat hij begraven wordt. Hij sterft gewoon – op zekere dag. Wat er vervolgens met zijn lichaam gebeurt, is het vermelden blijkbaar niet waard. Voor hem geen graf, geen monument, geen gedachtenis op aarde.

Maar dan wel: in de hemel. Direct na zijn dood, neemt de Almachtige HEER het heft in handen. Dan wordt alles recht gezet. De arme man krijgt geen aardse, maar wel hemelse dragers. Engelen begeleiden hem naar het Vaderhuis. Hij krijgt geen aards graf, maar wel een hemels ereplaatsje: in Abrahams schoot, aan Abrahams hart. Dat wil zeggen: hij mag naast de grote aartsvader Abraham aanliggen bij de hemelse maaltijd. Hij is veilig in Abrahams armen en dus veilig aan Jezus’ hart.

En daar hoop ik óók op. Ik hoop ook eenmaal daar te zijn. Maar nu nog niet. Want als ik eerlijk ben… Als ik eerlijk naar deze gelijkenis luister moet ik me herkennen in de andere hoofdpersoon. Een gelijkenis is altijd bedoeld om jezelf te zien. Je moet in de spiegel kijken. En dan laat Jezus me schrikken. Het is opvallend dat in deze gelijkenis er iemand voorkomt met een naam. De arme man heet Lazarus. Ga maar na, dat vind je in geen enkele andere gelijkenis die Jezus vertelt. De verloren zoon heeft geen naam. Zijn oudste broer evenmin. De barmhartige Samaritaan niet. Dat is niet voor niets. Het is de bedoeling van een gelijkenis dat je je eigen naam invult. Dat je bij jezelf denkt: daar sta ik. In die persoon herken ik mezelf. Maar in deze gelijkenis is de naam van de arme al ingevuld. Hij heeft al een naam: Lazarus. Er blijft maar één hoofdpersoon over, waar ik mezelf wel in moet herkennen. Als ik eerlijk ben. Als ik eerlijk in de spiegel kijk. Dan zie ik een rijk man. Want we zijn toch rijk? Wij hebben toch een kast vol kleren thuis? Misschien niet allemaal purper en linnen, maar toch goed genoeg om er netjes bij te lopen. We hebben toch meer dan voldoende te eten? We hebben toch genoeg om – misschien niet elke dag, maar dan toch regelmatig - een feestje te vieren? We hebben hopelijk geen zweren of een andere aandoening. We hoeven niet te bedelen. De honden likken mijn wonden niet.

Als we eerlijk in de spiegel kijken, zien we een rijk man of een rijke vrouw. Dat is niet prettig. Het is schokkend. We schrikken ervan. Maar het is gelukkig nog wel op tijd. Het is nog niet te laat om achter onze rug de bedelaar te zien liggen. De vluchteling die bij ons onderdak zoekt. De bijstandsmoeder die naar de voedselbank moet. Of de oude vrouw die de deur niet meer uit kan om boodschappen te doen. De eenzame man die geen kinderen of kleinkinderen heeft om voor hem te zorgen. En als we ze niet zien in ons dorp, zien we ze wel op televisie. De armen. De hongerigen. Als we goed luisteren, horen we hen roepen aan onze poort. Als we goed luisteren naar de woorden van de Bijbel, weten we ook wat ons te doen staat. Niet zeuren over druppels op een gloeiende plaat. Niet mopperen dat mensen het toch vaak aan zichzelf te wijten hebben. Niet roepen dat wie WIL werken ook KAN werken. Ik hoef ook echt niet alle nood van de wereld op mijn schouders te nemen. Ik mag ook best genieten van de genoegens van het leven. Maar de boodschap van Mozes en de profeten, de Bijbel is duidelijk genoeg: ‘Biedt uw naaste de helpende hand’. ‘Is dit niet het vasten dat ik verkies? Je brood delen met de hongerigen, onderdak bieden aan armen zonder huis, iemand kleden die naakt is, je bekommeren om je medemens’.

Vandaag vieren we het heilig Avondmaal. Het is een voorproefje van de hemelse maaltijd. De hemel komt dus vandaag op aarde. En wij mogen komen. De nodiging klinkt: Komt, eet en drinkt. Wij mogen aan tafel met Jezus, met Abraham, met Lazarus. Goed beschouwd heten we allemaal Lazarus. De naam Lazarus betekent: ‘God helpt’. En zo is het. Onze hulp komt van de HEER. Zonder Gods hulp zijn we nergens. GOD deelt met ons Zijn brood. Het Lichaam van Christus wordt voor ons gebroken. Het bloed van Christus werd voor ons vergoten. Wij mogen het ronddelen, ervan drinken. Ze helpt God ons. En als God ons zó helpt, helpen wij elkaar. Dat spreekt vanzelf. Dat ZOU vanzelf moeten spreken. Wij delen óns brood en ónze wijn – onze nooddruft en onze overvloed. We zijn geholpen om anderen te helpen. Zo waarlijk helpe ons God almachtig.