Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

ONBEGRIJPELIJK... MAAR WAAR!
Kerkdienst 12 mei 2019
Lezingen: Jesaja 40:1-8 en 1 Korintiërs 15:35-49
geluidsopname op Kerkomroep

“Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is, wordt met schittering en kracht opgewekt” (1 Korintiërs 15:42-43)

 

Ik begrijp het niet, maar ik snap het wel”. Deze beroemde uitspraak uit de televisieserie ‘Bassie en Adriaan’ schiet mij te binnen bij het lezen van 1 Korintiërs 15. De domme clown Bassie snapt niet altijd wat de intelligente acrobaat Adriaan in zijn schild voert. De ideeën van zijn slimme compagnon gaan hem vaak boven de pet. Toch vertrouwt hij erop, dat Adriaantje’s geniale plannen tot een goed einde zullen leiden. “Ik begrijp het niet, maar ik snap het wel”.

Het onderwerp waar Paulus in 1 Korintiërs 15 over schrijft is een moeilijk onderwerp. Het gaat erover, wat er na de dood met de mens gebeurt. Of beter gezegd: het gaat er in de eerste plaats over wat er met Jezus Christus na Zijn dood is gebeurd. Hij is gestorven, begraven en opgestaan. Daar begint voor Paulus alles mee. Het is Pasen geweest en de HEER is waarlijk opgestaan. Paulus (je kunt het lezen aan het begin van 1 Korintiërs 15) zuigt dat nieuws niet uit zijn eigen duim. Hij heeft het van ooggetuigen. De leerlingen hebben de Opgestane HEER gezien. Petrus, Jacobus, alle leerlingen, zelfs 500 broeders en zusters tegelijk – allemaal zijn ze er met eigen ogen getuige van geweest. De HEER is opgewekt. “En als lest, maar niet best is de levende HEER ook aan mij zelf verschenen. Toen ik op weg was naar Damascus om ook daar de christenen gevangen te nemen. Toen ging de hemel ook voor mij open. Jezus verscheen in verblindend licht. Een stem klonk in mijn oren: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij’.” 

Sindsdien is Saulus Paulus geworden. Eén van vurigste getuigen van Christus. En dan in het bijzonder: getuige van Christus’ opstanding. Jezus leeft! Gedreven door die boodschap trekt hij de wereld rond. Maar Paulus zou Paulus niet zijn, als hij dat evangelie niet direct verbindt met ons leven hier en nu. De HEER is opgestaan – en nu wij nog. Wij kunnen ook opstaan. De HEER leeft – en wie met Hem gestorven en begraven is, mag met Hem opstaan. Wie op Hem vertrouwt en in Zijn Naam gedoopt wordt, mag weten dat het eeuwige leven ook op hem of haar wacht. Jezus leeft – en ik met Hem. Dat geeft hoop. Ja, dat geeft zin aan je leven. Eeuwige zin voor eeuwig leven.

Maar ja – ‘het eeuwige leven’. Wat moet je daar nu over zeggen? Wat moeten we daar nu van denken? Jan Mulder maakte er een televisieprogramma over. Zoektocht in de wetenschap, de kunst, gesprekken met vrienden over ‘het eeuwige leven’. Maar valt er eigenlijk wel wat over te zeggen? Kun je er een voorstelling van maken? Beroemd is de legende uit de middeleeuwen van die twee monniken, die er urenlang over discussiëren, hoe het na de dood zal zijn. Zij spreken met elkaar af: “De eerste van ons die dood gaat, zal verschijnen in een droom aan de ander. Vanuit de hemel moet een kort boodschap doorgegeven worden. Een soort wachtwoord. ‘Taliter’ of ‘Aliter’. ‘Aliter’ als dat bovenaardse leven ‘anders’ is. ‘Anders’ dan hier beneden. Of ‘Taliter’ – dat betekent ‘zo iets als’. Als het leven in de hemel lijkt op het aardse leven.

Zo gezegd zo gedaan. Als de eerste monnik overlijdt, krijgt de ander niet lang daarna een droom. Daarin verschijnt zijn overleden medebroeder. Hij schreeuwt hem van de overzijde tegemoet: ‘Totaliter aliter’. ‘Totaal anders!’.

En dat zal wel zo zijn. Wat er na dit leven is, is zo totaal anders, zo verschillend van alles hier op aarde: je kunt er niets zinnigs over zeggen. Je hoeft er geen domme clown voor te zijn om er niets van te begrijpen. “Ik begrijp het niet’.

Trouwens: je moet maar afwachten of er wel ‘iets is’. In de tegenwoordige tijd is het niet echt populair om te geloven in een leven na dit leven. Volgens het meest recente onderzoek ‘God in Nederland’ is het zelfs onder kerkmensen niet meer vanzelfsprekend om in het bestaan van de hemel, laat staan de hel, te geloven.

Nu moeten we wel even duidelijk zijn: Paulus spreekt niet zo maar over ‘leven na dit leven’ of ‘hemel en hel’. Paulus spreekt over ‘opstanding der doden’. Dus dat wat wij in onze geloofsbelijdenis noemen de ‘wederopstanding des vlezes’ of ‘wederopstanding van het lichaam’. Hij heeft het dus over het moment, dat het Koninkrijk van God zich definitief baan breekt op deze aarde. Hij doelt op de dag dat Jezus Christus wederkomt om alle dingen nieuw te maken. De dag, waarvan het lied zingt, ‘dat de bazuinen klinken, uit de hoogte links en recht, duizend stemmen ons omringen, ja en amen wordt gezegd’. De dag dat ‘de graven openbreken en de mensenstroom vangt aan om de loftrompet te steken en Gods hofstad in te gaan’. Paulus doet er in 1 Korintiërs 15 alles aan om zijn lezers ervan te overtuigen dat díe dag komen zal. En dat is blijkbaar niet zonder reden. Blijkbaar zijn er in de christelijke gemeente van Korinthe mensen die die ‘wederopstanding’ ontkennen. Zij geloven niet dat de doden zullen opstaan. Wat ze dan wél geloven, wordt in de brief niet helemaal duidelijk. Maar misschien denken ze wel, zoals moderne ongelovigen: met de dood is alles uit. De dood is het einde. Het levenseinde. Punt uit. ‘Er is niets na de dood. Dat geloof (of ongeloof zo je wilt) is overigens zo ‘modern’ niet. Jezus treft het bijvoorbeeld al aan bij de Sadduceeën. In het Jodendom. Het Joodse geloof is sowieso meer gericht op het aardse dan op het hemelse leven. Het gaat om het leven hier en nu. Je bent als mens op aarde gezet om de HEER te dienen. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. Dat vraagt de HEER van je. In het Oude Testament wordt soms, maar niet vaak gesproken over wat daarna komt. Als mens ben je sterfelijk. Zoals Jesaja het zegt: ‘De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem. Het gras verdort en de bloem verwelkt, wanneer de adem van de HEER erover blaast’. Het leven kan prachtig zijn. Je kunt bloeien als een prachtig bloemetje. Maar als je het realistisch bekijkt, is het van korte duur. ‘We zien het wel, we zien het wel, we zullen het wel beleven, maar kan het niet een beetje snel, want het leven duurt maar even’.

Die beperktheid van het leven wil Paulus zeker niet ontkennen. Menselijk leven heeft drie kenmerken: vergankelijk, zwak en onaanzienlijk.

Vergankelijk – wie of wat je ook bent. Koning, keizer, admiraal. Van de hoogste president tot de armste vluchteling. Je leven gaat vroeg of laat voorbij.

Zwak – ja, zwak is de mens. Kijk maar eens wat er voor verschrikkelijke dingen gebeuren als de aarde even schudt of als een orkaan over land trekt. Dan ben je als mens minder dan een grassprietje dat vertrapt wordt.

En onaanzienlijk – oneervol is het leven. Het menszijn. Je menselijke waardigheid kun je misschien heel lang hooghouden. Vroeg of laat begint de zogenaamde ‘aftakeling’. Je kunt niet meer, wat je graag wilt. Een ander moet je helpen. Je kunt niet meer voor jezelf zorgen. De ouderdom en zijn gebreken. Je kunt er niet om heen. De mens is vergankelijk, zwak en onaanzienlijk. Het gras verdort. De bloem verwelkt. Maar… het Woord van onze God houdt altijd stand. Eén ding is eeuwig. Dat is Gods Woord. God die spreekt. Ook doet wat Hij belooft. God die trouw blijft tot in eeuwigheid. God die niet loslaat, wat Zijn hand begint. God die dus ook Zijn Schepping trouw blijft. Zijn zwakke, onaanzienlijke, vergankelijke schepping.

Dat geloof gaf troost aan het volk Israël in de ballingschap. Voor Israël was Babel het graf. De ballingschap was de bittere dood. Maar er was terugkeer uit het dodenrijk. Omdat God vasthoudt aan Zijn woord.

En dat is ook precies, wat ons doet geloven in de opstanding der doden. In de opstanding van Jezus hield God Zijn woord. Hij liet niet toe dat Zijn werk – letterlijk - te gronde gaat. De HEER staat op met een nieuw lichaam. In plaats van vergankelijk is het onvergankelijk. In plaats van zwak is het vol kracht. In plaats van onaanzienlijk is het verheerlijkt. De dood heeft er geen vat meer op. Het straalt van vreugde. Het is niet meer stuk te krijgen. De HEER is opgestaan en dus jaagt de dood ook ons geen angst meer aan.

Want dan komt het. Dat wat voor ons zo onbegrijpelijk is: wat voor de opgestane HEER geldt, is ook weggelegd voor Zijn volgelingen. Wie met de Levende verbonden is, mag met Hem opstaan tot nieuw leven. Eens als de bazuinen klinken, maar eigenlijk nú al. Als Gods Geest in jou woont, baant het leven zich een weg. Het verandert je leven. Het transformeert. Gods liefde vult je bestaan. Niet alleen je geest maar ook je lichaam is vervuld van Zijn liefde. Dat kan niet meer stuk, want de liefde zal eeuwig bestaan. Door de dood heen wordt mijn leven veranderd. Je lichaam gaat door de nederlaag naar de overwinning. Het wordt onvergankelijk. Schitterend. Krachtig. Niet meer kapot te krijgen.

Dat evangelie is inderdaad onbegrijpelijk. Ik kan er met mijn pet niet bij. Jij hoogstwaarschijnlijk ook niet. Maar zo gek is dat niet. Er zijn veel meer dingen die wij niet kunnen begrijpen. Kijk maar rond in de natuur. Zeker in het voorjaar, als alles weer ontluikt. Hoe bestaat het! Het is vol wonderen om je heen. Ook dat is niet te vatten voor ons kleine mensenverstand. Paulus gebruikt het beeld van de graankorrel. Hoe bestaat het dat uit zo’n klein korreltje na verloop van tijd een korenaar ontspruit? Het wonder, dat ‘niemand weet wat leven is. Alleen dat het gegeven is en dat van dit geheimenis. God het begin en einde is’.

Je kunt het niet begrijpen. ‘Ik begrijp het niet…’ Maar als je het gelooft, mag je het snappen. ‘Ik snap het wel’. Je kunt erop vertrouwen. Je mag eruit leven. Je leven aan Hem overgeven. En als het einde komt, mag je gezaaid worden op de dodenakker. Als een graankorrel in de aarde gelegd. Als zaad dat gezaaid wordt voor de grote oogst.