Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

OM HET HOEKJE KIJKEN

Kerkdienst 20 november 2022 - De Regenboog Nijverdal
Laatste zondag van het kerkelijk jaar - gedachtenis van overledenen

Schriftlezingen: Psalm 23 en Openbaring 7:9-17


“Hierna zag ik dit: een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam” (Openbaring 7:9)

 

“Ik zou zo graag eens om een hoekje willen kijken
en zien hoe het in de hemel is,
waar ze mij altijd van vertellen:
“Daar is geen leed en droefenis”.

 

Dit bekend gedichtje brengt het menselijk verlangen onder woorden. Het diep menselijk verlangen om achter de schermen te kijken. Ons verlangen, mijn verlangen om eens ‘om een hoekje te kijken’. Even zien, wat er zich in de hemel afspeelt. “Ik zou zo graag eens om een hoekje willen kijken”.

In het laatste Bijbelboek, de Openbaring, krijgt Johannes de gelegenheid om dat hoekje te kijken. Deze apostel van Jezus wordt het gegeven om die blik achter de schermen te werpen. Als het gebeurt, is Johannes een verschoppeling van de Romeinen. Hij is een vervolgde om Christus’ wil. Zoals vele vervolgde christenen de eeuwen door – tot op de dag van vandaag en bijna wereldwijd. Men zegt, dat er nog nooit zoveel christenen vervolgd worden als tegenwoordig.

Johannes is verbannen naar het eiland Patmos. Hij leeft als gevangene ver van zijn geliefden. Ver van familie, vrienden en geloofsgenoten. Over hen maakt Johannes zich ernstig zorgen. Hoe zal het met hen gaan in de verdrukking? Hoe zullen zij weerstand bieden tegen verleiding? Hoe zullen zij standvastig blijven tijdens vervolging? Zullen zij staande blijven in hun geloof als het zo wordt aangevochten? Zullen zij door de verschrikkingen heen komen?

Deze bange gedachten spoken door zijn achterhoofd als voor zijn ogen plotseling de poort wijd open gaat. God Zelf laat hem zien, wat het gewone oog niet zien kan. Johannes ziet, wat wij zo graag zouden willen zien. Hij mag om het hoekje kijken en – God dank!: Hij brengt het voor ons onder woorden. Hij tekent het in beelden, die voor je ogen gaan leven. Dus kunnen ook wij vandaag een glimp opvangen. De hemelpoort mag ook voor ons even een klein kiertje open. Ook wij kunnen – over de schouders van Johannes - even om het hoekje kijken. Een straaltje hemels licht op ons netvlies opvangen. Zodat we met hoop en nieuwe moed verder kunnen.

Ik zie, ik zie, wat Johannes ziet. Kijk, de hemel gaat open. We kijken regelrecht in het goddelijk paleis. We zien een troon. Iemand zit op die troon. Hij, die alle macht heeft. De hemelse Koning. We zien vier wezens rondom de troon. Vier dieren uit de vier windrichtingen van onze aarde. Oost, west, noord, zuid… We zien ook vierentwintig oudsten – 2 keer 12. Dubbel het getal van Gods volk. En boven en onder staan engelen rondom de troon. Maar dat is zeker niet alles! Wat ons het meest opvalt, is de onafzienbare mensenmenigte. Alle mensen, wat een mensen! Mensen, mensen en nog eens mensen! Niet te tellen zoveel mensen. Hun witte kleren verhullen de huidskleuren niet. Zo te zien komen ze uit alle mogelijke volken en rassen. Ik zie blank en zwart, bruin, geel en rood. Samen vieren ze het feest van de overwinning. Ik zie palmtakken in de handen. Zoals de zegevierende generaal van het Romeinse legioen met een palmtak in de hand zijn intocht houdt. Zoals de atleet, die zo juist de Olympische marathon gewonnen heeft. Hij krijgt een palmtak in de hand gedrukt. ‘Jij bent de winnaar!’ Maar kijk, ze hebben allemaal een palmtak in hun handen. Het zijn geen van allen ‘loosers’. Het zijn allemaal ‘champions’. Vrouwen en mannen. Jongens en meisjes. Ik zie oud, stokoud en jong, piepjong. En ik zie… ja, zie ik het goed? Zie ik daar die éne, die ik zoek? Zie ik daar die ene, die ik juist zo mis? Staat daar ook hij of zij die ik vandaag in dankbaarheid gedenk?

Want, ja, eerlijk gezegd wil ik juist daarom zo graag even om het hoekje kijken… Dít is mijn diepste verlangen. Daarvoor zou ik – zoals Ida Gerhardt het dicht – wel

 

‘Zeven maal om de aarde willen gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zeven maal, om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde te gaan.

 

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan
zeven maal, om met zijn tweeën te staan’.

 

Samen daar te staan – dat zou mooi zijn. Maar eerst maar eens om het hoekje kijken om te zien. Zien om te weten, zeker te weten, wat ik geloof… Zo maar EVEN die ene te zien… Even te zien, dat het goed met haar is. Even zeker te weten, dat ik me over hem absoluut geen zorgen meer hoef te maken. Dat hij, dat zij daar boven in de hemel veilig is in Jezus’ armen…

Wat zeg ik? In Jezus’ armen? ZO hulpeloos zijn die mensen daar in de hemelse troonzaal er niet aan toe. Ze zijn niet moe of uitgeput. Ze liggen niet vermoeid op de grond. Zitten zelfs niet eeuwig uit te rusten. Niet meer. Ze STAAN! Opgestaan, opgewekt staan ze erbij. Met nieuwe, witte kleren. Op zijn Paasbest. Wat heerlijk om te zien, want ze waren toch zo uitgeput en afgemat, toen ze van ons heengingen… Neergeslagen. Neergeveld. Of moegestreden ingeslapen. Goed om te zien: ze zijn weer gaan staan. Opgestaan. Ze zijn er dus door gekomen. Ze hebben het gered. De dood heeft hen niet klein gekregen.

Toen Johannes in de hemelse troonzaal die grote ontelbare menigte zag staan, kon hij zijn ogen bijna niet geloven. Hij ziet ook zijn geliefden. Ook zijn dierbaren. Hij ziet zijn broeders en zusters. Allen, die leefden en stierven in de HEER. Allen, die met groot of klein geloof die laatste enge poort zijn doorgegaan. Door de doodsrivier op weg naar het beloofde land. Allen, die ons zijn voorgegaan. Alle mensen van voorbij… Ze hebben het gered. Niet door hun eigen kracht. Ze moesten het uiteindelijk allemaal afleggen tegen hun ziekte, hun ouderdom, het fatale ongeluk, dat hen trof. Maar het is God, die hen op deed staan. Ze staan er weer. Ze staan bij Gods troon met witte kleren. Feestkleren. Doopkleren. Kleren van het nieuwe leven.

Nu gaat de hemel weer dicht. We mochten even om een hoekje kijken. Heel even zagen we hen staan. Is het voor ons voldoende om vol te houden? Hoe komen wij erdoor – door de verschrikkingen van ons leven – zo eenzaam, zo stil, zo leeg? Daarboven, tussen al die ontelbare mensen en engelen, zagen wij ook het Lam staan. Het Lam, dat zijn leven voor ons heeft gegeven. Het Lam dat tegelijk onze Herder is. De goede Herder zal ons leiden. Heel mijn leven zal Hij mij leiden naar grazige weiden en groene streken. Tot eenmaal ook voor mij de hemel opengaat. Dan is er nooit meer, dat is er niets dat mij ontbreekt.