Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Niet terug naar normaal

Preek voor Paasmorgen
4 april 2021 

Tekst: ‘Houd me niet vast’, zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders en zusters en zeg tegen hen, dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is’ 
(Johannes 20:17)

 


Midden in de stad Jeruzalem ligt een prachtige tuin. De tuin wordt de graftuin genoemd. Ik ben er vaak geweest. Ik ga er als het even kan graag heen als ik in Jeruzalem op bezoek ben. De tuin is een onverwacht rustig plekje in het Arabische deel van deze hyper drukke stad. Je loopt op zekere dag door de stinkende straten. Schreeuwende kooplieden klampen je aan. Winkelende vrouwen met jengelende kinderen vliegen langs je heen. Toeterende auto’s en ronkende autobussen maken oorverdovend lawaai. Groepen pelgrims en toeristen zoeken voorzichtig hun weg. Ik sla een nauw straatje in – het wordt wat rustiger. Even later sta ik voor de groen geschilderde poort van de ommuurde tuin. Even voelen… ja, de deur gaat open. Binnen word ik opgewacht door vriendelijke, Engels sprekende vrijwilligers. Ze laten mij en andere bezoekers graag iets van deze tuin zien. Er groeien weelderige bomen en struiken. Er bloeien prachtige bloemen. Het is er – vreemd genoeg – heerlijk rustig. Ik hoor de vogels fluiten. Maar de mooiste bezienswaardigheid in deze hof is de zogenaamde ‘garden tomb’, het tuingraf. Een grafkamer, die in een rotswand is uitgehouwen. Je kunt er binnengaan en de plek zien waar de dode, in doeken gewikkeld, werd neergelegd. Het graf is om en nabij 2000 jaar oud. Het stamt uit de eerste eeuw, de tijd van Jezus dus. Een enthousiaste gids beweert dat het écht het graf van Jozef van Arimatea is geweest. Dan zou de beroemde kerk van het Heilige Graf, die vanouds wordt aangewezen als dé plaats waar Jezus werd begraven, op de verkeerde plek staan. 

 

Waar werd Jezus precies begraven? Ik vind dat een interessante vraag, maar meer ook niet. Belangrijker vind ik dat ik nu een prachtig beeld voor mijn ogen heb als ik het Paasevangelie lees. Dan zie ik het in mijn fantasie zich afspelen in die graftuin. Langzaam wordt het licht op die eerste dag van de week. De eerste zonnestralen verwarmen de boomtoppen in de tuin. De vogels ontwaken en zingen hun mooiste lied: het prille morgengezang. Ik nader het graf. Ik zie dat de grote steen voor de ingang is weggerold. Het graf is open. Dan zie ik een vrouw die met gebogen hoofd het graf uit komt lopen. Ze is duidelijk terneergeslagen. Ze lijkt verdrietig, wanhopig zelfs. In de stilte van de tuin hoor ik haar – van verre - snikken. Maar kijk: er loopt iemand naar haar toe. Ze kijkt op, ze kijkt om. Ik hoor haar naam uit de mond van de vreemdeling: ‘Maria’, klinkt het. Ze kijkt op, ze kijkt om. Ze dacht dat het de tuinman was, maar nee. Ze knielt en grijpt de man bij de voeten: ‘Rabboeni’, roept ze uit. Maar Jezus, want Hij is het, Jezus weert haar af en zegt: ’Houd mij niet vast…’ Waarom? Waarom is Jezus niet gediend van deze lichamelijke aanraking? Waarom vraagt Hij Maria los te laten en Hem te laten gaan?
Deze Maria is één van de vele Maria’s die in de Bijbel voorkomen. Zij komt uit het plaatsje Magdala, dat aan de oever van het meer van Galilea ligt. Daarom noemen we haar ‘Maria Magdalena’. Als je iets weet van haar levensverhaal, zou je weten waarom ze zo bedroefd is. Waarom ze zo hartstochtelijk reageert, als Jezus haar bij haar naam noemt. Maria, zou je kunnen zeggen, Maria wil terug. Maria wil, wat wij ook willen: terug naar normaal.

Terug naar normaal: dat klinkt ons bekend in de oren tijdens deze Coronacrisis. ‘Normaal’ is de toestand vóórdat de Coronapandemie ons land bereikte, ruim een jaar geleden. Toen we elkaar nog normaal een hand konden geven. Toen we nog normaal bij elkaar op bezoek konden gaan. Toen we nog normaal met iedereen die ons lief is konden knuffelen, als we wilden. Toen de abnormale anderhalvemetersamenleving nog niet bestond, was alles nog normaal. 
Ook Maria hunkert naar normaal contact. Lichamelijk contact. Daar hoef je verder niets intiems achter te zoeken. Latere stemmen en hedendaagse romanschrijvers beweren dat Maria Magdalena de geliefde van Jezus zou zijn geweest. Dat Jezus misschien zelfs wel heimelijk met haar getrouwd was. In het evangelie is dat absoluut niet te vinden. Als Maria Jezus na de opstanding ziet, denkt ze eerst dat Hij de tuinman is. Vervolgens noemt ze Hem ‘rabboeni’, haar ‘rabbi’, haar ‘meester’. Bij Matteüs lezen we dat ze – samen met andere vrouwen - voor Jezus neerknielt en Jezus bij de voeten grijpt. Teken van hartstochtelijke blijdschap, maar ook teken van eerbiedige bescheidenheid. ‘Aan uw voeten, Heer, is de hoogste plaats’.
Toch keurt Jezus het niet goed wat zij doet. ‘Houd me niet vast’, ‘laat me los’. Want Maria wil terug naar normaal. 

Wanneer Maria terugdenkt aan dat oude normaal, denkt ze vast en zeker aan de dag dat ze Jezus voor het eerst ontmoette. Tot dat  moment was haar leven een nachtmerrie. Een hel, kun je wel zeggen. Maria was er geestelijk uitermate slecht aan toe. Ze was kort gezegd een psychisch wrak, een hopeloos geval. In de taal van die tijd: ze was bezeten. Door zeven demonen, zeven duivelen. ‘Zeven’ is het getal van de volheid, de totaliteit. Totaal verloren was Maria. Ze was zichzelf niet meer. Maar de ontmoeting met Jezus heeft haar weer tot mens gemaakt. Tot een ‘normaal’ mens. Geen geval, geen speelbal van de duivel, maar een vrouw met een naam, haar ooit bij de geboorte gegeven. Vader en moeder noemden haar Maria. Nu noemt Jezus haar bij haar naam. Ze is weer wie ze wezen moet. 
Voortaan blijft ze bij Jezus. Omdat ze blijkbaar nogal vermogend is, kan ze Jezus en zijn leerlingen in hun onderhoud voorzien. Samen met andere vrouwen trekken ze rond. Als vrouwelijke discipelen, vrouwen in het ambt, met Jezus, hun Rabbi. Zo trekken ze ook op naar Jeruzalem, waar alles wat ‘normaal’ was geworden in de diepe crisis komt. Tot we op Golgota ook Maria Magdalena zien staan. Ze moet machteloos toekijken hoe alles in duigen valt. Maar nu, nu Jezus voor haar staat in levenden lijve denkt ze niet voor niets dat Hij de tuinman is. In zo’n prachtige tuin, bij zo’n uitbundig bloeiend kerkhof, hoort een opzichter. Iemand voor het onderhoud. Iemand die zorgt dat alles netjes blijft. Zeg maar: ‘normaal’. Als ze hoort dat die tuinman haar naam kent, schieten haar woorden te binnen. ‘Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent van Mij’. Of: ‘HEER, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken, kent Gij mij’. Daarom grijpt ze zijn voeten en daarmee haar kans. Terug naar hoe het was. Met ‘haar’ rabbi, heel dichtbij. Aan Zijn voeten, de mooiste plaats. Terug naar die dagen dat ze dacht dat de wereld een paradijstuin was geworden, een hof van Eden. Terug naar normaal.
Maar nee… Dat is Pasen niet.

Hopelijk kennen wij – net als Maria - ook van die paradijselijke momenten uit ons leven. Momenten dat we dachten, geloofden, ja voelden dat God, dat Jezus heel dichtbij was. Dat je Hem bij wijze van spreken aan kon raken. Even uit de drukte van alle dag gekomen en in die prachtige tuin beland. Het was alsof Jezus weer uit zijn graf was opgestaan. Daar hoorde je jouw naam als uit Zijn mond. Dolgraag wil je dat vastgrijpen, vasthouden, nooit meer loslaten. Je wilt terug naar toen alles nog zo normaal was. 
Maar nee, dat is Pasen niet. Na Zijn dood en opstanding is met Jezus juist alles anders geworden. Jezus is niet ‘weer terug’. Hij moet juist verder. Hij moet omhoog naar Zijn Vader. En wij blijven achter. Vastpakken kan niet. Loslaten is geboden. Zien wordt geloven. Stil staan wordt verder gaan. Als apostelen, als engelen met een boodschap, op weg. ‘Houd mij niet vast, maar ga heen’, zegt Jezus. ‘Ga naar mijn broeders en zusters’. Je hebt niet Mij, maar je hebt een taak in handen. Je hebt broeders en zusters. Jullie zijn MIJN broeders en zusters. Eén is onze Vader. Eén is onze God. 
Op een bordje bij dat graf in die mooie graftuin staat: ‘He is not here. He is risen’. Jezus bleef niet hier. Hij steeg op naar zijn Vader. Naar ’s Vaders huis. Pasen is dus niet terug naar normaal, maar juist vooruit naar abnormaal. Want het leven is niet een mooie tuin met een open graf. Op aardse kerkhoven blijven de graven voorlopig gesloten. De weg terug loopt dood. Pasen is de weg vooruit. De weg naar Boven. Daar mag je in geloven en op hopen. Met dat geloof kom je vroeg of laat veilig in Gods paradijselijke tuin. Dan is niets meer normaal.