Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Niemand weet wat leven is

Kerkdienst op de Laatste Zondag van het Kerkelijk Jaar
26 november 2017
Schriftlezing: Prediker 11:9 - 12:7 en 2 Korintiërs 5:1-4

geluidsopname

“Dan gaat je levensadem terug naar God die je het leven heeft gegeven” (Prediker 12:7b)

Niemand weet, wat leven is. Niemand weet, wat sterven is. Het leven is een geheim. De dood is een mysterie. Niemand weet. Dus dat geldt voor iedereen. Of je gelovig of ongelovig bent. Je zou misschien kunnen denken, dat leven en sterven voor gelovigen geen geheim zijn. Zo is het helaas wel vaak overgekomen. Gelovigen als betweters, die wel even konden vertellen hoe het zit. Met het hiernamaals, de hemel, de hel. Er zijn vele dikke boeken over volgeschreven. Maar als puntje bij paaltje komt, moet iedere gelovige toegeven: “Ik weet niet hoe het echt zit. Het geheim van het leven gaat mijn petje te boven. Ik kan er niet bij. Mijn verstand staat stil”.

Ook zij die niet geloven moeten toegeven, dat leven en dood geheimen zijn die je niet kunt doorgronden. Ook als je gelooft dat er miljoenen jaren geleden een ‘big bang’ was, waarmee alles begon. Want hoe kon die oerknal er in hemelsnaam voor zorgen, dat WIJ hier nu zitten? Hoe kon uit dode stof het leven ontstaan? Hoe lang je ook roert in de oersoep, je krijgt dat niet voor elkaar. En: wat gebeurt er als het leven nu nog steeds opnieuw ontstaat? In een baarmoeder of zelfs in een reageerbuis? Wat gebeurt er als een kind ter wereld komt, als de navelstreng wordt doorgeknipt, als de eerste schreeuw je oren raakt? Hoe gelovig of ongelovig je ook bent – je staat met je mond vol tanden. Je staat erbij, je kijkt ernaar en kan alleen maar zeggen: dit is een wonder boven wonder. Leven is een wonder.

En wat gebeurt er, als iemand sterft? In het hoofdstuk uit de Bijbel, uit het boek Prediker hebben we gelezen hoe dat kan gaan. Dat kan op twee manieren. De eerste is de geleidelijke weg via de ouderdom. De langzaam maar zekere aftakeling van het bestaan. Je handen gaan trillen. Je benen gaan krom staan. Je ogen en je oren gaan achteruit. Je stem gaat piepen. Je haren worden grijs of vallen zelfs helemaal uit. En tenslotte ga je dood. Dan wordt er om je gehuild in de straten. Geen verhaaltje om vrolijk van te worden. Gelukkig valt er nog wel wat tegenin te brengen. Want oud worden heeft ook heel mooie kanten. Ook in de herfst van je leven kun je nog prachtige dingen beleven. Genieten van je kinderen, je kleinkinderen. Genieten van elkaar. Ook als je oud bent. Daar hoef je geen Benidorm Bastard voor te zijn. Of even ondernemend als Hendrik Groen. Oud zijn is gelukkig niet altijd zo rampzalig als de Bijbelse Prediker het omschrijft. Dan kun je er dus ook best vrede mee hebben, als het einde komt. Na een lang en gelukkig leven neem je voldaan afscheid. Je hebt een mooi leven gehad.

Maar heel anders is het als het einde van het leven plotseling komt. Ook dat beschrijft de Prediker als tweede manier. Hij gebruikt het beeld van een prachtige gouden lamp, die met een zilveren koord aan het plafond hangt. Zo is het leven. Kostbaar maar kwetsbaar. Maar het zilveren koord breekt en de gouden lamp valt aan diggelen. Of vergelijk het met een mooie kruik waarmee je water kunt putten. De kruik valt hard op de grond aan gruzelementen. Het licht dooft. Het water is op. Levenslicht dooft. Levend water raakt op. Beelden van de dood, die je overvallen kan. Plotseling en onverbiddelijk. Onbegrijpelijk ook. Het leven komt als een mooi wonder. Het gaat weer bij ons vandaan als een duister mysterie.

Hoe het echt zit? Niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is. Die paar woorden voegt een gelovige eraan toe. Het leven is gegeven. Het is een geschenk. God, de Schepper, heeft het leven gegeven. Daarmee zeg je niet dat je het lekker wél weet. Daarmee breng je het geheim alleen nog wat beter onder woorden. Je gelooft dat alles wat is, wat bestaat, geen toeval is. Dat alles wat leeft een oorsprong heeft. Vooral ook: dat al WIE leeft zijn leven aan God te danken heeft. Ons leven heeft een begin. Iemand staat aan je wieg, ja aan jouw prille begin. Iemand die wil dat jij er bent. Je bent dus nooit ongewild of ongewenst. Nooit een ‘ongelukje’. Je bent als levend mens hartelijk welkom op aarde. Je roept het uit: ‘Hallo wereld, ik mag er zijn! Ook ik heb het leven gekregen. Ik mag ervan genieten. Zolang dat mij gegeven is’. Ja, genieten. Het klinkt misschien wat onverwacht, maar dat staat ook in die Bijbel. Geniet van het leven zolang je nog jong bent. En je bent zo jong als je je voelt. Geniet! Als een gebod. Ooit wel eens genoemd: het elfde gebod. ‘Je bent op deze wereld voor mekaar, voor mekaar om elkaar te helpen, niet waar?’ Dat is één. Daar hebben we tien geboden voor – God liefhebben en onze medemens als onszelf. Maar het elfde gebod is: Je bent op deze wereld om te genieten. Genieten van alles wat God gemaakt heeft… Mooie muziek. Prachtige natuur. Een goed glas wijn. Een spannende wedstrijd…. Geniet van het leven, want het duurt maar even. Je bent jong en je wilt wat. Try before you die. Zet de bloemetjes buiten. Ja, dat staat in de Bijbel. En natuurlijk – ik zeg het maar even voor de zekerheid bij – eindigt jouw genot waar de pijn voor de ander zou kunnen beginnen. Natuurlijk zijn er grenzen. Want er is er één die jou beoordeelt. Hij zal jou eenmaal ter verantwoording roepen. Eenmaal moet je op het matje komen. Maar dan zal die hemelse HEER niet alleen aan je vragen wat jij betekent hebt voor een ander. Hij zal ook aan je vragen: ‘Zeg, heb je wel goed rond gekeken op mijn aarde? Heb jij je oren en je ogen wel goed de kost gegeven? Heb je wel gezien hoe mooi Ik alles gemaakt heb? Heb je wel… genoten?’.

Niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is en dat van dat geheimenis God het begin en einde is.

Het einde komt. Onherroepelijk. Hopelijk geleidelijk en langzaam na vele goede jaren, op hoge leeftijd. Misschien plotseling en veel te jong, veel te vroeg.

En wat dan? Wat komt er daarna? Dat is ook een mysterie. De dood is een groot geheim. Dat geldt ook weer voor gelovigen én ongelovigen. Want je kunt je toch niet zo maar neerleggen bij het kille feit van ‘dood is dood’? Daar kun je toch niet mee leven? Je wilt toch graag dat er iets van blijft bestaan? Het leven is toch te kostbaar om te eindigen in het niets? Dat vroeg of laat gestorven leven kan toch niet zomaar de mist in gaan? Op zijn minst is er de mooie herinnering. Maar beter nog: de warmte van de liefde die nooit vergaat.

Prediker is een nuchter mens. Als je sterft, keert je lichaam terug naar waaruit je gemaakt bent. Aarde tot aarde. As tot as. Stof tot stof. Mooier kunnen we het niet maken. Maar zelfs de nuchtere Prediker gelooft in ietsje meer dan dat. Er is iets dat blijft. Omdat dat Iets van Iemand komt. De geest, de levensadem, je laatste snik is je van God gegeven. Dus dat verdwijnt niet. Dat keert terug. Terug naar de Vader. Terug naar huis. Een eeuwig huis, niet met mensenhanden gemaakt. Daar mag je wonen. Daar mogen we heengaan. Jezus heeft de weg daarheen gebaand. Met Zijn dood. Zijn lichaam en bloed heeft Hij gegeven. Niemand weet wat leven is, alleen dat het gegeven is. Een geschenk. Brood en wijn om van te leven. Terugkeer naar de Levensbron. Je doel bereikt. Voltooid leven. Onbegrijpelijk wonder.