Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

'Naam boven naam'

Kerkdienst op 20 december 2020 

Schriftlezingen: Psalm 103:8-18 en Lucas 1:57-67


Eén van de eerste dingen, die een man doet, als hij vader is geworden, is: naar het gemeentehuis gaan. Hij gaat het pasgeboren kind laten inschrijven bij de burgerlijke stand. Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren, dat ik dat voor het eerst deed. Nu al bijna vijfendertig jaar geleden. In de walm van de roze wolk, vermoeid door de spannende gebeurtenissen van de afgelopen dag, maar dolgelukkig en apetrots stapte ik het Amersfoortse stadhuis binnen. ‘Hoe wilt u uw dochter noemen, meneer van Dalen?’, vroeg de ambtenaar. Natuurlijk had ik mijn antwoord klaar! De naam van het kind heb je al een tijdje in je hoofd zitten. Je hebt een maand of negen de tijd gekregen om een naam te bedenken. Het is wikken en wegen, maar uiteindelijk heb je een naam paraat, als je voor de ambtenaar staat…

In de tijd van Zacharias en Elisabeth hoefde je niet naar de burgerlijke stand. Je naam wordt bij de besnijdenis bekend gemaakt aan buren en familie. Dat is veel meer dan zakelijke administratie. Bij de besnijdenis word je als Joods kind opgenomen in het volk van God, Israël. Ook jij bent een kind van Abraham en Sara. Ook jij hoort bij het verbond met Abraham. Jouw naam wordt dus geschreven op Gods boekrol en in de palm van Zijn hand gegrift.

Ook in die dagen was het de vader, die ‘aangifte’ van geboorte deed. Niet om praktische redenen, maar de vader was hoofd van het gezin. De vader had over zijn kind de eerste zeggenschap. Dus vader noemt of – letterlijk gezegd – ROEPT UIT de naam van het kind. Maar welke naam?

Er zijn verschillende methodes om een naam te kiezen. Het makkelijkst zou zijn: een namenboekje lenen bij de bibliotheek, willekeurig een bladzijde openslaan en blindelings je vinger ergens bij leggen… Maar zó gaat dat natuurlijk niet! Een naam is niet zó maar iets. Een naam moet passen. Een naam moet – als het even kan – een leven lang met je mee! Je zit er aan vast! Hij hoort bij jou. Als iemand anders JOUW naam hoort, dan roept dat een bepaald beeld op… ‘Wie zeg je…..? O, die!’. Zo HEB je niet alleen een naam. Zo KRIJG je een naam. Zo MAAK je naam. Je naam is verbonden met JOUW persoon. Om het met een kinderliedje van Hanna Lam te zeggen: ‘Je hebt een naam, jij hebt een naam, daar kom je zelf in voor, een naam die met jou mee zal gaan, je hele leven door. Je hebt een naam met een verhaal dat uitgeschreven wordt al gaandeweg in mensentaal dichtbij de naam van God’. Dat geldt bij óns, maar het is helemaal zo in de wereld van het oude Israël. Je naam: Dat ben je zelf. Je BENT je naam. Dus moet zo’n naam zorgvuldig gekozen worden.

‘En – meneer Zacharias - hoe wilt u uw zoon noemen?’

Nou nee: het gaat dus zo even niet bij de besnijdenis van het kind van Zacharias en Elisabeth. Zacharias is namelijk stom. Hij kan niet spreken. Een tijd geleden is hij sprakeloos teruggekeerd van zijn werk als priester in Jeruzalem. Hij heeft daar wat meegemaakt in de tempel. Wat precies? Dat weten de buitenstaanders niet, want Zacharias kan het niet vertellen. Even papier en pen pakken om het snel op te schrijven was er toen niet bij. Papyrus of perkament om op te schrijven was te kostbaar voor huis- , tuin- en keukengebruik. Het enige hulpmiddel was een houten plankje, dat met was werd ingesmeerd: een schrijftablet. In die was kon je een paar woorden krassen. Als je al kon lezen en schrijven. Daarom is alleen moeder Elisabeth precies op de hoogte. Zacharias heeft het haar duidelijk kunnen maken in de afgelopen negen maanden. ‘Maar wat zegt ze nu toch? Ze spreekt over een engel, die Zacharias gezien zou hebben? Dat zal ze wel niet goed begrepen hebben. Of is er bij Zacharias soms een steekje los geraakt? Hij kan niet meer uit zijn woorden komen. We zouden tegenwoordig denken: hij heeft een hersenbloeding gehad, waardoor zijn spraakvermogen is aangetast. Hij heeft afasie. Een lastige lichamelijke beperking. Zacharias is lichamelijk gehandicapt. En hoe gaat dat dan? Dat weten we zelf wel! Mensen, die zelf een lichamelijke beperking hebben, weten dat als de beste. Dan gaat ‘men’ ervan uit, dat er vast nog wel méér aan je mankeert. Dan krijg je direct het stempel ‘wilsonbekwaam’ of ‘handelingsonbekwaam’ opgedrukt. Dan neemt men je niet meer serieus. Je zit in een rolstoel en men vraagt aan degene, die jou duwt: ‘Hoe gaat het met haar?’ Iets dergelijks gebeurt er ook met Zacharias. Hij is stom – hij kan niet spreken. Maar de buren en verwanten doen alsof hij óók niet kan horen… Erger nog: ze doen alsof Zacharias zélf geen beslissing meer kan nemen. Ze doen alsof hij er niet meer is. Ze nemen het heft in handen. De naam van het kind – die zullen ZIJ wel eens even noemen. ‘Ze wilden het kind Zacharias noemen’…

Waarom ‘Zacharias’? Nou, dat ligt voor de hand. De oude vertrouwde beproefde methode: je kind vernoemen. Hij heet naar zijn vader. Bij ons is dat zeker een goede gewoonte. Ik ben zelf vernoemd naar mijn jong gestorven oom Hannes. Mijn vrouw is ook vernoemd. Wij hebben onze dochters vernoemd. En misschien jij of u ook wel: Grootvader heet Dirk, zoon heet Dirk, kleinzoon heet Dirk-Jan… Dat is mooi. Je ziet de familielijn doorgaan. In Bijbelse tijden kwam het óók voor. Maar, misschien verrassend, het kwam niet véél voor. Abraham noemt zijn zoon geen Abraham. Mozes benoemt geen Mozes ‘junior’. En David kreeg geen ‘klein Davidje’ op schoot. Vernoemen was helemaal geen gebruikelijke methode. Het kwam voor, maar niet vaak. Bovendien was het een methode, die vóór- en tegenstanders had. Een Joodse rabbijn zei eens: ‘Je kind vernoemen? Dat begonnen de mensen pas te doen toen de laatste profeet was gestorven! Dus toen de Geest van God zweeg’. Je kind de naam geven van zijn vader of grootvader is dus een ‘geestloze bezigheid’, volgens deze rabbijn. Nou, dát is wel een héél hard oordeel over iedereen, die zijn kind vernoemt. Een keihard oordeel over de buren en familie van Zacharias. ‘Zij wilden het kind Zacharias noemen’.

Dat was natuurlijk héél goed bedoeld. Betuttelend, maar goed bedoeld.  Ze zullen gezegd hebben: ‘Zacharias is een oude man. Hij heeft zijn leven achter zich. Hij staat toch eigenlijk al met één been in het graf…’ Nou ja, dat zeggen ze natuurlijk niet, maar dat denken ze. ‘En kijk nu toch eens, wat mooi! Een pasgeboren kind in die oude armen. Dat kind, dat ze nooit meer verwacht en toch gekregen hebben! Dat kind moet natúúrlijk zijn naam dragen! Want in je kinderen leef je voort. Zacharias gaat dood? Leve Zacharias junior!’

‘Hoe wilt u uw zoon noemen, meneer Zacharias?’. Uiteindelijk komen de buren en verwanten tóch bij het juiste adres terecht. Omdat moeder Elisabeth begint tegen te sputteren. Ze vragen het de enige echte vader: Zacharias.

Zacharias pakt het schrijftafeltje en krast een paar Hebreeuwse woorden in de was: Jochanan sjemoo’. ‘Zijn naam is… Jan!’

Ja, Jan. Of Johan. Hannes. Johanna. Han. Joke. Hannah… Anna, Ans, Hans! Noem ze allemaal maar op – de vele, vele jongens en meisjesnamen die bij ons van de naam ‘Johannes’ zijn afgeleid. Allemaal van Johannes afgeleide namen die bij ons veel voorkomen. Toen, in die tijd was de naam Johannes ook geen zeldzame naam. Het was een naam die heel veel voorkwam in heel veel verschillende varianten: Jochanan, Jehochanan, Channa, Channanja. Het klonk gewoon als ‘Jan’. En als u of jij een naam draagt, die van Johannes is afgeleid, dan mag ik je daarmee van harte feliciteren! Ik wil mezelf feliciteren met MIJN eigen naam. Ik wil mijn ouders bedanken, dat ze mij bij de doop de naam Johannes hebben meegegeven. Het is namelijk één van de mooiste namen die er bestaan! Ik durf zelfs te beweren: het is de op één na mooiste naam, die je aan je kind kunt geven. Die naam betekent namelijk: De HERE is genadig. ‘Jo’ – staat voor de onuitsprekelijke Godsnaam. JHWH, de HERE. De naam die aan Mozes bekend werd gemaakt bij de brandende braamstruik. ‘Ik ben die ik ben’ – ‘IK zal er zijn voor jou’. En ‘Hannes’ komt van het Hebreeuwse werkwoord ‘Channan’. Een werkwoord, dat letterlijk ‘je over iemand heen buigen’ wil zeggen. Het tekent de beweging van hoog naar laag. Van boven naar beneden. Zoals een koning van zijn hoge troont neerdaalt om onder zijn onderdanen te zijn. Zoals een heer zich niet te goed voelt om zelf bij zijn slaven aan de keukentafel te zitten. Zoals een vader zich buigt over zijn kleine kind, dat op de grond gevallen is. Zo verlaat God zijn hoge troon om heel dichtbij Zijn schepselen te zijn. De naam ‘Johannes’ is Psalm 103 in één woord samengevat. ‘Barmhartig en genadig is de HEER. Zoals de hoge hemel de aarde overspant, zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen. Zo liefdevol als een vader is voor zijn kinderen, zo liefdevol is de HEER voor wie Hem vrezen’. Zoals de Vader zijn verloren zoon of dochter opvangt in zijn armen. Zich ontfermt over zijn volk. Zich in liefde naar hen toe buigt en afdaalt. Zo daalt de HEER uit de hoge hemel naar ons af. Zo ziet Hij in genade naar ons om.

Dat zit allemaal in die prachtige naam Johannes: De HERE is genadig. Die naam krijgt het kind van Zacharias op bevel van de engel. Zijn naam mag getuigen van Gods genade. Als bode van de Messias, voorloper van Hem die komt. Totdat Hij Zelf komt. Totdat de Numero Eén komt. Hij, die de naam boven alle namen draagt: Jezus. De allermooiste naam, die op aarde te horen valt. De naam, die betekent: ‘De HERE redt’.

De naam ‘Johannes’ betekent: God heeft vanuit de hoogte naar ons omgezien. Hij laat ons niet alleen in onze diepe duisternis. Hij is om ons bewogen. Hij is ons genadig. Dat is één. Maar het allermooiste en allerbeste is: dat Hij ook echt tot ons is afgedaald en dat Hij ons gered heeft uit de duisternis van zonde en schuld. Ja, gered van de dood.

‘O, Jezus: hoe vertrouwd en goed klinkt mij úw naam in ’t oor. Uw naam die mij geloven doet: Gij gaat mij reddend voor’