Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 

MIJN GELOFTEN INLOSSEN

 Kerkdienst voor 20 januari 2019

Viering van het Heilig Avondmaal

 Lezing: Psalm 116

Binnenkort geluidsopname

 

 “Ik zal mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk” (Psalm 116:14, 18)

 

In de Bijbel komt nogal eens het woord “gelofte” voor. Een gelofte afleggen,  een gelofte betalen, een gelofte inlossen. Wij gebruiken dat niet vaak in het dagelijks spraakgebruik. Ik heb het woord ‘gelofte’ daarom eens in het woordenboek opgezocht om de precieze betekenis op het spoor te komen. Mijn woordenboek geeft aan: Een gelofte is een plechtige belofte, in het bijzonder aan God gedaan.

In een ander boek las ik, dat de gelofte een wijdverbreid godsdienstig verschijnsel is. Mensen van vele culturen en uit alle tijden hebben geloften afgelegd. Je belooft op plechtige wijze aan jouw god iets. Je belooft hem of haar een bepaalde prestatie te leveren. Een tijdlang vasten, een zware pelgrimstocht maken, een groot offer brengen - om zo maar wat te noemen. Daarbij heb je twee vormen van gelofte: De voorwaardelijke en de onvoorwaardelijke. De voorwaardelijke gelofte is simpel gezegd: Voor wat, hoort wat. Je belooft jouw god een mooie stier te offeren, als hij op zijn beurt jou zal behoeden op een gevaarlijke reis. Of je belooft een bedevaart naar zijn heiligdom te maken, als die god jou van je ziekte geneest. De voorwaardelijke gelofte is dus, dat je tegen je god zegt: “Ik geef u dit, wanneer U dat voor mij doet”. 

De onvoorwaardelijke gelofte stelt geen eisen vooraf. Je belooft God zó maar iets. Uit puur enthousiasme, uit pure dankbaarheid.  

Dat brengt ons bij de vraag, of dit alles wel zijn plaats mag hebben binnen het christelijk geloof. Ik vermoed, dat jij daar toch wel wat moeite mee hebt. Zeker met zo’n voorwaardelijke gelofte. Dat lijkt namelijk zo’n koehandeltje te worden tussen God en mens. Ik het één, dan U het ander. Voor wat, hoort wat. Als het ZO moet ... Wij geloven toch dat de HERE onze God sowieso het beste voor ons wil? Dat Hij onvoorwaardelijk in liefde en zorg met ons omgaat. Al merken we dat niet altijd. Toch laten we het wel uit ons hoofd om de HEER voor het blok te zetten. “Als U mijn gebed verhoort, dan zal IK voortaan ... elke zondag naar de kerk gaan. Of: Dan zal ik een groot bedrag overmaken aan Kerkinactie. Als U mij helpt, God, dan zal ik mijn kerkelijke bijdrage drastisch verhogen...”. Nee, zo handel je toch niet met de HEER?

Onvoorwaardelijke geloften afleggen dan? DAAR valt wel wat voor te zeggen! Uit puur enthousiasme en dankbaarheid beloof je de HEER iets. Zonder voorwaarden vooraf. Gewoon omdat je zoveel van Hem houdt. Voortaan zal ik dit of dat. Voortaan zal ik trouw uit de Bijbel lezen. Voortaan zal ik mijn naaste beter behandelen. Voortaan zal ik mijn leven volledig door de HEER laten bepalen. Ik verplicht mijzelf daartoe met een plechtige belofte.

Zo beloven bij de doop de ouders plechtig het kind voor te gaan op de weg van de HEER. Ze leggen de ‘doopgelofte’ af. Bij je belijdenis leg je de gelofte af, dat je de HEER zult volgen en dat je mee zult werken aan de opbouw van de gemeente.

In de Bijbel kom je de gelofte ook tegen. Zowel de voorwaardelijke als de onvoorwaardelijke.

Als Jakob in zijn droom te Bethel de HEER ziet staan bovenaan de trap naar de hemel, legt hij de gelofte af: “Als U, God, mij veilig hier terug brengt, dan beloof ik dat ik een 10e deel zal afstaan van alles wat u mij geeft”.

Als Hanna, de latere moeder van Samuël, in het heiligdom te Silo aan God een zoon vraagt, legt zij de gelofte af, dat zij dat kind zal afstaan aan de HERE. Zo gebeurt: De kleine Samuël wordt later naar Silo gebracht om daar Gods dienaar te zijn. Zo lost Hanna haar gelofte in.

Het meest ingrijpende voorbeeld komt uit het verhaal van de richter Jefta. Jefta belooft in ruil voor de overwinning in de strijd tegen de vijanden om het eerste, wat hem uit zijn huis tegemoet komt, te offeren. Het blijkt zijn enige dochter te zijn.

Daaruit wordt pijnlijk één van de grote gevaren van de gelofte duidelijk: De lichtzinnigheid en kortzichtigheid van de mens. Want een mens kijkt niet altijd verder dan zijn neus lang is. Zeker niet een door enthousiasme gedreven mens. Je kunt wel eens grote spijt krijgen van je ultravrome buien. Juist ook een door diepe nood bevangen mens kan akelig de mist ingaan met zijn geloftes. Een kat in het nauw maakt vreemde sprongen. Een gelofte afleggen is één, maar je gelofte inlossen is een heel ander hoofdstuk.

De Bijbel geeft geen hard oordeel over de geloften van een mens. Om teleurstelling te voorkomen, worden we wel gewaarschuwd: Weet wat je doet. Begin er anders niet aan om dingen aan God te beloven, die je misschien helemaal niet zult kunnen nakomen!

Aan de andere kant worden er in diezelfde Bijbel ombekommerd mensen aan het woord gelaten, die hun geloften willen inlossen.

Zo horen wij vanmorgen de dichter van Psalm 116. Hij kon het blijkbaar niet laten om de HERE God in zijn diepe nood aan te roepen en geloften te doen. Banden van de dood hadden hem omkneld. Een levensbedreigende ziekte, een levensgevaarlijke vijand of een zware storm op zee hadden hem overvallen. Hij dacht: ‘Het is met mij gedaan’. Dus schreeuwde hij het uit: “HEER, red toch mijn leven. Dan… zal ik U zijn toegewijd”. En nu is hij in de tempel verschenen. Levend en wel. Gezond, gered, bevrijd. Nu mag iedereen het horen. “Ik zal mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk”. Twee keer zingt hij hetzelfde! “Ik zal mijn geloften aan de HEER inlossen in het bijzijn van heel zijn volk”.

En wij? Wij zingen vanmorgen toch van harte mee? Het zou best eens mogen: meer geestdrift, meer passie, meer enthousiasme. Er is namelijk alle reden toe.

Niet omdat wij de HERE onze God voorwaarden vooraf hebben gesteld en Hij al onze eisen heeft ingewilligd. Niet alleen, omdat het zo goed met ons gaat. Niet alleen omdat we gezond zijn en gelukkig en alles hebben wat ons hartje begeert. Misschien gaat het in ons leven helemaal niet van een leien dakje. Misschien zit alles tegen. Misschien hebben verdriet en zorgen de overhand. Banden van de dood omknellen mij. En er komt geen redding, geen genezing, geen einde aan de eenzaamheid, het gemis…

Maar dan nóg! Er is altijd één reden om onze gelofte aan God in te lossen. De grootste reden is immers: Wat de HERE God voor ons gedaan heeft in de zending van Zijn Zoon. De grootste reden is: dat Hij aan ons Zijn Zoon gegeven heeft tot in de dood aan het kruis.

Er staat vandaag weer een Tafel klaar met brood en wijn. Het vlees is verbroken, het  bloed van onze Heiland is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.

Daardoor is mijn leven ontrukt van de dood.

Daardoor zijn mijn ogen gedroogd van tranen.

Daardoor zijn mijn voeten voor struikelen behoed.

Daardoor mag ik wandelen in het land van de levenden.

Voor eeuwig. Dus zal ik mijn geloften aan de HEER inlossen. Ik mag mijn hele leven aan Hem toewijden. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.