Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 Met een schone lei beginnen...


Kerkdienst op  24 september 2017
Lezing: Leviticus 16:11-22 en 29-30; Hebreeën 9:11-12

KLIK HIER VOOR DE GELUIDSOPNAME VAN DE KERKDIENST

“Op die dag wordt voor jullie de verzoeningsrite voltrokken opdat jullie van al je zonden gereinigd worden en de HEER weer rein tegemoet kunnen treden” (Leviticus 16:30)

 

Het is waarschijnlijk niet jouw gewoonte om de Bijbel van begin tot eind te lezen. Vroeger gebeurde dat wel en misschien nog wel in sommige kringen. Aan het einde van de maaltijd pakt – meestal - pa of – soms - moe de Bijbel uit de kast. Hij zoekt de bladwijzer en slaat het Boek open. ‘Waar was ik ook al weer gebleven’, mompelt hij. Na enig zoeken begint hij te lezen. Het gedeelte van de dag van vandaag dat naadloos aansluit bij dat van de dag van gisteren. Ooit begonnen met Genesis 1:1 ‘In den beginne’. Afgesloten met Openbaring 22:17 ‘De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u allen’. En dan weer van voren af aan beginnen. Jaar in, jaar uit. Hoofdstuk in, hoofdstuk uit. Deze doorleesmethode heeft het voordeel dat je de hele Bijbel van kaft tot kaft serieus neemt. Je zoekt niet de krenten uit de Bijbelse pap.In kloosters en ook in de Joodse synagoge is dit dan ook nog steeds de beproefde methode. In de sjoel leest men de Thora – de eerste vijf Bijbelboeken – steeds van begin tot eind. Telkens weer van voren af aan tot aan het laatste woord. In kloosters zingen monniken en nonnen de Psalmen van 1 tot en met 150. Men leest de vier evangeliën ook van begin tot eind.

Nadeel van deze methode is dat je ook op hoofdstukken stuit waarvan je denkt: wat moet ik hiermee? Eindeloze geslachtsregisters met onuitsprekelijke namen waarover je je tong breekt. Of ook zo’n gedeelte als Leviticus 16, waarvan ik vanmorgen – voor het gemak – maar een klein gedeelte heb gelezen. Ik heb het voorgelezen. Je hebt mee kunnen lezen. Je dacht misschien: wat kunnen we hier nu mee? Of – tien tegen één – dat je nu niet eens meer weet WAT we zo pas gelezen hebben. Zo’n Bijbelgedeelte gaat het ene oor in, het andere uit.

Vooruit: het ging over Israël in de woestijn. Over de hogepriester die eenmaal per jaar het heiligdom, de tabernakel binnen gaat om daar verzoening te doen voor de zonden. Misschien zie je voor ogen het plaatje van een oude bebaarde man, een priester in witte kleren. Met twee bokken om te offeren bij de hand. Dan ben je waarschijnlijk al weer vergeten dat er nóg een offerdier was: een jonge stier. Die stier wordt het eerst geslacht. Het bloed wordt opgevangen. Het wordt door de hogepriester in een schaal naar het ‘heilige der heiligen’ gebracht. Het Allerheiligste gedeelte van de tempel staat symbool voor de hemel, de woonplaats van de HERE God Zelf. Daar doopt de hogepriester zijn vingers in het bloed en sprenkelt het voor de ark van het verbond. Daarna komt hij naar buiten. De eerste van de twee bokken wordt geslacht. Met het bloed van deze bok doet de hogepriester hetzelfde: Hij sprenkelt ook dat ‘voor Gods aanschijn’.

Als de hogepriester dat gedaan heeft, komt hij weer naar buiten, gaat naar de andere bok. Hij legt zijn handen op de kop van de bok. Hij spreekt een schuldbelijdenis uit. Dan geeft hij de bok over aan een andere man. Die neemt de bok mee naar de woestijn en laat hem daar los. Die bok is ten dode opgeschreven. Hij zal het niet overleven. Later, toen de tempel in Jeruzalem was gebouwd, ging men met deze tweede bok zelfs naar een steile helling en gooide hem – laat PVDD het niet horen - naar beneden. Weg met die bok! Naar de verdoemenis ermee!

Dat staat allemaal in Leviticus 16. En er staat nog veel meer. Voor het gemak heb ik heel wat détails weggelaten. Ik heb nu alleen even over die stier en die twee bokken verteld. De geofferde stier. De geofferde bok. De weggestuurde of in de afgrond gesmeten bok. En – vraag ik nu voorzichtig – ben je er nog bij? Nog niet afgedwaald met je gedachten? Zoals dat vroeger kon gebeuren als vader na de maaltijd zo’n nietszeggend hoofdstuk voorlas? Dat je afhaakt bij het Bijbellezen? Dat je zelfs het laatste woord niet meer kan nazeggen. ‘Sorry, hoor, zo’n Bijbelgedeelte kan ik niet volgen’.

Nou, wordt dan snel wakker. Dan heb ik nu iets opzienbarends te zeggen. Dit Bijbelgedeelte is voor Joden één van de belangrijkste, zo niet HET belangrijkste hoofdstuk van de Bijbel. Het staat letterlijk en figuurlijk centraal in de Thora. In het hart. Letterlijk is Leviticus 16 het middelste stuk van het middelste, het derde van de vijf boeken van Mozes. Genesis – Exodus – LEVITICUS – Numeri – Deuteronomium… De dag die hier beschreven wordt heet ‘GROTE’ verzoendag. Of kortweg noemen de Joden deze dag ook wel ‘Joma’ – dat wil zeggen: DE dag. DIT is de dag die de HEER heeft gemaakt en gegeven. Met deze dag staat of valt het hele Joodse geloof. Als deze dag er niet was, was Israël ten dode opgeschreven. Ja, ten dode opgeschreven… Want wat met die stier en die beide bokken gebeurt, zou met ONS moeten gebeuren. We zouden de dood verdienen. Voor onze zonden, voor onze schuld. Ons bloed zou moeten vloeien in het heiligdom voor het aanschijn van de HEER. WIJ zouden weggestuurd moeten worden, de wildernis in, zoals die bok uit Leviticus 16.

Op Grote Verzoendag viert het Joodse volk dat dat NIET gebeurt. Dat de HEER de schuld wil bedekken, dat Hij ons reinigt van onze onreinheid, dat Hij onze zonden vergeeft en al onze wandaden wegstuurt. Naar het woeste land van de vergetelheid. Vanaf de Grote Verzoendag kun je dus elk nieuw jaar met een schone lei beginnen. Stel je voor dat dat NIET kon – dan was je jaar niet ‘zoet’, dan was je leven niet ‘goed’. Ja dan was je ten dode opgeschreven. Gelukkig is er verzoening mogelijk. Dankzij het bloed van stieren en bokken…

Wacht even, nu zeg ik het niet goed. Dit is natuurlijk geen hocus pocus. Geen grote verdwijntruc. ZO makkelijk kom je niet van je schuld tegenover God af. Het is GODS vergeving. GODS verzoening. Het bloed van stier en bokken is daar een teken van. Een zichtbaar teken waarnaar je mag kijken. In Leviticus 16 staat ‘het volk’, staan wij mensen op een afstand. We staan erbij en kijken ernaar. Hoe God onze schuld vergeeft. Hoe Hij ons mensen met zich verzoent. In de Joodse godsdienst van vandaag de dag worden die offers zelfs niet meer gebracht. De tempel is er namelijk niet meer. Het is voor een Jood voldoende om Leviticus 16 te lezen en ernaar te luisteren. Om deze dag te vieren in het huis van de Thora – in de synagoge. Maar dan wel: met aandacht. Met de juiste instelling.

Zoals het voor ons voldoende is om te luisteren naar het evangelie. Het verhaal van ONZE ‘grote verzoendag’. De dag dat ONS offerlam, Jezus Christus, uit de stad Jeruzalem werd gevoerd en gekruisigd werd op Golgotha. Als zondebok. Hoe Jezus als de Grote Hogepriester met Zijn eigen bloed voor onze schuld betaalde. Wij zien vanmorgen in de tekens van brood en wijn, dat Hij Zijn lichaam voor ons liet breken. Dat Hij Zijn bloed voor ons liet vloeien. Hij stierf voor ons, maar geheel buiten ons en zonder ons. Ook wij staan erbij en kijken ernaar. We lezen erover en horen ervan. We proeven het in brood en wijn.

Ook van ons wordt de juiste instelling gevraagd. De instelling die van de Joden op Grote Verzoendag gevraagd wordt: verootmoediging, berouw, de oprechte bereidheid om opnieuw te beginnen. Met een schone lei.

Amen