Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

LOOFHUTTENFEEST
Zondag 8 oktober 2017
Kerkdienst in Rijsenhout

Geluidsopname: download hier


Lezingen: Leviticus 23:33-43 en Openbaring 7:9-17

 

"Op de vijftiende dag van de zevende maand begint ter ere van de HEER het Loofhuttenfeest, dat zeven dagen duurt" (Leviticus 23:34)

 

Feest vieren – wie doet dat niet graag? Je verjaardag, een jubileum, trouwfeest, geboortefeest. En, als er geen reden is om iets te vieren, kunnen sommige mensen er altijd wel één bedenken. Wat zou het leven zonder feest zijn? Stel je toch voor dat er helemaal niets meer te vieren valt! Dan kruipen de dagen voorbij als grote grijze draken. Dan is het leven een druilerige dag, die maar niet over gaat. Feest: dat is de zon door de wolken. Dat is de blauwe lucht boven je hoofd en de lichtstraal in je hart. 
Joden vieren het Loofhuttenfeest, hún uitbundigste feest in de zevende maand. De zevende maand valt aan het begin van het najaar, als de zomer op zijn einde is. Bij ons is het dan meestal einde september, begin oktober. Loofhuttenfeest is dus een ‘oktoberfeest’, zou je kunnen zeggen. Die zevende maand van het Joodse jaar begint trouwens – gek genoeg - met de nieuwjaarsdag. Dit jaar hebben de Joden nieuwjaar op 21 en 22 september gevierd. Ongeveer twee weken geleden begon volgens de Joodse jaartelling het jaar 5778. Op de eerste dag van de zevende maand vieren de Joden hun nieuwjaarsfeest. Of we kunnen beter zeggen: ze gedenken het begin van het nieuwe jaar. Want de eerste tien dagen van dat nieuwe jaar zijn geduchte dagen. Dagen van bezinning en inkeer. Boete en berouw. Bezint eer ge begint… Alles in je leven weer eens netjes op een rijtje proberen te zetten. Schoon schip maken. Met een schone lei beginnen. Tien dagen lang tot aan de Grote Verzoendag op de tiende dag. Dan mag je horen, dat de Almachtige je zonden vergeeft en met jou verder wil gaan. Daarna pas, op de vijftiende van het jaar kan (bij wijze van spreken) het vuurwerk de lucht in en mogen de kurken knallen. Dan barst alles los. En goed ook: een week lang – Loofhuttenfeest! Meestal dus in ‘onze’ maand oktober. Als bij ons de blaadjes van de bomen gaan vallen en de eerste herfststormen boven ons loeien. Nou, dat valt in de Bijbelse landen natuurlijk wel een beetje mee. In Israël kan het nu nog lekker najaarsweer zijn. Maar in ons koude kikkerland is het niet altijd zo prettig om Loofhuttenfeest te vieren. Je moet namelijk zeven dagen in een hutje, een soeka wonen. Een hut in je tuin, op je balkon of op het platte dak van je huis. Een hutje van ‘loof’ – takken, planken, hout, riet. Als het maar natuurlijk materiaal is. Geen kunststof. Zo’n hut, zo’n soeka, moet in elk geval drie muren hebben en een dak. En dat dak moet zó gemaakt worden, dat je de hemel boven je kunt zien. Van riet dus bijvoorbeeld. Of in elk geval met een groot gat erin. 
Moet je daarin wonen – zeven dagen lang? Gelukkig wordt de soep niet zo heet gegeten, als zij wordt opgediend. Eten MOET. Tenminste één keer per dag één maaltijd in de loofhut. Slapen MAG, maar MOET niet. Als je liever in je eigen bedje wil kruipen, oké, mag best. Het gaat natuurlijk om het idee, de gedachte, die erachter ligt. En die gedachte, zo zou je kort kunnen zeggen is: leren, dat je afhankelijk en vergankelijk bent. Eén van de lezingen in de synagoge op het Loofhuttenfeest is uit het boek Prediker. IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. Lucht en leegte is het leven. Niet blijvend, rotsvast, onverwoestbaar. Juist kwetsbaar en zwak. Leven is voorbijgaan, een zuchtje wind. Meer niet. Dat leer je in de loofhut – dicht bij de natuur. Je merkt, hoe klein en zwak je bent. Als de wind gaat waaien en de regendruppels vallen. Als je om je heen kijkt en al die vergankelijke materialen om je heen ziet. Geknakte rietstengels, rottend hout en verdorde palmbladeren. 


Een ander voorschrift op het feest is, dat je een ethrog en een lulab in je handen moet nemen. Een ethrog is een soort grote citroen. Een lulab is een bosje takjes van palm, myrte en wilgenboom. Allemaal vruchten van de natuur. Gods gaven aan de mensen. Wat zo mooi groeit en bloeit, maar dan schieten je de woorden te binnen: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’. ‘Alle vlees is als gras en al zijn schoonheid als een bloem op het veld. Het gras verdort, de bloem valt af’. IJdelheid der ijdelheden. ‘Stof zijt gij. Tot stof zult gij wederkeren’.
Loofhuttenfeest is dus een lesje bescheidenheid voor de mens. Je hoeft je niets te verbeelden. Je bent maar een stofje aan de weegschaal. Een pluisje wol. Even blazen… weg is het…
Nou ja, vraag je je af. En moet je dát nu VIEREN? En niet zo maar een beetje ‘vieren’: uitbundig vieren! Vroeger, toen de tempel er nog was in Jeruzalem was het een heel spektakel. Zeker de eerste nacht. Priesters dansten met fakkels in hun handen. Enorme lampen werden aangestoken bij de tempel. Bijbels vuurwerk, zou je kunnen zeggen. Nu nog dansen en zingen Joden in de synagoge op het Loofhuttenfeest met die citroen in de ene en de palmtak in de andere hand. Gezelligheid kent geen tijd op dit feest. Je nodigt elkaar uit in je loofhut. Samen eten en drinken. Samen plezier maken. ‘Zeven dagen zult gij vrolijk zijn’, luidt de regel. Dus dat doen we dan maar. Maar noem mij dan een REDEN om vrolijk te zijn!? Blij zijn over je afhankelijkheid en vergankelijkheid? Afhankelijk zijn – dat wil toch niemand? Je wilt zelfstandig zijn, op eigen benen staan. Het zelf kunnen redden. Dat is het mooiste wat er is. Het is niet fijn om noodgedwongen aan de kant te moeten staan. Als iedereen jou helpen moet. Als je je hand moet ophouden voor een uitkering. Als je uit bed geholpen moet worden. Als iemand anders jouw kamer schoon moet maken of als je jezelf zelfs niet meer wassen kunt. Dat valt helemaal niet mee, die afhankelijkheid. Dat is zeker geen reden om je te verheugen. 
En vergankelijkheid? Ook dat is niets om te vieren. Dat aan al het mooie in het leven een einde komt. Dat het goede leven maar tijdelijk is. Dat er een punt achter komt, vroeg of laat. Geleidelijk of plotsklaps. Je moet dat aanvaarden, als het zover is. Je kúnt het misschien na verloop van tijd accepteren. Maar ‘vieren’? Vrolijkheid? Is dat een feest waard? Loofhuttenfeest?
Loofhuttenfeest – feest van de afhankelijkheid en de vergankelijkheid…. Nou ja, er is natuurlijk meer van te zeggen. Loofhuttenfeest was – volgens de geleerden – eerst een soort oogstfeest. Echt dus een ‘oktoberfeest’: de oogst is binnen, de wijn is in het vat, het koren in de schuren – dat moet gevierd worden. Maar later werd hieraan nog iets anders verbonden: de tocht van Israël door de woestijn wordt herdacht. Veertig jaar op weg door de barre wildernis. De zware reis naar de behouden aankomst in het beloofde land. Daar sta je ook bij stil in de loofhut. De honger, de dorst, de hitte. Geen vast huis om in te wonen. Telkens je tentje op moeten breken en verder gaan. Schamele beschutting tegen de nachtelijke kou. Leven, leren leven met weinig tot niets. Tevreden zijn, leren tevreden zijn met het kleine beetje, dat je mee kunt sjouwen. Geen kast vol met kleren of een grote verzameling schoenen. Geen luxe kun je je permitteren. Leren genoegen te nemen met wat je hebt. Je vege lijf. Je eigen lichaam en het gezelschap van je reisgenoten. Lotgenoten. Dat is woestijnleven. Dat moet je weer een beetje gaan voelen die ene week in de loofhut. Aan het begin van het jaar even een paar dagen terug naar het begin, terug naar de natuur. 
Ja, ach, het zal wel zo zijn… Een goede gewoonte, dat Loofhuttenfeest. Het zou ook voor ons, rijke westerlingen, een leerzaam lesje zijn. Wij zijn toch veel te veel verwend met alle luxe van deze wereld? Wij leven in een gespreid bedje en verlangen ook nog naar het Zwitserlevengevoel. Weten we nog wel wat leven is, als het bedolven is onder de bling-bling? Het kan geen kwaad om eens even een paar dagen terug te denken aan hoe het was. Aan de hongerwinter of een andere slechte periode uit ons eigen leven… Het kan geen kwaad om eens even stil te staan bij zoveel mensen op deze wereld die zelfs geen dak boven hun hoofd hebben. Even ervaren hoe dat is. Dan kun je weer des te meer het goede waarderen van wat je nu hebt.
Maar om dat nu te vieren? Uitbundig te vieren? ‘Wie nog nooit Loofhuttenfeest gevierd heeft, weet niet wat echte vreugde is’, zegt men dus? 
Echte vreugde. Waar zit’m dat in op dit feest? Mensen zijn vergankelijk en afhankelijk. Je moet dat beseffen. Dus moet je voor even terug naar de woestijn. Nuttig, nodig, best goed. Maar vreugde, echte vreugde is toch niet te vinden, als het leven woestijn is geworden? Als het echt tegen gaat zitten met je bedrijf. Of als je je baan kwijt raakt door de economische omstandigheden? Als je ernstig ziek wordt en moet gaan vrezen voor je leven? Dan kom je noodgedwongen in de woestijn terecht. Daar valt niets te vieren…
Of toch? Ik las een verhaaltje over rabbi Simson. Een rebbe die ooit in een klein dorpje in Rusland leefde. Reb Simson wilde elk jaar een nog betere loofhut bouwen dan het vorige jaar. Elk jaar weer probeerde hij er meer glas in te verwerken. Zijn ideaal was namelijk een loofhut van alleen maar glazen wanden, waarin hij zich geheel en al door Gods schepping omringd zou zien. Maar glas en ruiten waren schaars en duur in die dagen. Het lukte dus maar niet om zijn droom te verwezenlijken. Tot op zekere dag zijn buurman een nieuw huis liet bouwen. Reb Simson mocht de vensters van het oude huis voor zijn loofhut gebruiken. Hij was de koning te rijk. Dat kun je begrijpen. Het werd een prachtig bouwwerk. Overdag was de soeka vol van het licht van de zon. ’s Avonds was de soeka zelf een bron van licht door de kaarsjes, die zijn vrouw en dochters erin ontstaken. Het hele dorp kwam kijken naar de glazen soeka van rabbi Simson. 
Maar op één van de nachten van het Loofhuttenfeest was de rebbe met vele anderen tot heel laat in de synagoge om de Thora te bestuderen. Zo merkte hij niet dat er een kar met dronken boeren langs gekomen was, die een naburige markt hadden bezocht. Toen ze reb Simons glazen loofhut zagen  staan, konden ze het niet laten. Ze gooiden met stenen alle ruiten kapot en braken de loofhut van ‘die Jood’ tot de grond toe af. 
Niemand durfde de rebbe te zeggen wat er gebeurd was. Zwijgend liepen de mannen één voor één uit de synagoge naar het huis van de rebbe, waar de vrouwen tussen de glasscherven lekkernijen hadden klaar gezet. Bedrukt zaten de mannen om de tafel in afwachting van reb Simson zelf, die toch eens de verschrikkelijke ontdekking zou doen. Eindelijk: daar kwam reb Simson aan. Maar, vreemd genoeg, hij was vrolijk en liep met een fles wijn in de hand. Hij schonk met een schaterlach alle glazen vol en leegde zijn eigen glas in één teug. ‘Lechaiem!
‘Simson, zie je het dan niet…?’ begon iemand voorzichtig. ‘Zie ik het niet? Je bedoelt dat mijn loofhut is afgebroken. Dat alle ruiten kapot gegooid zijn? En óf ik dat weet! Maar wat doet mijn miezerige loofhut er toe. MIJN loofhut? Zien jullie Gods loofhut dan niet?’. En hij wees omhoog naar de sterrenhemel. ‘Gods soeka’, zei hij. ‘De gaafste die er is, die hij elke nacht over ons uitspreidt. En zonder onze glazen ruiten zien we dat nog beter dan ooit. Dus: lechaiem!’.
Als wij dit begrijpen, begrijpen we iets van de grote vreugde van Loofhuttenfeest. Loofhuttenfeest leert ons vanuit onze aardse vergankelijkheid en afhankelijkheid naar boven te kijken. Door het gat in ons dak naar de sterrenhemel. Ja, nog hoger dan de blauwe luchten en de sterretjes van goud. Loofhuttenfeest laat ons verder kijken dan onze neus lang is. Het stelt onze blik op ‘Oneindig’. We zien Gods beschermende armen uitgespreid over ons leven. Gods ontfermende armen om ons heen.  
Loofhuttenfeest leert ons ook om naar voren te kijken, naar de grote toekomst. We zien daar een grote schare, die niemand tellen kan. Ontelbaar veel mensen staan voor de troon van God en voor het Lam. Mensen uit alle volken. Joden en heidenen zwaaien met de loelav, de palmtak. En God Zelf zal zijn tent over hen uitspreiden. Samen wonen in de beschutting van Gods loofhut. Joden, Palestijnen, Arabieren, Nederlanders. 
Loofhuttenfeest viert dat bij voorbaat. Echt feest dus. Feest van de hoop.