Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART


Leef, alsof...

Kerkdienst 16 september 2018
Lezingen: Daniël 5 en Lucas 12:35-40

helaas is er van deze dienst geen geluidsopname beschikbaar

 

“Dit is - wat er geschreven staat: Menee, menee, tekeel oefarsien. En dit is wat het betekent: menee – God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; tekeel – u bent gewogen en te licht bevonden; perees – uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven” (Daniël 5:25-28)

 

 

"Leef, alsof het je laatste dag is”. Een argeloze luisteraar onder ons zal misschien denken dat dit zinnetje het begin wordt van een ernstige preek. “Leef alsof het je laatste dag is” – dat klinkt als de waarschuwing van een boeteprediker. Kenners van het Nederlandse lied weten beter. De zin ‘Leef, alsof het je laatste dag is’ is de eerste regel van het refrein van een populair liedje van André Hazes jr. Het is een aanstekelijk, best wel vrolijk liedje. Geen smartlap, zoals zijn vader ze maakte. De bijbehorende clip begint wel in mineur: er zit een oude man futloos achter een bar. Hij vertelt dat hij niet lang meer te leven heeft. Hij kijkt niet positief terug. Hij heeft zijn leven lang niets anders gedaan dan hard werken en geld verdienen. Daardoor heeft zijn vrouw hem verlaten. Hij heeft weinig gelachen en veel gehuild, zegt hij. Maar voor de jonge André heeft hij een goede raad: doe het anders! “Leef, alsof het je laatste dag is. Leef, alsof de morgen niet bestaat. Leef, alsof het nooit echt af is. Leef, pak alles wat je kan”.

Dit liedje klinkt in menig feesttent en op menig festival. Het is zo’n liedje dat je heerlijk mee kunt galmen. Waarop je uit je dak kunt gaan. Tenminste: Als je ervan houdt – want smaken verschillen…

Maar kunnen wij het advies dat uit die woorden klinkt ter harte nemen? Geldt het ook voor ons, gelovigen? Wij, die volgelingen van Jezus Christus willen zijn?  ‘Leef alsof het je laatste dag is…’.

Vandaag komen we in de bijbel iemand tegen voor wie het de laatste dag is. Het is Belsassar. Koning van het Babylonische Koninkrijk. ‘Wereldrijk’, wilde ik zeggen, maar dat is dat Babylonische Rijk al lang niet meer. De bloeiperiode ligt pakweg vijftig jaar terug. In de tijd van de legendarische koning Nebukadnessar. Toen kón het allemaal niet op. Het rijk strekte zich uit van oost naar west. Met de stad Babel als glorieuze hoofdstad. Daarna is het bergafwaarts gegaan. Een halve eeuw later, in de tijd van Belsassar staat het rijk op instorten. Dat is een wereldschokkende gebeurtenis. Zo’n historisch feit dat in de geschiedenisboeken blijft staan met dag en datum. Zoals het einde van de tweede wereldoorlog: 5 mei 1945 of de definitieve val van de Berlijnse muur: 9 november 1989. De definitieve ondergang van het Babylonische Rijk is door moderne historici gedateerd op 12 oktober 539 voor Christus. Op die dag wordt het laatste bolwerk in Babel, het koninklijk paleis, ingenomen door Perzische troepen. De Babyloniërs ruimen het veld. Een nieuwe tijd begint. Het rijk van de Meden en de Perzen maakt voortaan de dienst uit.

Uitgerekend op deze laatste dag van het Babylonische Rijk speelt Daniël 5 zich af. In dat koninklijk paleis. Het is ook de laatste dag van het leven van koning Belsassar. In die nacht wordt Belsassar bij de verovering van zijn paleis gedood.

Ik vraag me af: wist Belsassar dat het zijn laatste dag was? Meestal weet een mens dat niet. Dat soort kennis hoort bij de toekomst. In de toekomst kijken kan geen mens. Je weet niet wat er morgen gebeurt. Het ligt verscholen achter de horizon van de tijd. Dat is lastig. Dat je niet weet wat er gaat gebeuren. Daar word je onzeker van. Op de bodem van het hart van ieder mens ligt die onzekerheid. Het hoort bij de menselijke beperkingen. De toekomst, mijn toekomst is onbekend. Dat proberen we tegenwoordig op te vullen met kansberekeningen en statistieken. We weten hoe oud een mens gemiddeld wordt. Ik heb het nog even opgezocht: De levensverwachting van een Nederlander is momenteel ruim 81 jaar. Die van vrouwen is een beetje hoger dan die van mannen. Maar je bent dom als je dan zegt: ‘O, dan heb ik nog wel even. Mij kan voorlopig niets overkomen’. Want niemand kan garanderen dat jij het gemiddelde haalt. Die knagende onzekerheid – daar ontkom je niet aan. We weten allemaal hoe kwetsbaar het leven is. Het kan van de ene op de andere dag omslaan. Zelfs van het ene op het andere moment. Het leven hangt aan een zijden draadje dat zó maar breken kan.

Beseft koning Belsassar dat zijn laatste uur geslagen heeft? Uit buiten Bijbelse bronnen weten we dat Belsassar eigenlijk geen koning was. Hij is de ZOON van de koning. Zijn vader is koning Nabonidus. Maar deze koning Nabonidus heeft de stad Babel verlaten. Hij heeft het bestuur over de hoofdstad van zijn rijk overgelaten aan zijn zoon Belsassar. Die heeft dit buitenkansje met beide handen aangegrepen. Hij laat zich maar al te graag ‘koning’ noemen. Hij doet zelfs een beetje aan geschiedvervalsing. Hij noemt zich niet langer meer ‘zoon van Nabonidus’, maar ‘zoon van Nebukadnessar’. Zijn moeder, de koningin, is namelijk een dochter van koning Nebukadnessar. Belsassar is dus de kleinzoon van Nebukadnessar. Taalkundig kún je het woordje ‘vader’ ook wel voor ‘grootvader’ gebruiken. Bovendien is Nebukadnessar toch een beetje de ‘vader des vaderlands’? Dus het is een halve waarheid, een beetje ‘fakenews’, maar het komt Belsassar goed van pas. Hij gaat voortaan door het leven als KONING Belsassar, zoon van de wereldberoemde koning Nebukadnessar.

Als je dat hoort, voel je op je klompen aan wat voor man die Belsassar is. Zo iemand die het heerlijk vindt om op het pluche van de troon te zitten. Iemand die geniet van alle aandacht, luxe en macht. Iemand die pakt wat hij pakken kan…

Dat blijkt op die laatste dag, voordat zijn leven eindigt. Belsassar heeft zich op die laatste dag teruggetrokken in het koninklijk paleis. De Perzische troepen naderen Babel. Ze hebben de buitenwijken van de stad al ingenomen. Belsassar haalt de ophaalbruggen omhoog. Achter de dikke muren van zijn vesting voelt hij zich veilig. Nog veilig. Voor een paar laatste dagen. Diep in zijn hart voelt hij het einde naderen. En wat doe je dan? Als je je laatste dag voelt naderen? Belsassar volgt het advies uit het liedje feilloos op: hij zet de bloemetjes buiten. Hij maakt er een feestje van. Een groot feest met wijn en vrouwen. Hij pakt nog één keer wat hij pakken kan.

Bij een feestje hoort een geintje. De “leukste” geintjes gaan over de rug van anderen. Je gaat bijvoorbeeld ‘Joodje pesten’ – een wijd verbreid spelletje. Belsassar geeft opdracht om de bekers te halen die op de Joden zijn buit gemaakt. Nebukadnessar heeft ooit Jeruzalem veroverd. Hij heeft de tempel verwoest. De tempelschatten heeft hij mee naar Babel genomen. Die gouden en zilveren bekers en schalen heeft hij netjes opgeborgen. Uit fatsoen, uit respect. Je vergrijpt je toch niet aan dat wat voor anderen ‘heilig’ is? Bovendien had koning Nebukadnessar een speciale verhouding met de God van Israël. Het boek Daniël vertelt dat Nebukadnessar tot de conclusie komt dat díe God de levende God is. Dat de God van de Joden de enige echte God is. Kleinzoon Belsassar had dat kunnen weten. Maar Belsassar NOEMT zich wel ‘zoon van Nebukadnessar’ – hij HANDELT niet als ‘zoon van Nebukadnessar’. Juist die God van de Joden, de HEER, moet het ontgelden. Juist de gouden bekers en schalen uit de Joodse tempel moeten misbruikt worden voor zijn feestje.

Het feest barst los. De nacht valt in. Het teken aan de wand verschijnt. “Mene, mene, tekel ufarsin”, staat er. Raadselachtig, mysterieus. Daniël, dienaar van de levende God, kan het uitleggen. In de taal van die tijd, het Aramees, staan er alleen medeklinkers op de muur geschreven. Je kunt de woorden dan op twee manieren lezen. Het kunnen gewichtseenheden aanduiden. Een mene of mina is dan zo iets als een kilo. Maar anders gelezen betekent het ook ‘geteld’. Een ‘tekel’ is een sikkel – een onsje, zullen we maar zeggen. Maar je kunt het ook vertalen met ‘gewogen’. En ‘ufarsin’ staan voor halfjes, halve sikkels. Anders gelezen staat er zo iets als: ‘in stukken gebroken’. Een kilo, een kilo, een ons en een paar halve onsjes… Geteld, gewogen, gebroken. Als je die woorden hoort zie je een oude weegschaal voor je. Zo’n balans met twee schalen. Op de ene schaal staat het leven van koning Belsassar. Aan de andere kant zet de HEER, de God van Israël, de Schepper van hemel en aarde zijn gewichten. Belsassar’s leven wordt geteld en gewogen. Mene - Eén kilo. Mene - nog één kilo. Tekel - een onsje erbij. Ufarsin - een halfje, nog een halfje… en de weegschaal slaat door. Belsassar is té licht bevonden. Zijn koninkrijk wordt afgebroken. Het wordt aan de Perzen gegeven. Het leven van Belsassar legt niet genoeg gewicht in de schaal. Het voldoet niet aan de eisen die de HERE God stelt. Juist de God die hij bespot velt over hem het oordeel. Op de laatste dag van zijn leven wordt Belsassar gewogen en te licht bevonden.

Ja, mensen… Dan is het dus tóch een ernstige boodschap die vandaag in ónze oren klinkt. Aan het einde van het leven – ook jouw leven, ook mijn leven – wordt de balans opgemaakt. Je wordt door de HEER geteld en gewogen. Je wordt afgerekend op de vraag: legt jouw leven voldoende gewicht in de schaal? Of stelde het eigenlijk niets voor? Wat heb je gedaan voor God? Wat deed je voor Jezus en voor de minste van zijn broeders en zusters? Het gewicht dat jij in de schaal kan leggen is: jouw liefde. Liefde tot God. Liefde voor je medemens. Dát is van waarde. Dat weegt zwaar in Gods ogen. Vraag je dus aan het einde van elke dag af: heeft mijn leven vandaag gewicht in de schaal gelegd? Heb ik iets betekent - voor een ander, voor God?

Misschien kom je dan tot de conclusie: ik ben tekort geschoten. De balans slaat door naar de verkeerde kant. Het stelde weer weinig voor. Bedenk dan dat de HEER Zijn liefde in onze schaal wil leggen. Zijn vergevende liefde, Zijn genade. Het leven van onze HEER, het lichaam het bloed van Jezus Christus. Dat geeft de doorslag.

In vertrouwen op die liefde mogen wij ons leven leven en onze liefde geven. Elke dag. Tot het je ‘laatste dag’ is. Maar voor wie gelooft zal die laatste dag van het oude leven de eerste dag van een nieuw leven zijn. Wij verwachten de dag dat Jezus komt. De nieuwe morgen, de jongste dag.

Jezus vraagt van ons dat we zijn als dienaren die hun heer verwachten. De Heer kan elk moment komen. Op een mooie morgen, maar ook in een donkere nacht. Sta dan klaar! Wees waakzaam!

Het advies is dus niet: “Leef alsof het je laatste dag is, leef alsof de morgen niet bestaat”.

Het beste advies is: ‘Leef alsof vandaag de mooiste dag is. Leef alsof Jezus vandaag al komt!’.