Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

KRIJGEN EN DOORGEVEN
Anders dan Anders Kerkdienst op 7 juli 2019 te Nijverdal
Schriftlezing: Handelingen 3:1-10

Geluidsopname via Kerkomroep (Het Centrum Nijverdal)

1 Op een keer gingen ​Petrus​ en ​Johannes​ naar de ​tempel. Het was drie uur, de tijd voor het middaggebed. 2 Bij de Mooie ​Poort​ van de ​tempel​ zat een man die al zijn hele leven niet kon lopen. Elke dag brachten mensen hem naar de ​poort. Dan kon hij om geld vragen aan iedereen die de ​tempel​ in ging.
3 De man zag ​Petrus​ en ​Johannes​ aankomen, en hij vroeg hun om geld. 4 Petrus​ en ​Johannes​ keken naar de man en zeiden: ‘Kijk ons aan.’ 5 Dat deed de man, want hij dacht dat hij iets zou krijgen. 6 Maar ​Petrus​ zei: ‘Ik heb geen goud of zilver voor je. Maar ik kan je wel iets anders geven.’ Toen zei hij: ‘Namens ​Jezus​ ​Christus​ uit ​Nazaret​ zeg ik je: Sta op en ga lopen.’
7 Daarna pakte ​Petrus​ de man bij zijn rechterhand en trok hem overeind. En meteen kreeg de man weer kracht in zijn voeten en zijn benen. 8 Hij sprong op en begon te lopen. En samen met ​Petrus​ en ​Johannes​ ging hij de ​tempel​ in. Daar bleef hij rondlopen en springen, en hij dankte God.

 

OVERDENKING VOOR JONG EN OUD:

 De man die niet kon lopen komt nadat hij is genezen van zijn handicap dansend en springend binnen.

Wauw! Halleluja! Dank U, HEER! Dank U wel!

O, wacht even. Schrik niet. Neem me niet kwalijk. Ik had jullie niet zien zitten. Sorry dat ik zo uit mijn dak ga, maar ik kan even niet anders. Want kijk eens wat ik kan? (de man springt, rent, knielt en springt weer op) Kijk eens wat ik kan. Fantastisch toch? Ik kan lopen, rennen, dansen, springen, vallen en weer opstaan. Dat KAN ik allemaal. NU wel! Maar ik KON het niet.

Weet je, jaren geleden ben ik geboren met een handicap. Een lichamelijke beperking. Toen ik een baby was, hadden papa en mama dat eerst niet door. Ze waren dolgelukkig en vonden mij de mooiste van de hele wereld. Ze noemden mij Jonathan. Dat betekent: De HEER heeft gegeven. Ja, ze zien mij als een godsgeschenk!

Na een paar dagen merkten ze iets aan mij. Ik trappelde niet met mijn beentjes, zoals andere baby’tjes dat doen. Ik kon mijn beentjes niet bewegen. Dus toen ik een paar jaar oud was, kon ik niet opstaan en lopen. Papa en mama gingen nog wel naar een dokter, maar die kon mij ook niet helpen. Ze waren er verdrietig over. En ik? Nou ja, ik vond het natuurlijk ook niet leuk. Ik zag dat andere kinderen wél konden lopen, dansen, voetballen… Ik kon dan allemaal niet. En weet je wat ik altijd het ergste vond? Dat mensen over mij zeiden: ‘Die jongen, die Jonathan, daar heb je niks aan. Die stelt niks voor! Want die kan toch niks!’. Dat woordje ‘niks’ – dat doet me pijn. Want dat klopt helemaal niet. Ik kon mijn benen niet bewegen, maar er was niets mis met mijn handen. Er was niets mis met mijn verstand, met mijn ogen, met mijn oren. Ik had handen, oren, ogen en verstand gekregen. ‘Die moet ik maar eens gaan gebruiken’, dacht ik bij mezelf.

Dus zei ik op een dag tegen vader en moeder: ‘Papa, mama, ik ben heel blij dat jullie voor mij zorgen, maar nu wil ik voor mijzelf gaan zorgen’. ‘Maar Jonathan’, zei papa, ‘jij kunt toch niks? Ik bedoel: dat geeft niet, hoor. We houden even goed van je, je moeder en ik, maar jij kunt niet werken. Niemand kan jou gebruiken’. ‘Hou op, papa’, riep ik, ik kan mijn voeten niet bewegen, maar ik kan mijn handen wél gebruiken. Kijk hier heb ik een bakje. Daar kan ik geld mee ophalen. Een collecte! Voor mezelf! En – ik ben ook niet gek, hoor, als jullie mij nou elke morgen naar de tempel in Jeruzalem brengen. Dan ga ik daar bij de poort zitten. Dan zullen jullie eens zien. Mensen die naar de tempel gaan geloven in God. En als je in God gelooft, dan weet je dat God alle mensen wil helpen. Juist de mensen die minder kunnen dan een ander. Zoals ik! Als het goed is, zullen ze mij geld geven. Als ze de HEER liefhebben, zullen ze ook aan mij denken. Je zult eens zien, hoeveel ik op ga halen!’.

Zo gezegd, zo gedaan. Elke dag brachten mijn vader en een paar van zijn vrienden mij naar de poort van de tempel. Ik vroeg aan iedereen die langs kwam om wat geld. Een klein beetje geld. Dat viel niet altijd mee. Heel veel mensen zagen mij niet eens zitten. Anderen lachten me uit. Maar genoeg mensen gaven mij elke dag een klein beetje. Alle kleine beetjes maken een grote. Ik kon ervan leven. Ik kon voor mijzelf zorgen.

Tot op die mooie dag! De dag die mijn leven veranderd heeft. Het was ’s middags. In de tempel is er dan een soort kerkdienst. Daar komen altijd wel een paar mensen. Dus ik zat op mijn plekje bij de poort, ik steek mijn hand met het bakje uit en ik vraag: ‘Heeft u wat geld! “. Plotseling stond er iemand voor mijn neus. ‘Kijk mij eens aan’, klinkt een stem. Een rare vraag. Dat deed niemand. Alle mensen liepen me voorbij zonder te kijken. ‘Kijk ons aan’ – ik keek in de ogen van een man en zijn vriend. Petrus en Johannes heten ze – dat weet ik intussen. Toen ik in hun ogen keek dacht ik: ‘Nu zullen ze me wel wat geven’. ‘Geef mij geld’. Maar Petrus zei: ‘Ik heb niks’. Ik schrok: ‘Niks?’ Dat woordje… Is die man misschien ook gehandicapt? Heeft hij ook een beperking? ‘Ik heb niks, ik bedoel: ik heb niet, wat jij vraagt. Ik heb geen geld, geen goud of zilver’, zei de man. ‘Maar ik kan je wel iets anders geven’. Als een flits ging het door me heen: die man is net als ik! Hij heeft ook niet alles. Hij kan niet alles. ‘Maar ik heb wel iets anders’ zei Petrus: ‘Namens Jezus Christus – Sta op en ga lopen!’. ‘Wauw! Dat was gaaf! Petrus kon mij helpen. Ik stond op, liep voorzichtig een eindje heen en weer. En even later kon ik wat ik nu allemaal kan: dansen, rennen, springen… en God danken! Want wat zei Petrus ook al weer: ‘Namens Jezus ga lopen!’. Wat Petrus kon, had hij ook gekregen. Wat hij gekregen had, mocht hij doorgeven.

Dus, lieve mensen, luister goed: jullie zijn niet ‘niks’ als je iets niet kunt. We hebben allemaal iets, wat je wél kunt. Iets bijzonders, iets unieks. Dat mag je doorgeven. Je mag er een ander mee helpen. Je hebt dat niet van jezelf. Je hebt het gekregen. Namens Jezus. Van de HEER. Dus je kunt er God voor bedanken. Door te springen, te dansen – als je dat kunt. Maar als je dat niet kunt mag je het zeggen, zingen, bidden. Dat gaan we nu doen! We gaan er een lied over zingen. Spring, dans, draai of zing maar met mij mee!