Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

KIJK EENS IN DE SPIEGEL
EN WAT ZIE JE DAN!?
Kerkdienst 14 juli 2019
Lezingen: Deuteronomium 30:11-20 en Lucas 10:25-37
geluidsopname op Kerkomroep

“Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen”
(Lucas 10:33)

 Kijk eens in de spiegel… Dat is geen advies van de kapper of de schoonheidsspecialist. De spiegel die ik bedoel laat ons verder kijken dan huid en haar. Zelfs als je haar wel goed zit, kan deze spiegel je verder helpen. Verder kijken dan de neus lang is. Naar binnen kijken. We krijgen een blik in de spiegel van de ziel. Kijk eens wat vaker in de spiegel, die Jezus je voorhoudt.

Als Jezus een gelijkenis vertelt, is dat de bedoeling: dat je in de spiegel kijkt naar jezelf. Naar ‘the man, the woman in the mirror’. Dan doen we niet altijd even graag. Vaak kijken we liever naar een ander. We beoordelen iemand. Oppervlakkig, op zijn uiterlijk. Maar ook wel op iemands karakter. We vinden iemand een watje, een nerd of juist een coole bink of een toffe meid. Maar Jezus houdt een spiegel voor onze neus. Hij zegt: ‘Kijk maar eens goed naar jezelf. Bekijk je zelf in de spiegel van deze gelijkenis. En wat ZIE jij dan allemaal?’.

Ik zie… een stel rovers. Gespuis dat rondzwerft op de weg tussen Jeruzalem en Jericho. Dat is een beruchte weg om verschillende redenen. In de eerste plaats is het een steile weg. Over pakweg 20 kilometer stijgt de weg 1000 meter vanaf Jericho naar Jeruzalem. Dat is een stijgingspercentage van pakweg 5 % met uitschieters tot boven de 20 %. In de Tour de France zou de weg toch zeker een bergetappe van de eerste categorie zijn. Wat de weg tot de buitencategorie verheft is het klimaat. De weg gaat dwars door woestijngebied. Midden op de dag is het er bloedje heet. Bovendien zijn er akelige, onoverzichtelijke bochten. Daarachter kan een crimineel zich uitstekend verstoppen. Om op het laatste moment voor je neus op te duiken. Daar staat hij dan. Ik kijk voor het eerst in de spiegel en zie: een rover. Maar nee, dat ben ik toch niet? Rovers zijn terroristen. Zoals Ridouan T., die meedogenloos onschuldige slachtoffers neersteekt in een Utrechtse tram. Of Michael P. die zich vergrijpt aan een weerloos meisje op een fiets. Wat dacht je van een drugsbaron die schatrijk wordt met handel in heroïne? Rovers - dat zijn dieven, schurken, hooligans! Maar ik? Of wil Jezus me toch ook wakker schudden met deze rover in de spiegel van de gelijkenis? Heb ik niet, heel diep van binnen, ook een klein rovertje in me? Omdat ik toch het liefst het eerst en het meest aan mezelf denk? Als ik ten koste van anderen mijn zin doordrijf. Als ik anderen aan de kant druk om er zelf beter van te worden. Kijk eens in de spiegel… en schrik.

Snel verder. De rover heeft zijn werk gedaan. Het slachtoffer ligt, van alles beroofd, aan de kant van de weg. Halfdood. Maar kijk: daar komt iemand aan. Een priester. Ik stel hem zo voor als een deftige oude man met een eerbiedwaardige grijze baard. Aan zijn mooie witte kleren zie je dat hij een priester is. Wit van reinheid. Niet ver daarachter komt nog iemand. Het is een Leviet. Die ziet er een beetje gewoner uit. Levieten zijn de medewerkers van de priesters. Dus net een beetje van mindere rang. Net even wat minder in de geestelijke hiërarchie. Dus ook net even wat minder in aanzien op de maatschappelijke ladder. De priester en de Leviet vertegenwoordigen de tempel in Jeruzalem. De religie.

Ze komen bij hun werk vandaan en zijn op weg naar hun huis in Jericho. Ze zijn bezig aan de afdaling. Ze gaan naar beneden, dus dat gaat lekker snel. ‘Home, sweet home’ lonkt. De koffie staat klaar. Moeder de vrouw wacht. Maar wat is dat? Een man in de goot, aan de kant van de weg. Daar kun je niet om heen. De weg is smal. ‘Ich habe es nicht gewusst’ kunnen ze helaas niet zeggen. Toch lopen ze er allebei met een boogje om heen. Waarom, weet ik niet. Maar als ik in deze spiegel kijk, herken ik helaas teveel van mezelf in deze priester en leviet. De priester, de dominee, de vrome gelovige. Ik die geloof. Ik die naar de kerk ga. Ik die probeer zo goed mogelijk te leven zoals God het van mij vraagt. Toch loop ook ik vaak veel te snel met een boogje om de ellende van anderen heen. Wat wil je? De priester in mij zegt: ‘Zo’n bedelaar aan de kant van de weg. Moet je die geld geven? Gaat-ie zeker drank of drugs van kopen. Daar betaal ik dan aan mee’. De Leviet denkt: ‘Zo’n bloedende halfdode man in een verlaten steegje. Mij niet gezien! Straks nemen de straatschoffies ook mij nog te grazen. Bovendien geeft mijn meerdere voorganger, de priester, het goede voorbeeld: Doorlopen!’.

Maar ja, als er in de wereld alleen maar zulke priesters en levieten zouden bestaan? Als ik niet wakker zou schrikken, als ik dit zie… Ik kijk in de spiegel… ik schrik van mezelf.

Niet lang daarna. Daar komt de derde aan. De Samaritaan. Van een Samaritaan heeft een Jood niet veel goeds te verwachten. En vice versa. Samaritanen hebben bijna hetzelfde geloof als de Joden. Ze geloven in de HEER als de enige God. Ze hebben Mozes als profeet. Ze hebben het belangrijkste stuk van de Bijbel, de Thora, gemeenschappelijk. De eerste vijf boeken van het Oude Testament zijn hun leidraad. God liefhebben boven alles, je naaste als jezelf. Dat is ook voor hen niet te hoog gegrepen en niet te diep gegraven. De weg ten leven ligt vlak voor je. Ze zijn er bijna, zou je zeggen. Maar dus nog helemaal niet. Juist omdat die Samaritanen er ‘bijna’ zijn, moet je voor hen oppassen. Je moet niet met hen omgaan. Je moet met een boogje om hen heen lopen. Dat doen zij ook.

Behalve vandaag. Uitgerekend een Samaritaan schiet te hulp. Hij staat stil. Hij stijgt van zijn ezeltje. Hij knielt neer. Hij buigt zich over de halfdode man. Hij verbindt zijn wonden. Het blijft zelfs niet bij EHBO. Hij brengt de man naar het eerste het beste bed in de buurt. In de herberg. Hij betaalt uit eigen zak de zorgkosten met een blanco cheque. We weten al te goed hoe dat uit de klauwen kan lopen. En dat alles doet een Samaritaan!? Wie had dat gedacht. Ik kijk in de spiegel en ik schrik: ik zie mezelf niet. Ik herken mijzelf niet in de Samaritaan. Die staat zó ver van mij af. Ik kan mezelf niet vergelijken met moeder Theresa, die in India tussen de allerarmsten ging wonen? Ik ben niet als pater Frans, die in de gebombardeerde Syrische stad Aleppo bleef wonen om hulp te verlenen. Tot ook hij vermoord werd. Ik kan niet zijn als die boer uit de tweede wereldoorlog, die in zijn schuur onderduikers verborgen hield. Mij niet gezien. Ik ben niet zo’n held. Ik ben meer van het type angsthaas. Ik doe liever of mijn neus bloedt, als ik bloed zie. Ik kijk in de spiegel en ik schrik terug.

In de spiegel kijken – en schrikken van jezelf. Is dat de bedoeling van Jezus? Ik denk het niet. We zijn één spiegel vergeten. Dat is de spiegel van het slachtoffer. Stel je voor dat ik mezelf aan hem spiegel. Ik lig daar aan de kant van de weg. In elkaar geslagen. Bloedend. Dood te gaan. Ik zie eerst het hoofd van de priester boven mijn hoofd verschijnen. Helaas. Daarna het hoofd van de Leviet. Pech. Dan verschijnt de Samaritaan. Weet ik veel dat hij Samaritaan is? Iemand die anders gelooft herken je niet aan zijn neus. Het kan me ook helemaal geen fluit schelen. Een zwarte of een blanke. Een Marokkaan of een chinees. Een homo of een hetero. Een Jood of een Samaritaan. Het zal me worst wezen. Als ik half dood ga, denk ik maar aan één ding: als ik maar geholpen word. Als er maar één is, die mij ziet en mij niet laat liggen. Die mij niet dood laat gaan.

Ik kijk in de spiegel. Ik zie dat er iemand medelijden met mij heeft. Iemand die in ontferming over mij bewogen is. Iemand die lijkt op God, de barmhartige Vader. Iemand zoals Jezus Zelf. Die voor mij is afgedaald uit het hemelse Jeruzalem. Die zich helemaal gaf om mij te redden van mijn schuld. Die zelfs Zijn eigen bloed liet vloeien, omdat Hij van mij hield. Om mij te redden van de dood.

Als ik in de spiegel kijk, zie ik Hem.

Ik hoop dat ik een klein beetje op Hem mag lijken.