Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

JIJ MAG OOK MEEDOEN!


Kerkdienst op 26 Januari 2020
(Dienst voor jong en oud)

Kerkomroep: De Regenboog Nijverdal

26 januari 2020

 Lezing: Matteüs 4:18-22


 “Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken’” (Matteüs 4:19)

Vissen kan ik niet. Als iemand me vanmorgen zou vragen: ‘Ik ga vissen; ga je mee?’, dan zou ik zeggen: ‘Nee’. Vissen wil ik niet, want vissen kan ik niet. Vissen vissen, bedoel ik. Vissen vángen. Echte vissen uit een meertje of een beek. Ik begin er niet aan. Ik heb het geprobeerd. Lang geleden kocht ik van mijn zakgeld een hengel. Een echte werphengel – zoals deze. Nou ja, niet zo’n mooie, want zoveel geld had ik niet. Toen ik de hengel gekocht had, ging ik op een mooie vrije woensdagmiddag naar het water. Het water van een vijver in een bos. Daar ga ik zitten. Het is mooi weer, de zon schijnt, dus ik denk: ‘Als ik vís was, dan zou ik niet in de zon, maar in de schaduw gaan zwemmen. Een slimme visser moet dus vissen in de schaduw’. Dus ga ik zitten onder een boom. Voorzichtig doe ik een stukje brood aan het haakje. Voorzichtig laat ik het haakje en de dobber in het water plonzen. En nu maar wachten… Vijf minuten, tien minuten…. Ja, met vissen moet je geduld hebben. Maar na 11 minuten, zie ik mijn dobber een klein beetje heen en weer gaan… Nog even wachten…. En dan… Met een grote zwaai haal ik de hengel uit het water. Oeps! Mis! Geen vis! Maar wat nog erger is: het haakje is hoog boven mijn hoofd in de takken van de boom terecht gekomen. Ik draai aan het molentje om het touwtje binnen te halen… Maar nee hoor: het zit vast. Muurvast. En ik kan er niet bij. Er zit niets anders op, dan met een schaar het draad door te knippen. Bah! Ik had er direct genoeg van. Ik ben opgestaan, naar huis gegaan, heb mijn hengel in de schuur gegooid en hem NOOIT meer aangeraakt. Vissen? Dat is niets voor mij. IK doe niet mee!

 Aan het meer van Galilea staan ook vissers. Ze hebben geen hengel. Ze vissen met een net. Een werpnet. Ze zwaaien dat net boven hun hoofd en gooien het over het water. Aan het net hebben ze een paar stenen vastgemaakt of stukjes lood en dan zakt het net snel naar de bodem. De vissen die eronder zwemmen, kunnen geen kant op en ze worden aan wal gesleept. Daar liggen ze dan te spartelen op de oever van het meer. Ze happen naar adem – tot ze dood zijn. Op een vuurtje worden gebraden. Ze belanden op een bord en uiteindelijk in de maag van een hongerig mens…. ZO gaat dat met vissen.
Petrus en Andreas, Jacobus en Johannes zijn vissers. Ze vissen met elkaar aan de oever van het meer. Of ze varen een stukje met hun boot het meer op en gooien daar hun netten uit. Ze zijn slim. Ze zijn sterk. Ze hebben meer geduld. Ze hebben meer verstand van vissen dan ik. Alles wat ík niet kan of heb, dat kunnen en hebben zij. Echte vissers. Vissen vissers, die vissen vangen.

- Maar: mensen vangen? Mensen vissen? Kunnen zij dat ook? Ja, Jezus komt voorbij en roept hen. Hij roept vandaag ook jou en mij. Om met Hem mee te doen. Om MENSEN te vangen.
Mensen vangen? Dat klinkt niet mooi. Een mens wil zich niet laten vangen. Dan ben je ‘gevangen’. Je wilt toch vrij zijn!? Vrij als een vis in het water… Een gevangen vis wordt een gebakken vis. Wacht even: een vis hoort in het water, maar een mens niet. Als een mens in het water ligt, dan moet hij of zij eruit! Misschien dat hij zwemmen kan. Maar dan nog! Water is gevaarlijk voor een mens. Je kunt meegesleurd worden door de kracht van het water. Als je niet kunt zwemmen, zak je naar de bodem. Je kunt… verdrinken. En niet alleen in water. Er zijn zoveel gevaren in het leven, waaraan je kapot kunt gaan. Je kunt ziek worden. Je kunt pijn hebben. Je kunt honger of dorst hebben. Je kunt dood gaan. En het grootste gevaar van allemaal: je kunt God kwijt raken. Zonder God is het leven geen echt leven. Dan leef je als een vis op het droge – je hapt naar adem en gaat uiteindelijk dood. Of we leven als een mens in het water. We proberen te zwemmen, maar we worden moe en gaan ten onder. Gelukkig dat iemand ons komt redden. Het is maar goed dat er ‘mensenvissers’ zijn. Een mensenvisser is iemand die jou helpen kan. Die jou redden kan uit het ‘water’ van de pijn, het verdriet, de armoede. Ja, iemand die je redden kan van… de dood. Iemand die jou terug kan brengen, waar je hoort: bij je hemelse Vader, bij God.

Zo iemand is Jezus. Jezus is gekomen om ons te redden. Als een visser die vissen vangt, gooit Hij zijn net in het water. Hij doet dat gewoon met Zijn mond, met Zijn Woord. ‘Ga met mij mee’, roept Hij. En Petrus, Andreas, Johannes en Jacobus laten zich vangen. Ze staan op en gaan met Jezus mee. Jezus is de Redder. Hij sleept ons uit de ondergang. Hij redt ons van de dood. Hij brengt ons terug, waar we écht leven kunnen: bij de HEER. Bij God de Vader. Thuis.
Jezus is een mensenvisser. En wij mogen het ook worden. ‘Ik zal van jullie vissers van mensen maken’, zegt Hij. Petrus en Andreas, Johannes en Jacobus – ze mogen andere mensen over God gaan vertellen. Ze mogen – net als Jezus – mensen ‘vangen’ met hun woorden. Ook jij en ik mogen ‘mensenvisser’ worden. Mensen helpen, mensen redden, mensen over God vertellen. Zodat ze merken: bij God alleen ben ik als een vis in het water, als een mens op het droge.

Vissen vissen kan ik niet. Ik heb het ooit geprobeerd, maar dat is mislukt. Het was natuurlijk superdom van mij dat ik niet aan iemand gevraagd heb om het mij te leren. Iemand anders had mij vast wel kunnen vertellen, hoe ik vissen moet vangen. Mensen vangen, mensen helpen, mensen redden, kan ik ook niet. Maar Jezus kan het me leren. In de Bijbel kan ik lezen wat Hij zegt en wat Hij doet. Ik mag het Hem nazeggen en nadoen. Zo kunnen jij en ik een ‘mensenvisser’ worden. Want Jezus komt vandaag voorbij en roept ook u ook jou en mij’. Om mijn leven aan Hem te geven en in Zijn dienst te besteden.