Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Jij hoort er ook bij!
Verkondiging op zondag 3 juli 2022
Doop van Julie Schippers

De Regenboog te Nijverdal

Schriftlezingen: Jesaja 56:6-8  en Handelingen 10:1-17 en 34-35

‘Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die Hem vereert en rechtvaardig handelt’ (Handelingen 10:34-35)’

Het is voor ons mensen belangrijk om ergens bij te horen. Vrijwel niemand van ons wil nergens bij horen. Niemand van ons wil buitengesloten worden. Je hoort bij een gezin, een vriendenkring, een club, een dorp of stad, een kerk of een vereniging, een land, een volk. Je bent lid van een kring, een community, een gemeenschap. Floortje komt op haar reizen naar het einde van de wereld soms mensen tegen die zich helemaal van alles en iedereen hebben afgezonderd. Maar dat zijn hoge uitzonderingen. Als het even kan, zoeken wij de verbinding met anderen. De band kan variëren van los tot vast. Het kan vrijblijvend zijn of juist heel close. Bovendien kun je de grenzen van jouw kring of club heel strak trekken. Je bouwt bij wijze van spreken een dikke muur rondom jouw bastion. Vanaf die muur bekijk je de anderen als buitenstaanders, die je niet toe wilt laten. Daar wil je niets mee te maken hebben. Die benader je met argwaan en wantrouwen. Ze zijn anders en daarom niet te vertrouwen. Ze horen niet bij jouw kringetje.

In de eerste eeuw van de jaartelling, de tijd van het Nieuwe Testament, bestond er zo’n muur tussen Joden en heidenen. In het verhaal van vanmorgen: tussen Joden en Romeinen. Een zichzelf respecterende Jood ging niet met een Romein om en vice versa. Romeinen bekeken de Joden als een achterlijk volkje. Ze besneden jongetjes. Ze luierden één dag in de week. Ze mochten niet het lekkerste eten wat er bestaat: varkensvlees. Voor Joden waren alle Romeinen agressieve bezetters. Maar ook afgodendienaars en vraatzuchtige wijnzuipers. Zo vlogen de vooroordelen over en weer. Of anders gezegd: er vloog niets heen en weer. Joden en Romeinen leefden naast elkaar en nooit met elkaar. Ze ontmoeten elkaar niet. Als Jood ging je niet met Romeinen om. Zeker niet bij elkaar eten. Want waar je mee omgaat, daarmee raak je besmet. En voordat wij dat nu onbegrijpelijk vinden: zo gaat het nog vaak in de wereld. Ook in onze leefwereld. Je hebt je kringetje van ons kent ons en soort zoekt soort. Je eigen land, je eigen volk, je eigen dorp. Jouw club. Die anderen? Dat zijn ‘boeren’ of juist ‘stadsmensen’, ‘illegalen of gelukszoekers’, ‘uitkeringstrekkers of juist rijke patsers’. Wij hebben zo ook onze vooroordelen. Als Petrus (net als wij) één ding nodig blijkt te hebben is dat: verlossing van vooroordeel. Zijn vooroordeel – als Jood – tegen een Romein.

In het visioen, de dagdroom, die hij ontvangt, verlost God hem daarvan. Ja, God, de HEER Zelf, de God van Israël stuurt Petrus een boodschap van boven. Op klaarlichte dag zit Petrus op het platte dak van zijn gastenverblijf in het stadje Joppe. Hij ziet een laken naar beneden komen. Recht uit de hemel. In dat doek zitten allerlei dieren. Dieren die een Jood mag eten en dieren die een Jood NIET mag eten. Reine en onreine door elkaar. Maar omdat ze allemaal in hetzelfde schuitje zitten, is het één laken, één pak. Ze zitten bij elkaar dus zijn ze allemaal niet kosher, niet rein, niet geschikt voor consumptie. Verboden te eten voor een rechtgeaarde Jood! Dus al rammelt de maag van Petrus, zou hij best een kippetje lusten of een lekker stukje lamsvlees - Hij weigert beslist. Ook als de stem roept: ‘Ga je gang, Petrus, slacht en eet’. Tot drie keer toe krijgt Petrus hetzelfde te zien en te horen. Drie keer is scheepsrecht. Driedubbel duidelijk dat Petrus hier niets voor voelt. Hij lijdt liever honger dan zijn maag te vullen met wat God verboden heeft. Petrus laat zich niet overtuigen. De goddelijke stem kan hem niet aan het eten krijgen: ‘Wat God rein verklaart, zul jij niet als verwerpelijk beschouwen’, klinkt het in zijn oren.

Als Petrus weer klaar wakker is, met beide benen op de grond staat, gaat hem langzaam maar zeker een lichtje op. Onder aan de trap van zijn huis staan mannen te roepen. Romeinse mannen. Onreine mensen dus. Ze willen hem ontmoeten. Bovendien zijn het dienaren van een Romeinse soldaat – zo’n mof, zo’n vuile bezetter. Daar mag je toch niet aan toegeven? Daar hoeft je toch niet mee te praten? ‘Wat God rein verklaard heeft, moet jij niet als verwerpelijk beschouwen’, klinkt het nog na in zijn oren. En dat weet hij het: de HERE God Zelf doorbreekt de grenzen. De muur is afgebroken. Niet de muur van eten en drinken, rein en onrein voedsel. Dit visioen is geen voer voor veganisten, carnivoren of vegetariërs. Het gaat om belangrijker zaken. Het vertelt ons niet wat we wel of niet mogen eten. Het gaat om veel belangrijker schepsels. Het gaat om mensen. God doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. De HEER, de God van Israël, blijkt geen grenzen te kennen in de mensenwereld. Er bestaan geen onreine en reine mensen. Voor God zijn alle mensen MENS. Voor God zijn alle mensen rein. De HEER kent slechts schepselen. Gemaakt, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Bestemd om op God te lijken. Op de aarde gezet om die aarde te bewerken en te bewaren. Veelkleurig van huidskleur. Veelsoortig van vorm. Veeltalig van klankkleur. Een prachtig boeket van de grote Bloemist. Een bont palet van de geniale Meesterschilder. Een bonte verscheidenheid. Geen exemplaar hetzelfde. Elk met een eigen DNA, maar allemaal: Mens!

Zo klonk 2000 jaar geleden al de verklaring van de rechten van de mens. Het recht op gelijke behandeling. Ieder mens telt. Ieder mens hoort erbij. Ieder mens maakt deel uit van de club die ‘mensheid’ heet. God maakt geen onderscheid tussen mensen. Maar nog veel belangrijker: Ieder mens is welkom bij God. “De HERE God trekt zich het lot aan van iedereen, uit welk volk dan ook”, zegt Petrus. Ieder mens, ook de vreemdeling, mag  weten dat God om hem geeft. Ieder mens mag daarom overal, altijd, in alle omstandigheden, naar God toegaan. Om Hem te vereren. Ieder mens mag overal en altijd en onder alle omstandigheden terugkeren bij God. Wie God zoekt, zal Hem vinden. Die vindt de weg naar de Vader.

De Romeinse hoofdman Cornelius was zo’n Godzoeker. Hij was iemand zoals er wel meer bestonden in die dagen. Een Romein die zijn vooroordelen tegen de Joden opzij had gezet. Hij is zelfs geïnteresseerd geraakt in dat vreemde geloof van Israël. Hij is daarbij vooral geraakt door de normen en waarden van dat volk. De Tien geboden. De opdracht om juist voor armen en misdeelden te zorgen. Het heeft hem gepakt. Cornelius is op zoek gegaan naar God. En als je echt op zoek naar God bent, zoek je ook naar dat wat God van je vraagt. Hem vereren en rechtvaardig handelen gaat dan hand in hand. Deze vreemdeling, deze Romeinse heiden, mag er daarom ook bij horen. Aan het einde van het hoofdstuk wordt hij gedoopt. Als teken van het verbond met God. De God van Abraham mag ook zijn God zijn. Gods huis mag zijn gebedshuis worden. Hij vindt zijn vreugde bij de HEER.

Vandaag wordt Julie gedoopt. Zij ontvangt hetzelfde teken als eens die Romeinse centurio. Ook Julie mag erbij horen. Bij God horen. Dat betekent nog steeds: ze kan altijd en overal bij de HERE God terecht. Jullie, Rik en Saskia mogen haar dat als ouders gaan vertellen. Dat goede nieuws. Die mooie boodschap. ‘Julie, jij hoort er ook bij. Jij hoort bij God’. Jullie mogen haar ook de normen en waarden bijbrengen die daarbij horen. De leefregels van God. Samengevat in de twee hoofdregels: Gods liefhebben en je naaste als jezelf. Of, zoals het van Cornelius wordt gezegd: ‘God vereren en rechtvaardig handelen’. En wat is dat dan ‘rechtvaardig handelen’? Eén van de belangrijkste regels is: geen vooroordelen hebben. Geen mens bij voorbaat uitsluiten. Ieder medemens behandelen, zoals jezelf behandeld wilt worden. Als schepsel van God. Omdat je zelf een schepsel bent. Een mensenkind dat weet heeft van de HEER die ons door en door kent. Hij heeft ons geschapen. Hij heeft ons met Zijn vingers aangeraakt. We zijn van Hem. We horen bij Hem. En daarom horen we bij elkaar als kinderen van één Vader.