Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

ISRAËL: WHAT'S IN A NAME

Kerkdienst 7 augustus 2022 - De Regenboog Nijverdal

Schriftlezingen: Genesis 32:23-33 en Lucas 18:1-8

“De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen” 
(Genesis 32:28-29)

Als je een rondreis maakt door Israël kom je zeker één ding prominent altijd en overal tegen. Bij alle informatie die je krijgt over verleden, heden en toekomst, komt dat éne telkens naar voren: oorlog, strijd. Er is heel wat afgevochten, gestreden, oorlog gevoerd in het kleine landje ingeklemd tussen Middellandse zee en rivier Jordaan. In het verre verleden: Oorlogen met Filistijnen, Kanaänieten en Egyptenaren. Assyriërs, Babyloniërs, Romeinen. Later oorlog met Joodse opstandelingen, moslims, christelijke kruisvaarders, Ottomanen en Mammelukken. Oorlog tot in de recente geschiedenis. In 1948 werd de Joodse staat Israël uitgeroepen en erkend door de Volkerenbond. De omringende Arabische landen stonden klaar om de Joden zo snel mogelijk de zee in te drijven. Het jonge Israël kreeg het zwaar te verduren in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948, de zesdaagse oorlog van 1967 en de Jom Kippoeroorlog in 1973. En ook daarna, tot op de dag van vandaag is vrede ver te zoeken. Strijd met Hamas in Gaza, Hezbollah in Libanon, Palestijnen in Oost-Jeruzalem en op de Westbank. Vrede is ver weg. De strijd gaat door.

De naam Israël, die de Joodse Staat heeft gekregen, is daarom zeer toepasselijk. Deze naam danken we aan het verhaal, dat we vanmorgen hebben gelezen. Het is de naam, die Jakob ontving van God Zelf. Aartsvader Jakob, verre voorouder van het huidige Joodse volk, kreeg de nieuwe naam na zijn nachtelijke worsteling bij de rivier Jabbok. Deze rivier ligt in het Overjordaanse, het huidige Jordanië. Jakob moet met zijn vee en familie de Jabbok oversteken. Jaren geleden is hij gevlucht voor zijn broer Ezau. Nu is hij op de weg terug naar het hem door God beloofde vaderland. Hij staat aan de grens. Hij staat op het punt om de pijnlijke confrontatie met zijn broer Ezau aan te gaan. De prangende vraag is: hoe zal Ezau reageren? Zal hij zijn broer met open armen ontvangen? Of zal hij de strijd aanbinden? De ongelijke strijd tussen het leger dappere mannen van Ezau met de kwetsbare weerloze mensen en dieren rondom herder Jakob. De toekomst is dus zeer onzeker. Maar voor het zover is, in de nacht voor de beslissende dag, vecht Jakob een ander gevecht uit: het gevecht met… Ja met wie eigenlijk? Het verhaal speelt zich letterlijk en figuurlijk af in de duisternis. In de nacht worstelt Jakob met ‘iemand’. Is het een man? Is het een engel? Is het een boze geest? Of is het misschien het innerlijk gevecht, dat Jakob voert met zichzelf? Het blijft voor ons onzeker. Voor Jakob trouwens niet. Na het gevecht strompelt hij gehavend weg. Hij mompelt: ‘Ik heb oog in oog gestaan met God’. Hij noemt de plaats ‘Peniël’ – ‘Aangezicht van God’. Voor Jakob is het glashelder: het was God, die met hem heeft gevochten. Dat leidt hij af uit zijn nieuwe naam, die de ‘Grote Onbekende’ hem heeft toegefluisterd. ‘Je bent niet meer Jakob – Israël zul jij heten’ ‘Strijder met God’, betekent dat. Want je hebt gestreden met God en mensen.

‘Israël’ – een nieuwe naam voor vader Jakob. Jakob is er maar wat blij mee. Het verlost hem namelijk van zijn oude naam. ‘Jakob’ betekent ‘hielenlichter’. Het herinnert aan de geboorte van hem en zijn tweelingbroer Esau. Toen voerden ze al strijd met elkaar. Esau was de eerstgeborene, maar Jakob hield Esau’s hiel vast. Alsof hij zijn grote broer al direct een hak wilde zetten. Als hielenlichter, pootjeshaker, bedrieger gaat Jakob de strijd aan met zijn broer. Voor een kommetje rode linzensoep steelt hij het eerstgeboorterecht. Met een lekker stukje vlees ontfutselt hij de grootste zegen van vader Isaak. Zo strijdt Jakob met mensen. Niet met grof geweld, maar met slinkse streken. Dat krijgt hij nu, in de nacht voor de beslissende dag op zijn bord. ‘Jakob’ is je naam. Je hebt je naam waargemaakt met leugen en bedrog. Je hebt het dus niet verdiend, dat Ezau jou als broeder begroeten zal. Je hebt je krediet verspeeld. Je hebt nergens recht op, Jakob…

Dat gaat door Jakob heen. Als die vreemde nachtelijke tegenstander met hem worstelt. Dan worstelt Jakob met zijn eigen verleden. Tot de nieuwe naam hem in de oren klinkt: ‘Israël’ zal ik je noemen, want ‘je vocht met God’. En dat klinkt dus als muziek in Jakobs oren. Niet alleen omdat hij de scheldnaam Jakob achter zich mag laten. Vooral ook omdat God Zelf hem deze naam als eretitel geeft. Ja, als eretitel, een naam, een lied van overwinning: ‘Je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen’. In deze naam geeft de HEER zich gewonnen. De HEER erkent Zelf zijn nederlaag. Hij dicht Jakob de overwinning toe. ‘JIJ hebt Mij verslagen. Je bent MIJ te sterk en te slim af. Jij, Israël, hebt God overwonnen…’.  

Strijd, oorlog, gevecht én overwinning. In het duister, in de nacht. Met die onbekende bekende tegenstander. Het lijkt misschien ver van ons bed. Mysterieus verhaal. Maar het kan zo dichtbij komen. Ook in ons leven. Plotseling sta je voor een tegenstander die de strijd met je aangaat. Harde strijd op leven en dood. Strijd met je verleden, waarin je misschien een misstap hebt begaan. Iets, dat je jezelf nooit kunt vergeven. Of misschien iets dat een ander jou heeft aangedaan. Je komt er maar niet mee in het reine. Strijd met mensen, die jou het leven zuur of zelfs onmogelijk hebben gemaakt. Die jou onherstelbaar hebben beschadigd. Nooit kun je met hen meer door één deur. Strijd misschien ook tegen onzichtbare vijanden als ernstige ziekte, chronische pijn, een levenslange handicap. Je kunt er maar niet mee ‘leren leven’, zoals men je dat aanraadt. Strijd misschien tegen verdriet, eenzaamheid en gemis – tegen de duistere periode in je leven, waar je alleen door moet. Strijd met… Ja met wie eigenlijk? Jakob weet het wel. Hij hoort het in zijn nieuwe naam: uiteindelijk is de strijd met God. Dat is toch uiteindelijk de zwaarste strijd, die je te voeren hebt in de nacht.

Jacob vecht in die nacht op leven en dood om Gods genade. En als Israël overwint hij. Hij wint Gods vergeving voor zijn leugen en bedrog.

Jacob vecht uit alle macht om Gods steun in de rug voor de moeilijk dag van morgen, als hij zijn grote broer onder ogen komt. En als Israël overwint hij. Het is God, die hem kracht geeft om in alle rust zijn broer onder ogen te komen. Jakob vecht als een leeuw om Gods zegen te ontvangen: ‘Ik laat u niet gaan, tenzij U mij zegent’, roept hij uit. Hij overwint: Hij ontvangt Gods zegen.

Ik moet denken aan die bijzondere man uit mijn eerste gemeente. Best wel een gesloten man was hij. Hij sprak niet vaak en makkelijk over zijn geloof. Op een dag moest hij naar het ziekenhuis voor een belangrijk onderzoek. Hij moest er de nacht blijven en zou de volgende dag de uitslag krijgen. Ik zocht hem die morgen op in het ziekenhuis. Ik kwam hem tegen op de gang. Hij kwam net terug van het gesprek met de arts. Hij had te horen gekregen, dat hij ongeneselijk ziek was. Dat er niets meer voor hem gedaan kon worden. Hij vertelde het – in alle rust. Wonderbaarlijk rustig. Ik vroeg hoe hij zo rustig kon zijn. Hij vertelde over de afgelopen nacht. Hoe hij gevochten had in het ziekenhuisbed. Geworsteld met God. Zoals Jakob. Hij had – zo vertelde hij - het gebed van Jakob in zijn mond genomen: ‘Ik laat u niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Vechten met God – mag dat? Moet je je niet gewoon neerleggen bij het onvermijdelijke? Moet je niet je hoofd buigen als onheil je treft? Moet je het maar aanvaarden dat je het gevoel hebt er alleen voor te staan – in de nacht, in de duisternis? Als je hoort over Jakobs worsteling weet je beter. God houdt van vechtersbazen. Zij die de strijd met Hem aangaan. Die NIET capituleren. Worstelend, niet aflatend. Hem niet laten gaan. Hem vastpakken en niet meer loslaten.

Dat is het geheim van het gebed, zoals Jezus het ons geleerd heeft. Volhardend gebed. Zoals de arme weduwe, waar Jezus over vertelt. Niet aflatend staat ze op de stoep bij de onrechtvaardige rechter. Ze staat in haar recht dus ze moet en zal haar gelijk halen. Ze gaat het gevecht aan. Desnoods gaat ze met die rechter op de vuist. Totdat hij zich gewonnen geeft, die onrechtvaardige rechter. ‘Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan hen die dag en nacht tot Hem roepen?’, zegt Jezus.

Israël. Strijder met God. De diepste nacht voor het Joodse volk was ongetwijfeld de verschrikking van de Holocaust in de tweede wereldoorlog. Israël streed met mensen. Zes miljoen Joden overleefden het niet. En als het aan Hitler had gelegen, was er geen Jood meer geweest. Mogen we dan zeggen, dat na die nacht van 40-45 in 1948 de morgen aanbrak voor Israël? Na de strijd de overwinning? Een eigen land, een eigen staat Israël. Mogen we zeggen, dat de HERE God na bittere strijd toch de overwinning gaf in de jaren, die daarna gevolgd zijn tot op de dag van vandaag? Is het bestaan van het Joodse volk en het voortbestaan van de Joodse Staat niet het bewijs dat God recht heeft verschaft? We zeggen het voorzichtig. Gods plannen zijn voor ons niet zonneklaar. Wij leven op aarde in het nachtelijk duister. God gaat zijn ongekende gang door de nacht van de geschiedenis.

Wat we zeker mogen zeggen is: Hij zal ons aanhoudend strijden nooit afwijzen. Hij zal ons zegenen. Zegen betekent niet dat alle ellende verdwijnt als sneeuw voor de zon. Het betekent dat Hij ons nabij zal zijn. Dat we na een zwarte nacht een nieuwe morgen tegemoet gaan. Zo heeft de HEER ons gezegend door de komst van Zijn Zoon. Jezus, onze Joodse Messias, kind van Jakob, zoon van Israël. Hij heeft gestreden op Golgotha en heeft overwonnen op de Paasmorgen. Wie op Hem vertrouwt mag weten: hoe zwaar de strijd ook zal zijn, God geeft de overwinning. Door Jezus Christus, onze Heiland, onze Bevrijder.